Parochieverhalen

Parochieverhalen

Lijst met zielzorgers van de Lambertusparochie

Die Distrusie van Huuselingh in 16 ende 21

Legaat pastoor Arnoldus Zeelandts

Het binatiecontract van pastoor Arnoldus Douven

Contract koster en schoolmeester Nicolaas van den Hoven

De rekening van pastoor W.W. Ruys

De schuldbekentenis van Heymerik Janssen de Kock

 

Parochieverhalen In bewerking
De periode vanaf de kerstening
Vanaf 600 na Chr. werd de bevolking in het Land van Herpen, waartoe ook Huisseling behoorde, bekeerd tot het christendom. Het was de heilige Lambertus, bisschop van Maastricht, die in deze streek het geloof verkondigde en er veel kerken stichtte die naar hem genoemd zijn. Op 17 september 705 werd Lambertus op brute wijze met een lans vermoord in Luik. Hij werd begraven in Maastricht. Zijn feestdag is op 17 september. Hubertus, de opvolger van Lambertus als bisschop van Maastricht, bracht de bisschopszetel van Maastricht over naar Luik. Hij bracht ook de relieken van Lambertus over naar Luik, waar zij werden vereerd tot in onze streken. Er moet in die tijd al een eerste houten kerkje gestaan hebben, ongeveer op de kruising Grotestraat en de Dorpenweg. Hier werden tijdens de aanleg van de Dorpenweg restanten van de reeds lang geruimde graven gevonden.

De eerste vermelding in 1358
In 1358 wordt Gerit Graet voor het eerst als pastoor genoemd (zie lijst van zielzorgers van de parochie). Het is waarschijnlijk dat er toen al het eerste stenen kerkje stond. De kerk is een ‘kleine kerk’ (ecclesia dimidia), wat wil zeggen dat slechts de helft van de belasting hoefde te worden betaald. De waarde is 12 florijnen, met de verplichting drie Missen op te dragen, uitgezonderd op feestdagen. De heer van Ravenstein was de bezitter van het pastoraat en collatierechten van de parochie Huisseling. Hij benoemde de pastoor in het ambt en ontving daarvoor betalingen.
Met de bul ‘Super Universus’ van Paus Paulus IV (1559), werd een groot aantal nieuwe bisdommen opgericht, waaronder ’s-Hertogenbosch en Roermond. Ook Huisseling valt vanaf dan onder het bisdom ’s-Hertogenbosch. Sonnius wordt tot eerste bisschop van ’s-Hertogenbosch gewijd (1562). Hij richt nieuwe dekenaten op waaronder ‘Maasland’. Ook Het Land van Ravenstein wordt hierbij ingedeeld, maar dit blijft, samen met het Graafschap Megen, stug vasthouden aan het bisdom Luik.
Tijdens de synode van 1571 verdeelt de tweede bisschop van Den Bosch, Metsius, de dekenaten opnieuw tot tien, waaronder zich 194 parochies bevinden. Dekenaat Maasland heet voortaan dekenaat Oss. Bisschop Zoesius bezoekt in 1617 het dekenaat Oss. Hij komt tot de conclusie dat men in de tien parochies in de Heerlijkheid Ravenstein blijft vasthouden aan het bisdom Luik. De inwoners van Het Land van Ravenstein zijn bang dat de inlijving bij het Bisdom ’s-Hertogenbosch ook gevolgen zou kunnen hebben voor hun staatkundige onafhankelijkheid.

Tijdens de reformatie
Begin 17e eeuw wordt in Staats Brabant de openbare uitoefening van de katholieke godsdienst verboden. Het zelfstandige Land van Ravenstein blijft, samen met Megen en Gemert, echter trouw aan de katholieke eredienst. In 1627 komt de reformatie wel heel dicht bij; in maart van dat jaar nemen de protestanten de Ravensteinse kerk in bezit, maar op 19 januari 1628 was de kerk echter weer in katholieke handen. Huisseling heeft dus onafgebroken de katholieke eredienst kunnen behouden. In 1634 ontstaat het dekenaat Ravenstein. Bisschop Ophovius benoemt Jan van Ahr, pastoor van Herpen, tot eerste deken. Wolfgang Wilhelm van Neuburg, heer van Ravenstein, wenst een eigen bisschop voor het Land van Ravenstein. Dit verzoek wordt echter afgewezen. Bij besluit van 9 mei 1667 van de Propaganda Fide te Rome worden de dekenaten Ravenstein en Megen weer toegevoegd aan het bisdom Luik. In 1725 krijgt Arnoldus Zeelandts, pastoor van Huisseling, de waardigheid van landdeken van het district Ravenstein. Hij blijft 40 jaar pastoor van Huisseling.

 

De verwoesting van het oude Huisseling
De staatkundige onrust in de regio had grote gevolgen voor het dorp Huisseling. In 1586 trekt het statenleger door de streek om Grave te ontzetten. Daarbij brengen zij grote schade toe aan de Huisselingse kerk en toren, ook nemen ze de klokken mee. Van deze klokken wordt gezegd: “der worren geen schoender clocken aen den Maeskant als wij te Huiscelingh en hadden”.
Tijdens het Twaalfjarig Bestand (1614) kwam het Land van Ravenstein in handen van de keurvorst van Brandenburg. Om financiële redenen moest hij de Staten-Generaal der Nederlanden toestaan dat er een Staats garnizoen werd gelegerd in de stad Ravenstein. Die begonnen daarop met de aanleg van verdedigingswerken rondom de stad. Om een vrij schootsveld te creëren, moest de Huisselingse kerk en zo’n 29 huizen in Huisseling, die te dicht op de vesting stonden, worden gesloopt. Op zondag 1 augustus 1621 leest de pastoor voor de laatste keer de Heilige Mis in de oude kerk. De bewoners van Huisseling waren niet zomaar bereid hun kerk en woonhuizen te slopen. Toen men het nieuws op 25 maart 1621 hoorde werd er meteen een deputatie naar Kleef gezonden om het slopen ongedaan te maken. Maar helaas, Brandenburg was financieel met handen en voeten aan de Staten gebonden.

Over en weer werd er overleg gevoerd, maar uiteindelijk zonder resultaat. Het enige dat werd bereikt was dat men de kerk niet zelf hoefde te slopen en dat men het vrijkomend materiaal mocht behouden. Dit ten behoeve van de bouw van een nieuwe kerk op een andere locatie. De opdracht hiervoor werd gegeven aan een man uit Cuijk, Hanrick Jans den Schepper genoemd. Direct na de laatste mis op zondag 1 augustus 1621 gingen de timmerlieden en de leidekkers aan de slag. Op 2 augustus, rond de middag begonnen de timmerlieden te breken en op 3 augustus, in de avond, hadden zij al het houtwerk gesloopt op de balken van de zolder na. Op 4 augustus werd het houtwerk weggebracht en kwamen een aantal mensen uit Ravenstein, met een aantal metselaars en een wagen vol houwelen en pikken, om de kerk ‘om te houwen’. Men moest haast maken, anders zou Huisseling naast zijn kerk ook nog eens 100 gulden aan gemaakte kosten kwijt zijn. Zo werd er op zondag 8 augustus al zeer vroeg begonnen en 9 augustus voor de middag lagen de stenen op de grond. De stenen moesten direct weg of ze zouden door de kolonel worden onteigend. Ook de muur rondom het kerkhof moest worden gesloopt.
De kerk zou geheel tot het profijt van de parochie zijn en men mocht de materialen brengen daar waar zij ze het beste laten konden. Vermeld wordt dat de mensen niet wisten waar ze het vrijkomend materiaal op zouden moeten slaan om hiervan later weer een andere kerk te kunnen bouwen. Joncker Faeck en een aantal naburen hadden voorgesteld de stenen op ‘den Onderstal’ aan de Woordstraat, op te slaan. Dit moet met de nodige problemen gepaard zijn gegaan, want de huidige Grotestraat lag er toen nog niet. Alles moest toen via de Hoekstraat – Lange Del – Burgemeester van de Wielstraat vervoerd worden en omdat het veel regende moet het transport wel erg moeilijk zijn geweest. Het hele dorp heeft een dag gesjouwd en uiteindelijk heeft men de ongeveer twintigduizend stenen naar ‘Floris Gorets berchhof’ aan de Bruickdijk verhuisd (tegenover de huidige pastorie). Deze materialen werden opgeslagen voor de bouw van een nieuwe kerk.

De bouw van een nieuwe kerk in 1626
Door het kerkbestuur wordt in 1626 voor 340 gulden van Aart Wilhelmus Arts en Jenneke de huisvrouwe het land genaamd ‘Achter Hof’ aangekocht, om daar een nieuwe kerk te bouwen en een kerkhof te leggen. Op 27 januari 1632 vindt de overdracht plaats van een stuk grond, waarop voorheen het kerkhof van Huisseling lag en waar ook de pastorie heeft gestaan. De grond werd verkocht aan Lenard Heimerix en zijn vrouw Maria. De pastorie wordt in de acte aangeduid als ‘wehm’ en ‘pastorie wehm’. Weem is een oude benaming voor de erven rond een kerk die gebruikt werden voor kerkhof, pastorie, tuin en boerderij. Er wordt bepaald dat de penningen ‘zullen gebruikt en belegd worden’ voor het nieuwe kerkhof en de nieuwe pastorie van Huisseling. Tevens wordt bedongen dat de verkoper (de Kerk) het recht behoudt om op de plaats van het oude kerkhof een heilig huiske tot gedachtenis te zetten zonder tegenspraak van de kopers of hun erfgenamen.

Het uiterlijk van de nieuwe kerk had kenmerken van de Romaanse bouwstijl. De toren stond voor de kerk, aan de straatkant, met uitzicht op de ‘Kerkstraat’. De toren bestond uit drie geledingen. In de eerste geleding zat aan de straatzijde de ingang. Boven de ingang zat een nis met daarin de Piëta. Tegen de zuidzijde van de toren stond een enorme aanbouw, met daarin de calvariegroep. Helaas is de hele calvariegroep verdwenen, de tombe ervan is nu opgenomen in het knekelhuisje.
Naast de kerk wordt er ook een pastorie gebouwd. Deze stond met het front naar de Hamstraat gericht, ongeveer waar nu het terrasje bij het parochiecentrum is. Op de grond rondom de kerk was verder de oude kosterij en de oude lagere school gevestigd en er was een boomgaard en een groenten- en kruidentuin.
Het is bekend dat zich in de kerk twee rijen banken bevonden, die met één kant tegen de muur stonden. Aan de zijde van het gangpad zaten bijzondere antieke kopstukken, die aan de Sint-Jankathedraal van ’s-Hertogenbosch zijn verkocht. Op de vloer lagen grijze natuurstenen tegels van ±30x30cm. Daarvan zijn er enkele bewaard. Er liggen er nu nog op de vloer onder de trap naar het zangkoor. Bijna alle meubelen uit de oude kerk zijn na 1911 vervangen. In de kerk stond een oud hoogaltaar, dat in 1899 nog werd verguld en een uit fragmenten samengestelde biechtstoel uit de 17e-18e eeuw, waarvan het zuiltje nu wordt gebruikt voor het Sint-Eligiusbeeld. Ook stond er een zeer fraaie communiebank en hingen er kruiswegstaties uit 1841. De tombe van het Jozefaltaar stond ook in deze kerk. In het priesterkoor hing een koperen godslamp, die in 1900 vervangen werd door het huidige zilveren exemplaar. Boven het hoogaltaar stonden 4 beelden opgesteld, dit alles in barokstijl. Links achter het hoogaltaar stond de doopvont en rechts was de sacristie. Het orgel bevond zich op het zangkoor in de toren.

De pastoriekwestie
Verder zou er nauwelijks iets meer bekend geweest zijn over de oude pastorie als er niet een daverende ruzie was geweest tussen de pastoor en het kerk- en armbestuur over het onderhoud. Het gebouw was zo erg in verval geraakt dat pastoor Cornelius Zeelandts met verlof van zijn geestelijke overheid in Ravenstein mocht gaan wonen, totdat de pastorie weer bewoonbaar was. In 1743 was de ellende met het onderhoud al begonnen. Het kerk- en armbestuur weigerde ook maar iets aan de broodnodige reparaties te doen. Er moest veel aan het gebouw gebeuren. De timmerman moest o.a. een nieuwe zolder maken boven de keuken, opkamer en de geut ‘met ribben daarbij te leveren 4 á 5 duijms dick. Goet greene 2 ½ voet van malkanderen’. Ook moest hij o.a. de ramen en de ‘Eijken dulpers’ vervangen. Daarnaast hadden ook de metselaar, ‘de glasmaaker, verver en decker’ veel werk te doen. De dakdekker moest ervoor zorgen dat het ‘dack van ’t huijs heel en gans geverst wordt en alle gaete opgestopt dat het goet dight is’ , waarbij ‘de hocken met weijte of speltje Stroij gedreven en het dack met Rogge Stroij gedeckt worden’.

De kerkmeesters Cornelis Kocken en Henrick Schippers kregen in november en december 1746 tot tweemaal toe van drost Bloemarts het bevel om binnen 8 dagen met de reparatie te beginnen. Ondanks een te verbeuren boete van 60 dukaten bleven zij in gebreke. De boetes betaalden ze ook niet: ‘Soo sal Righterbode van Ravenstein aenstonts mit schepene gaen ten huijsen van Cornelis Cocke en Henrick Schippers, ende bij jeder van hun voor de voors: dartigh ggts behoirl: pant haelen …’ (men verordent om een gereed pand publiekelijk te verkopen om van de opbrengst de restauratie van de pastorie te bekostigen). Tevens worden zij opnieuw gemaand om het pastoriehuis behoorlijk te repareren, nu op straffe van 40 dukaten ieder. Toen de kwestie in 1746 bij de keurvorst aanhangig werd gemaakt, werd er een commissie ingesteld van gezworenen en ingezetenen van Huisseling om het proces bij het hof in Düsseldorf op te schorten. De aangewezen man hiervoor was brouwer Marcillis Kocken, die hiervoor een aantal reizen naar het hof maakte. Hoewel zijn declaratie in de kerk- en armenrekening was geaccordeerd, was hij in 1755 nog bezig om zijn onkosten van 74 gulden betaald te krijgen. Eindelijk kwam er in september 1747 toch een ‘ernstig’ keurvorstelijk bevel om tot reparatie over te gaan. De kerkmeesters weten het dan nog tot 19 januari 1749 te rekken. Toen beval de keurvorst de reparatie door te zetten en die werd inderdaad uitgevoerd. Volgens bestek waren de kosten 294 gulden en 12 stuivers.

De bouw van een nieuwe pastorie
In 1877 wordt naar een ontwerp van architect Hermanus Kroonen door aannemer Arnoldus van den Berg uit Huisseling een nieuwe pastorie gebouwd. Uit de aantekeningen van pastoor A.A. van Gils blijkt dat de oude pastorie niet zoveel waarde heeft en dat de goede materialen moeten worden gebruikt voor een schuurtje, een nieuw lijkenhuisje (het knekelhuisje) en een ringmuur om het kerkhof. In 1910 wordt aan de pastorie een aanbouw geplaatst voor 2650 gulden en er komt een ijzeren hekwerk aan de straatzijde. Ook wordt de voordeur verder in de gang geplaatst. Al eerder werden de dakpannen vervangen door leien, omdat de mussen zich er gingen nestelen.
Het bijzondere aan deze pastorie is dat de muren zijn gebouwd met een spouwmuur. Dat de aannemer daar niet bekend mee was uit zich in het feit dat de binnenmuren net zo dik zijn als de buitenmuren. Verder bevinden zich onder aanbouw uit 1910 allerlei basins die de diverse ruimtes in de zomer moesten koelen en afvoeren die de vijver moesten voorzien van water. In de tijd van de bende van Oss liet pastoor Franken de pastorie beveiligen met allerlei luiken, sloten, bellen en zelfs een alarmklok op het dak.
Zie voor verdere uitleg in deze het bijzonder interessante filmpje van Omroep Walraven:
Restauratie klokje en pastorie Huisseling

Vergroting van de kerk in 1853
De groei van de parochie zet in de loop der jaren sterk door. In 1756 wordt aan pastoor Arnold Douven toegestaan om op zon- en feestdagen meer dan één mis op te dragen. Voordien begaven de parochianen zich deels naar Ravenstein en deels naar Herpen om de heilige mis bij te wonen.
In 1852 bespreekt Pastoor Verkuijlen met zijn kerkmeesters een plan om de kerk te vergroten en te restaureren, want de parochie is weer groter geworden. In 1853 neemt hij 2500 gulden op om het plan uit te voeren. Het schip wordt daarbij in lengte verdubbeld. Besloten wordt om bij aannemer G. de Bruijn ‘Dertig duijsent stenen te koopen en dese met eene schuit te Ravenstein te laten aanbrengen omdat het geschikter uitkomt voor onze karren aldaar af te halen, als ook dat er metzelzand en zand om de sacristij op te hoogen te Herpen moet worden gehaald, omdat het nu nog den ledigsten tijd is en dat het volk ook alle spandiensten met den meesten ijver en breidwilligheid verrigt hebben en vastgesteld om de werkzaamheden te beginnen den tweede zondag na Paschen’.
Ook komt er een nieuw hoogaltaar. Als bijzonder detail wordt vermeld dat er tijdens de verbouwing koeienhuiden om het altaar hingen zodat de kaarsen niet uitwaaiden.

De bouw van de huidige kerk in 1911
In 1870 telt onze parochie 355 personen die hun Pasen houden, één pastoor, twee kerkmeesters en vier armmeesters, één parochieel kerkhof en één algemene begraafplaats (Graafsestraat). In 1910 komen er opnieuw plannen om de oude kerk te vergroten. De bevolking groeit gestaag en de kerk wordt weer te klein. De kwaliteit van het gebouw staat vergroting toe, maar architect Caspar Franssen (een leerling van Piërre Cuijpers) uit Roermond, vindt dat het beter is om een geheel nieuwe kerk te bouwen. Hij maakt diverse plannen voor een kruiskerk met een toren naast het priesterkoor. Dit zou mooier zijn vanaf de straat. Na veel wikken en wegen wordt er besloten om toch een nieuwe kerk te bouwen, op dezelfde plaats. In maart 1911 wordt de oude kerk afgebroken en er wordt direct gestart met de bouw ‘Eener kerk met toren, sacristij, verbindingsgang naar pastorij, doopkapel, enz’.
Als noodkerk wordt de oude kolenschuur tegenover de pastorie ingericht. De kerkklok werd in een grote lindeboom gehangen. Tijdens de bouw van de kerk, waaraan heel het dorp meehielp, schijnt het niet één drup geregend te hebben! Water voor het cement werd gehaald in de poel aan de Ringelenburg (nu Selman).
De firma Mestrom uit Nijmegen was de aannemer en A.J.L. van Gils was de bouwpastoor. De bouw heeft geduurd van 24 april tot 18 november en de totale kosten bedroegen ca. 30.000 gulden. De kerk werd op 19 december 1911 ingezegend door pastoor Van Gils en later pas op 28 juli 1919 door mgr. Arnoldus Franciscus Diepen geconsacreerd. Er wordt geld opgenomen voor versieringen in de kerk en twee erebogen die later ook jaarlijks gebruikt gaan worden tijdens de bedevaart en de processies. Verder wordt het hoogaltaar gepolychromeerd.

In 1921 wordt het oude kerkhof verplaatst en het nieuwe kerkhof ingezegend. Tevens wordt er een nieuwe stenen biechtstoel aan de kerk gebouwd omdat de oude houten zeer gehorig bleek te zijn. In de bibliotheek van de pastorie worden vier glas-in-loodramen geplaatst voorstellende: Ignatius van Loyola, Eligius, Lambertus en Willibrordus, naar een ontwerp van Stümmel (atelier Derix, Kevelaer).

Restauratie van de kerk
In 1998 wordt de Lambertuskerk gerestaureerd; de toren, de klokkenzolder en de gewelven worden flink onderhanden genomen. Tevens wordt de voorgevel opnieuw gevoegd en komen er voorzetramen aan de zijde van het pleintje. De parochianen brengen zelf veel geld bijeen. Op 26 mei komt de haan weer terug op de toren.
Op 20 september is er groot feest. De kerk wordt officieel heropend na de renovatie. Tevens worden de patroonfeesten van de kerk en het gilde gevierd en het 25-jarig jubileum van het Gemengd Koor. Op zondag is er een Hoogmis met 3 heren, waarna in de tent op het veldje bij de kerk een koffieconcert door OBK en een optreden van het koor plaats vindt. In de kerk heeft het gilde een tentoonstelling georganiseerd. Een goed dorpsfeest.

Definitieve samenvoeging bij het bisdom ’s-Hertogenbosch
Ten gevolge van het concordaat in 1801 tussen Napoleon en paus Pius VII wordt het bisdom Luik opgeheven. De toenmalige Luikse prins-bisschop François Antoine graaf de Méan blijft echter apostolisch administrator van het dekenaat Ravenstein, maar laat het bestuur uitoefenen door een ‘commissaris-generaal’.
In 1806 wordt mgr. Borret door de bisschop van Luik benoemd tot commissaris-generaal van het Land van Ravenstein en Megen. In 1831 wordt mgr. Borret verheven tot apostolisch vicaris en mag namens de (voormalige) bisschop van Luik zelfstandig optreden in het Land van Ravenstein en Megen. In 1840 worden de apostolisch vicariaten Ravenstein-Megen en Grave definitief bij het bisdom ’s-Hertogenbosch gevoegd. In 1799 start pastoor Ruys met zijn seminarie, waarna 25 jaar lang een bloeiende tijd in het parochieleven van Huisseling volgt. Omdat de oudere studenten als subdiaken en diaken hebben deelgenomen aan de eredienst stond de liturgie in Huisseling op een hoog niveau. Kijk voor een uitgebreide beschrijving bij
Theologische Hogeschool van Huisseling

Bankenpacht
In de kerk en ook op het kerkhof waren klassen, zo werden de banken elk jaar opnieuw verpacht en hoe verder naar voren hoe duurder. Achterin bleven een paar banken onverpacht. Ook op het kerkhof waren klassen, wat in onze tijd ondenkbaar is, maar toen heel normaal werd gevonden. Hoe gevoelig men was voor de standen blijkt uit onderstaande anekdote:
De families Coenen en Sluijters zaten jarenlang samen in de eerste bank. Het gezin van dokter Sluijters breidde zich steeds meer uit, zodat hij behoefte had aan meer zitplaatsen. De familie Coenen werd beleefd verzocht de bank af te staan, waarmee Janus Coenen natuurlijk niet akkoord ging. Enkele maanden later stond er op een zondagmorgen plotsklaps een gloednieuwe bank, voorzien van zijdeurtjes (een voor Huisseling onbekend fenomeen) vóór de eerste bank. Een prachtoplossing vond de pastoor. De familietrots was gekrenkt en het kwam nooit meer goed tussen de familie Coenen en meneer pastoor. Uit kift ging Janus voortaan in een gratis achterste bank zitten.
In 1956 wordt er voor een bedrag van 9.000 gulden nieuwe banken aangeschaft. Via de dan nog bestaande bankenpacht zal een groot gedeelte van de kosten door de gelovigen zelf worden terugbetaald. Maar al in 1965 wordt de bankenpacht afgeschaft. Vanaf dit jaar gaat de kerk grafrechten vragen en kwam er een vrijwillige parochiebijdrage.

Het kerk- en armbestuur
Het kerkbestuur bestond in vroegere jaren uit drie personen. De pastoor, die tevens voorzitter was, een secretaris en een penningmeester. Verder waren er twee kerkmeesters die op voordracht van het kerkbestuur door de bisschop voor het leven werden benoemd. Tot er in de jaren ‘60 van de vorige eeuw een kentering kwam en de parochianen meer zeggenschap eisten. Het kerkbestuur werd meer democratisch gekozen en er ontstond meer openheid en gelijkheid. Het armbestuur werd eveneens op voordracht benoemd voor het leven en had als taak de armen in de parochie bij te staan, in geld of in natura. Men moet dit wel plaatsen in de tijd van toen. Er waren geen sociale wetten of voorzieningen van de overheid en moest de Kerk dus wel bijspringen. Haar inkomen haalde het armbestuur uit eerder geschonken bezittingen, vnl. gronden. Een goed armbestuur lette dan ook goed op om die veilig te stellen en niet in te laten teren. Ook hield men goed controle over het gebruik van de ondersteuning. En als men daaraan twijfelde dan gaf men de steun in de vorm van natura: brood en winkelwaar, kolen, aardappelen, etc.
Het armbestuur financiert in 1950 ook de aanschaf van centrale verwarming in de kerk. Meestal vergaderden het armbestuur en het kerkbestuur gezamenlijk in de zaal van de pastorie, maar de financiën werden afzonderlijk gehouden tot ±1970. Toen besloot het bisdom tot samenvoeging van beiden tot één parochiebestuur omdat de wereldlijke overheid genoeg voorzieningen bood.

Aantekeningen over de Heilige Communie en paasgebruiken
Pastoor Vinken maakt omstreeks 1900 aantekeningen over de gebruiken bij de 1e Heilige Communie: ‘kinderen die de Eerste H. Communie doen worden ingeschreven in de 6 broederschappen; Eligius, Gedurige aanbidding, Godslastering, Rozenkrans, Apostolaat des Gebeds en de Sint Pieterspenning. Kort daarna worden hen de scapulieren opgelegd en hunne namen gezonden naar de Fraters Carmelieten te Oss’. Vroeger kregen de eerste communicanten een prentje als bewijs dat zij hun 1e Heilige Communie hebben gedaan, vanaf 1900 kregen ze een boekje met de doopbeloften en een opdracht aan Onze-Lieve-Vrouw.

Over de gebruiken rond Pasen vroeger en nu schrijft pastoor Vinken: ‘op Paesmaandag worden de kerckmeesters bij de Heer Pastoir op de paaseijeren versoght, de kerckmeesters geven den wijn, die dien dagh over tafel gedroncke wort volgens out gebruijck, gelijck op meer pastorijen geschiet. Noch heden worden de kerkmeesters en organist met hunne vrouwen den 2en Paasdag des middags aan tafel verzocht. Zij blijven den heelen dag, nemen het avondmaal, doch van wijn geven is geen spraak meer’.

De Heilige Kindsheid
Vooral in Nederland was er veel belangstelling voor missiewerk, ook bij de jeugd. In 1849 werd hiervoor speciaal ‘de Kindsheid’ opgericht. Al vanaf hun geboorte werden veel katholieke kinderen ingeschreven als lid van het Pauselijk Genootschap van de H. Kindsheid. Met «kindsheid» bedoelde men de prille jeugd van Jezus. De verplichtingen voor de aangesloten kinderen waren eenvoudig: ze moesten een paar centen per maand betalen als contributie en dagelijks een Weesgegroet bidden met een schietgebed voor hun arme leeftijdgenootjes ‘de heidenkindjes’ die het ware geloof nog niet hadden leren kennen.
Het geld werd opgehaald door zelatrices. Men wilde de kinderen doordringen van de noodzaak van het missiewerk. Als ze 12 werden, konden ze toegevoegd lid van de Kindsheid worden. Als ze 18 waren, werden ze geacht lid te worden van het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs. Blijvende belangstelling voor het missiewerk was zo verzekerd. Vóór WOII organiseerden de diverse afdelingen van het genootschap in veel plaatsen in Brabant jaarlijks optochten waarin kinderen verkleed als Chinezen, indianen, negertjes, patertjes en zustertjes meeliepen. Na de oorlog verdween dat gebruik geleidelijk, hoewel er in sommige plaatsen tot in de jaren vijftig nog kindsheidoptochten georganiseerd werden.

Pastoor Johan Diels
Op zondag 7 juni 1953 wordt in Huisseling het 25-jarig priesterfeest van pastoor Johan Diels gevierd. Heel het dorp is op deze fraaie zondagochtend uitgelopen om de jubilaris te feliciteren. Om half 10 wordt de feeststoet voor de pastorie opgesteld: schooljeugd, bruidjes, pastoor, familie, feestcomité, parochianen. Vanaf de pastorie tot aan de kerk is een versiering aangebracht en van alle huizen wappert de vlag. Om 10 uur is in een prachtig versierde kerk de Plechtige Hoogmis, opgedragen door de jubilaris zelf, met assistentie van Piet Kocken O. Praem., Rector Frans Meulemans en kapelaan Theo Geurts. Het parochieel zangkoor zingt onder leiding van Ties Jansen, terwijl dit koor na de Heilige Mis samen met het dameskoor de vijfstemmige feestcantate van Haller zingt.
Na afloop van de mis gaat de stoet weer in dezelfde volgorde terug naar de pastorie, waar de huldiging van de jubilaris zal plaatsvinden en waar het geschenk van de parochianen zal worden aangeboden door kerkmeester Marcellis van den Bergh. Hierna volgt een kinderhulde waarna burgemeester Hoefnagel een toespraak houdt. OBK besluit de huldiging met een aubade. Om half 4 volgt dan nog een Plechtig Lof, waarna voor iedereen de gelegenheid bestaat de jubilaris te feliciteren.
Op woensdag 10 juni volgt nog een feestelijke dag voor de kinderen. Om half 9 naar de kindermis en vanaf 9 uur vrij. Vanaf half 3 komen de kinderen dan bij Drikus de Bruijn bij elkaar voor de kinderspelen, met na afloop een traktatie.
Als cadeau geeft het dorp zijn pastoor een nieuwe beschildering van het priesterkoor, dat men wil laten beschilderen met engelengroepen. Kunstschilder Piet Gerrits uit Heilig Landstichting wordt gevraagd een ontwerp te maken. Omdat Piet invalide is, doet zijn broer Gerard het eigenlijke schilderwerk. Onder diens toeziend oog mag de Huisselingse kunstschilder Piet Coray de gewelven in het priesterkoor van biezen en sterren voorzien.

Nieuwe parochiegrenzen
In 1949 is er een grenswijziging met de parochie Ravenstein. De nieuwe bewoners van De Doolhof willen onder geen beding bij de parochie Huisseling horen. De parochie Ravenstein betaalt daarvoor jaarlijks een bedrag aan de pastoor van Huisseling voor de geleden schade.
In 1956 gaat ook de nieuwe wijk ‘De Midding’ in Ravenstein over naar de parochie Ravenstein. Pastoor Diels verzoekt het bisdom om compensatie van het verlies van inkomsten na het overgaan van de 144 zielen naar de parochie Ravenstein.

Nieuwe ontwikkelingen in de kerk
Als onderdeel van de kerkvernieuwing werd het voorlezen van het zielboek afgeschaft. Er zijn in het (verre) verleden door parochianen ‘eeuwigdurende jaargetijden’ gefundeerd, wat inhield dat in ruil voor een schenking aan de kerk na hun overlijden jaarlijks een mis werd opgedragen en hun naam op het zielboek werd gezet. De oudste jaargetijden die in het parochiearchief te vinden waren zijn die voor Harske Wouter Kocken † 1709 en die voor haar stiefvader Peter Gerits † 1683. Dit gebruik is tot in 1965 in ere gehouden. Toen bleek eeuwigdurend toch eindig te zijn.

Pastoor Johan Diels gaat op zondag 5 september 1971 met emeritaat. Hij is de laatste Huisselingse pastoor en mag met toestemming van het bisdom op de pastorie blijven wonen. Vanaf 1974 is er een gezamenlijke exploitatie voor de parochies Heilige Lambertus, Heilige Lucia en Heilige Willibrordus. Het parochieblaadje ‘Info’ verschijnt vanaf dit jaar ook in onze parochie.
Vanaf 2000 breekt een pastoorloos tijdperk aan. Er kan slechts om de twee weken een Heilige Mis zijn in de eigen kerk of men kan vieringen bijwonen bij de zusters JMJ. Er worden lekenvoorgangers aangesteld, die communiediensten verzorgen en er wordt een Commissie Parochie Coördinatie opgericht door bestuursleden en parochianen. Zij gaan bekijken hoe de vieringen kunnen worden ingevuld. De parochies in de voormalige gemeente Ravenstein zullen in de toekomst nauw moeten gaan samenwerken. Er wordt gestart met een speciale vergadering van Kwadrant, een afvaardiging van de gezamenlijke kerkbesturen en pastoors van de parochies.

Pastoor Joep van Gaalen neemt op 11 januari 2015 in Ravenstein afscheid van de parochies Ravenstein, Huisseling, Deursen en Demen c.a. en gaat met emeritaat. Op zondag 1 februari is in de kerk van Schaijk een Heilige Mis waarin Harald Spiertz geïnstalleerd wordt als pastoor van de nieuwe parochie Heilige Johannes de Doper. Spiertz wordt geïnstalleerd door vicaris-generaal Ron van den Hout van het Bisdom ‘s-Hertogenbosch. Verder wordt het pastorale team voorgesteld. Deze bestaat naast pastoor Spiertz verder uit Bertus Driever, voormalig pastoor van Herpen-Koolwijk; Harrie Zandbelt, voormalig pastoor van Neerloon-Overlangel-Keent en Diaken René Lamers. Ook het nieuwe parochiebestuur wordt voorgesteld. Hierin zitten mensen uit alle oude parochies. Daarnaast komen er straks vier parochieraden die het parochiebestuur gaan adviseren en ondersteunen.

De bouw van het parochiecentrum
Toen in het begin van de jaren ‘80 duidelijk werd dat wij in Huisseling geen pastoor meer zouden krijgen en de pastorie zijn functie zou gaan verliezen, ontstond bij het parochiebestuur de gedachte om er ouderen in te huisvesten. Er werd contact opgenomen met woningbouwstichting Maasland, die echter weinig in de plannen zag. Een groep actieve jongeren wilde zelf een ontmoetingsruimte creëren, maar dit stuitte op verzet van zowel het parochiebestuur als het bisdom. Na veel discussies kwam men tot de slotsom om een soort gemeenschapshuis te bouwen; een ontmoetingsplaats waar wel behoefte aan was. Het parochiebestuur was overstag. Het bisdom had moeite met de plaats en de verbinding met de kerk, maar ging uiteindelijk toch akkoord. In eerste instantie moest het nieuwe parochiecentrum zo ver mogelijk van de pastorie worden geplaatst om zo min mogelijk waardevermindering van de pastorie te krijgen. Omdat ook het knekelhuisje moest blijven staan heeft men uiteindelijk een compromis gevonden voor de locatie. Het centrum werd gebouwd door de firma Dekkers Hout voor een bedrag van 120.000 gulden. De architect was G. van der Ven uit Deursen-Dennenburg. De biechtstoel ging, vanuit de kerk, de toegang vormen tot het zaaltje. Omdat de pastorie nog niet was verkocht moest de kerk een deel van haar grondbezit verkopen (Grotestraat 56). Op 20 april 1985 wordt het gebouw opgeleverd. Op 30 juni volgt de officiële ingebruikname en inzegening door pastoor Donders. De pastorie wordt in mei 1987 openbaar te koop aangeboden.

Sinds de opening van het parochiecentrum en de heroprichting van het gilde wordt er voor de kinderen weer van alles georganiseerd. In 1985 vindt dan ook voor de eerste keer het Koninginnedagfeest in het nieuwe gebouwtje plaats en in december van dat jaar organiseert het gilde de eerste kerst-knutsel-middag. De kinderen mogen een kerststukje maken en met behulp van papier een werkstukje in elkaar knutselen.
In 1986 wordt tijdens zo’n middag het orgeltje spontaan uit de kerk gehaald en gaat Jan van Munster kerstliedjes spelen, met de kinderen eromheen, die uit volle borst meezingen. In 1986 komt ook Sinterklaas voor het eerst naar Huisseling. In het parochiecentrum komen ruim 80 kinderen en hun ouders tezamen en worden sinterklaasliedjes gezongen en op het podium vertonen de kinderen hun kunnen. Sindsdien komt de goedheiligman ieder jaar weer terug.

Op 5 januari 2014, tijdens de jaarlijkse Nieuwjaarsreceptie volgt de ondertekening van de beheersovereenkomst van het parochiecentrum tussen het parochiebestuur H.H. Lucia-Lambertus en de nieuwe Stichting Vrienden van het Huisselings Erfgoed. Het zaaltje zal vanaf dan worden geëxploiteerd door de Stichting. De nieuwe naam van het zaaltje wordt ‘Den Achterhof’. De Stichting heeft als doel voor 2014 het beheer over het zaaltje, het opknappen van het terrein rondom het zaaltje en het in beheer krijgen van het Huisselings Veld. Op 9 maart is de officiële opening van Den Achterhof. De Stichting organiseert een feestelijke bijeenkomst in het zaaltje. Op deze dag presenteert de Stichting zich aan de bewoners en stellen de bestuursleden zich voor aan het publiek.

De geloofsbeleving in Huisseling in het midden van de 20e eeuw
Jan Elemans (van Wout) beschrijft in zijn bijdrage de geloofsbeleving in de Huisselingse gemeenschap gedurende het midden van de 20e eeuw. Het gewone leven in Huisseling was tot medio 1960 geheel verbonden met het geloof, zelfs tijdens het werk was men met een rotsvaste overtuiging hierop georiënteerd. Het was verbonden aan wetten en gebruiken die lange tijd stand hebben gehouden. Iedereen liep mee in het straatje en werd beoordeeld naar drie normen en waarden van de leefgemeenschap, diep verankerd in een lange overlevering: godsdienst, arbeid en zuinigheid. Voor de leiders had men eerbied en het was een grote eer een priester of zuster in de familie te hebben. Meerdere religieuzen kwamen dan ook uit Huisselingse gezinnen. De zondag was heilig en werd geëerd met twee Heilige Missen en een Lof. Ook op andere dagen kon men ’s-morgens vroeg al ter communie. Het manvolk ging alleen maar ter communie bij hoge feestdagen.
Voor het huwelijk kreeg men op drie opeenvolgende zondagen de zogenaamde roepen. Op de eerste zondag was de afkondiging van de trouwlustigen, waarna men ‘onder gebooi’ ging. Ieder kon dan bezwaar maken tegen het huwelijk en zijn ‘bekende beletselen’ noemen. Vooraf kreeg men uiteraard de nodige instructies van de herder.
Het kerkbestuur bestond uit twee kerkmeesters en de pastoor en die bleven dat meestal tot hun dood. Daarnaast was er een armbestuur van drie personen en die beheerde de financiën van het R.K. Armbestuur. Dat verleende financiële hulp daar waar zij dat nodig vonden. Soms in natura via de bakker of kruidenier.
Al deze geloofsovertuigingen en gebruiken hebben lange tijd goed gefunctioneerd, tot er in de jaren 1960 een kentering kwam in de geloofsbeleving. Er kwamen gespreksgroepen met behoudende en meer vernieuwende deelnemers, waar het soms fel aan toeging. Het geloof ging ook gepaard met verschillende gebruiken zoals de processies. Soms was er een missie, een bezinning van 9 dagen waarbij een predikant met donderpreken ‘hel en verdoemenis’ predikte. Dan waren er de Kruisdagen, waarbij men een rondje om de kerk liep en de ‘litanie van Allerheiligen’ zong voor de vruchten der aarde. Lang blijft dit nog naklinken. Het ‘aflaten bidden’ was ook een gebeuren waar men veel waarde aan hechtte. De biecht was toen een zegening voor de zondaar, want er was vergeving als men spijt betoonde.
De kerkgang was voor moeders die gebaard hadden en weer met een schone lei konden leven. Een kind baren werd toen als onkuis gezien en de moeder moest door een volle kerk naar het Maria-altaar. De priester richtte zich dan tot de moeder en sprak een speciaal dankgebed uit, omdat de smart van de baring gepaard ging met de vreugde van het moederschap.
De kerk is uitgegroeid naar een vernieuwde kerk van gelovigen. Samen kerk-zijn, waar de werkgroepen getuige van zijn en waar we in de toekomst op zullen moeten bouwen.

Naar een nieuwe kerk
Het parochiebestuur komt in 2006 met een beleidsvisie voor de toekomst van onze parochie. ‘Een herberg, die naar buiten toe licht en warmte uitstraalt, waarbinnen gastvrijheid en geborgenheid wordt gevonden en kracht en wederzijdse bemoediging wordt opgedaan om weer verder te gaan’. In een tijd dat de traditionele vorm van kerk-zijn de mensen steeds minder aanspreekt en de kerk haar aansluiting op de huidige samenleving meer en meer schijnt te verliezen, terwijl er juist steeds meer mensen op zoek zijn naar zingeving en alternatieve vormen van samenzijn, wordt het tijd dat wij ons als geloofsgemeenschap durven openstellen voor een hernieuwde vorm van kerk-zijn, die een antwoord wil zijn op de noden van de huidige generatie en die aandacht heeft voor de vragen van mensen in deze tijd.

Bedevaart naar Kevelaer
In Ravenstein wordt in 1888 de ‘Broederschap Bedevaart Kevelaer Ravenstein en Omstreken’ opgericht. In augustus vindt de eerste (tweedaagse) bedevaart plaats. Per trein vertrekken bijna 300 pelgrims uit Ravenstein en omstreken naar Kevelaer. Hieronder vele inwoners van Huisseling. Ook in onze tijd vertrekken nog jaarlijks twee à drie bussen met bedevaartgangers uit Ravenstein e.o. naar Kevelaer. Samen met 200.000 andere Nederlanders en 800.000 pelgrims uit andere landen zetten zij de eeuwenoude bedevaarttraditie voort. Eind augustus 2005 werd de 100e bedevaart naar Kevelaer gehouden. Het oude vaandel, dat in 1912 door diverse parochies werd geschonken vanwege het 25-jarig bestaan van de Bedevaart Ravenstein en Omstreken, wordt gerestaureerd.

Kerkelijke kunst
Altaar en Beelden
Ook onze kerk heeft last gehad van een ‘beeldenstorm’ die we modernisering noemen. Van de oorspronkelijke inventaris uit de oude kerk is nauwelijks nog wat over. Zo zijn het hoogaltaar, de preekstoel, communiebank en de biechtstoel vervangen door moderne varianten. Volgens overlevering is het Sint Lambertusbeeld in de kachel opgestookt, andere stukken zijn verkocht of afgegeven aan de missie. Beelden van Eligius en Lambertus werden op de voorgevel geplaatst en overleefden de wetten van de natuur niet. Toch zijn ook de moderne beelden en kunstwerken zeker de moeite waard om te vermelden.

Houten kerkmeubilair
Eikenhouten preekstoel met beelden van de vier evangelisten. De vier evangelisten met hun symbolen zijn; Matteüs: engel (of mens), Marcus: leeuw, Lucas: stier (of os, kalf), Johannes: adelaar. De preekstoel werd gemaakt in 1940 door beeldhouwer Piet Verdonk. In hetzelfde jaar maakte Piet Verdonk twee communiebanken met gebeeldhouwde taferelen. Het ene tafereel stelt de Emmaüsgangers voor en het andere Mozes bij het eten van het Paaslam. De twee delen zijn later verwerkt in de nieuwe altaartafel vooraan op het priesterkoor. In de sacristie hangt een zeer oud houten kruisbeeld (circa 1480).

Ciborie en kelken
De bijzonder fraaie ciborie is uit 1875. Een ciborie is een kelk waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard. In tegenstelling tot de miskelk, heeft de ciborie een deksel waarop doorgaans een rechtopstaand kruisje is bevestigd. De ciborie wordt vervaardigd door Franz Xaver Hellner, Kempen (D.); echter geleverd door Gerard Bartel Brom (Utrecht, 1874). In 1883 werd een nieuwe kelk aangeschaft. Deze neogotische verguld zilveren kelk is uit het atelier van H. van Gardingen en T. Manders uit Eindhoven. Op de zeslobbige voet staan medaillons met voorstellingen van Christus aan het kruis, Maria, Jozef, Augustinus, Eligius en Lambertus.

Monstrans en godslamp
Een prachtige nieuwe monstrans werd geleverd in 1859 door edelsmid Hermans uit Eindhoven. De zilveren, deels vergulde monstrans is in Gotische stijl vervaardigd. De monstrans is circa 80 cm. hoog. Op de monstrans zijn afgebeeld; Eligius met aambeeld en hamer, Bonifatius met boek en zwaard, Maria met kindje Jezus en diverse engeltjes. Gelijktijdig werd er een zilveren wierookvat met scheepje aangeschaft. De Russische zilveren godslamp is in 1900 gekocht bij de firma G. van de Breckel te Nijmegen. Het geld hiervoor werd bijeengebracht door de parochianen bij het 25-jarig priesterschap van pastoor Joseph Vinken. De oude koperen godslamp wordt geschonken aan het afgebrande klooster in Sluiskil.

 

Lijst met zielzorgers van de Lambertusparochie
Gerit Graet (1358-1365)
N.N.
Gerard van den Berg (1421-1428)
Hendrik van Loon (1428-1450)
Hendrik van Boxtel (1450-1463)
Nicolaas van Den Bosch (1463)
Jacob van Oerle (1463-1470)
Conrard van den Oever (1470-1478)
Jacob Maes (1478-1485)
Arnold Hendriks (1485-1510)
Johannes Emori (1510-1510)
Arnold van Herpen (1510-1523)
Anthonius Mynet (1523-1530)
Johannes van Brecht (1530-1538)
Johannes Gerards (1538)
Johannes van Glent (1538)
Theodorus van Lith (1538)
Jacob Cuijpers (1538-1580)
Hendrik van der Waeijen (1580-1629)
Willem van Itfelt (1629-1636)
N.N.
Nicolaas de Bruijn (1653-1665)
Cornelis van der Heijden (1665-1667)
Hendrik Verbruggen (1667-1702)
Arnold Zeelandts (1702-1745)
Cornelis Zeelandts (1745-1756)
Arnold Douven (1756-1787)
Willem Ruys (1787-1824)
Hendrik van den Wijmelenberg (1824)
Anton Verkuijlen (1824-1867).
Jacob Vermeer (1867-1869)
Augustinus Adrianus van Gils (1869-1895)
Joseph Vinken (1895-1909)
Augustinus Johannes Lambertus van Gils (1909-1920)
Ignatius (Jan) Franken (1920-1943)
Johan Herman Josef van den Heuvel (1943-1946)
Johan Martinus Diels (1946-1971)

Na de samenvoeging van de parochies H. Lambertus en H. Lucia onder één pastoor:
Jan W. Donders (1971-1994)
Joop de Lange (1994-1998)
Ad Tijssen (1998-2000)
Geen pastoor (2000-2002)
Joep van Gaalen (2002-2015)

Na de samenvoeging van de parochies Huisseling-Ravenstein met Demen-Dieden, Deursen-Dennenburg, Neerloon-Overlangel, Herpen-Koolwijk en Schaijk-Reek:
Harald Spiertz (2015-heden)

Assistenten
In de periode tussen 1971 en 2011 werd assistentie verleend door de pastores of kapelaans; J. Verberne, W. van Son, Rein van Langen, Wim Besselink, Toon van de Lokkant, Piet Pouls, Bertus Driever, Clemens en Ferry Bergsma, Jan Peeters en Harrie Zandbelt.
Na de samenvoeging van de parochies per 1 januari 2015 zijn, naast pastoor Spiertz, ook pastor Harrie Zandbelt, pastor Bertus Driever en Diaken René Lamers voorgangers in onze kerk.
Vanaf april 2016 is pastor Peter Raaphorst de opvolger van pastor Driever. Raaphorst wordt de vaste voorganger voor Herpen-Koolwijk en Huisseling; diaken Lamers de vaste voorganger voor Ravenstein-Neerlangel, Demen-Dieden en Deursen-Dennenburg en pastor Zandbelt voor Neerloon-Overlangel. Pastoor Spiertz is de vaste voorganger voor Schaijk-Reek.
Voor een uitgebreide uiteenzetting over de ‘pastoors in Huisseling vanaf 1358 tot nu’ zie: Kerkgeschiedenis 638-2000 of Kerkgeschiedenis 2000-heden

 

Die Distrusie van Huuselingh in 16 ende 21
Roerige tijden voor het Land van Ravenstein
Wat hierna beschreven wordt speelt zich af tijdens de 80-jarige oorlog. Op 15 mei 1648 werd in het stadhuis van Munster de vrede getekend; beter bekend als: “De vrede van Munster”. Hiermee kwam een eind aan de Spaanse overheersing: de 80-jarige oorlog. Voor onze streek waren het magere jaren die hun sporen ook hier hebben achtergelaten. Bestuurlijk verliep, ook bij ons, niet alles zoals wenselijk was. De Kleefse landen waartoe Ravenstein behoorde, werden 1n 1616 door het tractaat van Xanten, bestuurlijk ingedeeld. Ravenstein werd toebedeeld aan de Keurvorst van Brandenburg. Deze verplichtte zich helaas, om financiële redenen, Ravenstein aan de Staten-Generaal der Nederlanden ter beschikking te stellen voor de vestiging van een garnizoen en de aanleg van verdedigingswerken. Deze Staatse (protestante) bezetting bleef ruim 50 jaar gehandhaafd. De zoon van de keurvorst, keurprins Georg Wilhelm, had van de Hollandse Ontvanger-generaal, Peter Hoef Yser, 100.000 Thaler moeten lenen. Vandaar de aanduiding “Hoefijzerse schuld”. Verdedigingswerken vragen om een vrij schootsveld, een kale vlakte, zonder bomen, heggen en zeker geen huizen, laat staan een stenen kerkgebouw. Dit gebeuren is dan ook de oorzaak dat de toenmalige Huisselingse kerk aan de Schaafdries en 29 huizen moesten worden gesloopt.

De toedracht van deze gebeurtenis is opgeschreven door één van de kerkmeesters van Huisseling en heeft als titel “Die Distrusie van Huuselingh in anno 16 en 21”. Een kopie ervan bevindt zich in het parochiearchief van Huisseling. Later is dit verhaal ook weergegeven in de Verzameling Charters en Geschiedkundige Bescheiden betrekkelijk het Land van Ravenstein en ook in het kerkarchief van Ravenstein is het later door de toenmalige burgemeester Reinier van Claarenbeek overgeschreven. Het origineel is thans spoorloos en wie er toen pastoor was van Huisseling is (nog) niet bekend. Uit de volledige, moeilijk leesbare tekst geef ik hier een samenvatting in onze huidige taal. Het stuk in de originele taal staat daarachter weergegeven.

Die Distrusie van Huuselingh in anno 16 en 21
Zoals reeds gesteld waren de bewoners van Huisseling niet zomaar bereid hun kerk en woonhuizen te slopen. Begrijpelijk dan ook dat toen men het nieuws op 25 maart 1621 hoorde er meteen een deputatie naar Kleef werd gezonden om het slopen ongedaan te maken. Maar helaas, Brandenburg was financieel met handen en voeten aan de Staten gebonden. Over en weer werd er overleg gevoerd, maar uiteindelijk zonder resultaat. Het enige dat werd bereikt was dat men de kerk niet zelf hoefde te slopen, (Men zou kerkenschenders zijn geweest) en dat men het vrijkomend materiaal mocht behouden. Dit ten behoeve van de bouw van een nieuwe kerk op een andere locatie. De kerk moest afgebroken worden. De opdracht hiervoor werd gegeven aan een man uit Cuijk, Hanrick Jans den Schepper genoemd.

Op de eerste augustus 1621, een zondag, toen had de pastoor nog een heilige mis gedaan en Gods woord geleerd; maar het was voor de laatste maal! De timmerlieden en de leidekkers gingen direct aan de slag. Op 2 augustus, omtrent de middag begonnen de timmermannen te breken en op 3 augustus, in de avond, hadden zij al het houtwerk er al af. Op de balken van de zolder na. Op 4 augustus werd het houtwerk weggebracht en kwamen een aantal mensen uit Ravenstein, met een aantal metselaars en een wagen vol houwelen en pikken, om de kerk om te houwen. Men moest haast maken, anders zou Huisseling zijn kerk + nog eens 100 gulden aan gemaakte kosten kwijt zijn. Zo werd er op zondag 8 augustus al zeer vroeg begonnen en 9 augustus voor de middag lagen de stenen op de grond. Ook moesten de stenen direct weg of ze zouden door de kolonel worden onteigent. Leuk om te vermelden is verder ook dat de mensen niet wisten waar ze het vrijkomend materiaal op zouden slaan om hiervan later weer een andere kerk te kunnen bouwen. De kerk zou geheel tot het profijt van de parochie zijn en men mocht de materialen brengen daar waar zij ze het beste laten konden. De parochie wist niet waar zij die stenen zouden laten en Joncker Faeck en een aantal naberen hadden voorgesteld de stenen op den Onderstal (stuk land aan de Woordstraat) op te slaan. Het hele dorp heeft een dag gesjouwd en hebben ongeveer een twintigduizend stenen naar Floris Gorets berchhof aan de Bruickdijk verhuisd (vermoedelijk het huis van J. Franssen tegenover de pastorie). Ook de muur rondom het kerkhof moest worden gesloopt.
Deze materialen zijn kort daarna gebruikt voor de bouw van een nieuwe kerk op de plaats waar nu de kerk van Huisseling staat. Dit moet met de nodige problemen gepaard zijn gegaan, want de huidige Grotestraat lag er toen niet. Alles moest toen via de Hoekstraat, Langedel en Burg. van de Wielstraat vervoerd worden.

Gezien de vele regens moet het transport wel erg moeilijk zijn geweest. Volgens de weersverslagen moet de Langedel toen diep onder water gestaan hebben, maar vroeger kon veel! Een bewijs voor deze route is een middeleeuwse hardstenen dorpel van één van de oude kerkdeuren, die op het erf van Henri Elemans van een kar gevallen is en nu tegen het knekelhuisje ligt. Het jaar 1621 was voor Huisseling een dubbel rampjaar. Niet alleen omdat zij hun kerk en een aantal huizen moesten slopen, maar ook omdat overvloedige regens gedurende de zomermaanden tot in december de oogsten volkomen vernietigden. De armoede moet toen groot zijn geweest.

Hieronder volgt het volledige stuk in de originele taal, zoals die in 1621 werd geschreven:
Die distrusie van Huusselingh in anno 16 en 21,
Den 25 Maart, zo hebben daer 9 compoenien folcke in geleet, waervan den van Stina daer oversten korronel van was; en den koronel liet terstont afbreken die voerstat 25 huijs en 4 huijs tot Huijsselinc aan den schafdries, met groot misbaer van krijten en van kermen. En, dat stont voer het quam en het diersl van julius, doen woude den kornel die kerck van Huijsselingh oock af hebben met noch 5 huijs, en die naberen vonden huir daer zeer en bezwaard. Den 15 Julius so seijden die gemelde naberen van die naberen nar Clef aen het Hof om daer sulks te kennen te geven en sij hebben daer fijf daech stil gelegen en hebben daer geen audiensi coenen crijgen. En dat stont wes het was den 22 Julius op Marien Magdalenen dach nae den middag te 4 ueren, en die corenel was ken in den Haech, en Cappetein Kes-en-broet die Coemmendeure in die tijt as den cornel apsent was. Op Marien Magdalenen dach nae den middach to 4 ure zo quam Cappeteijn Kes-en-broet en had een hondert man twee of drie bij hem, en dede 8 hondert gulden aen die kerck schade in een ure. Doen die schade aen die kerck was geschiet, doen heeft thans wijlen van Eefferen, genaempt Stal, die tijt Droessert zijnde, heeft die naberen van Huijsselingh aanstons bij hem ontboeden, en hij secht dat hij schrijvens van Cleef hadde gecregen, dat die Kerck van Huijsselingh die naberen af souden breken tot profijt van die gemeint, en die naberen die seiden, dat haer geensiens to-en staet te doen, si stelden dal in huren handen, wil die heer hem onder weinden af te brecken, alse toch af moet, dat moeten wij lijden, want die heer die is boven ons, waer op die Drossert antwoerden, dat hijt voor goed hiel, dat hij enen brief hen na haef seijnden en die heern sulcks te kennen geeft op dat sij sulck mochten weten, of ziër dan van heren wegen wouden onder weijden af to breken, ofte dat sij noch anderen middel wisten te schicken en den brief terstond daer hen geseint is, die kerckmeesters hebben den boeij het loen van voeren moeten geven, en ongeferlick 3 uere daer nae, dat den boeij wech was hen na Clef, so heft den Drossert eenen brief geseint tot Huijsselingh aen die naberen, dat sij van stonden aen soenden schicken diekerck af te brecken, op eenen bruck van 5 hondert gout gulden, soo sijt niet en dede, en die naeberen worden zeer verfeert en vervonte , dat die Drossert huer geboet die Kerck af te brecken, eer het bescheijt vur quam van haeff, want den boeij en was noch niet ginder en die naeberen seijnden van stonden aen die kerckmeesters, met den Pastoor en erstelecke naberen, met een fet laem bij den Commendeur genaempt Kes-en-broet, en deden huer aenclacht, dat die Droessert huer geboet op eenen bruck van hondert gout glulden, die Kerck af te brecken, welck ons onmogelijck is en ons niet toe in staet te doen, hetwelck wij oetmoedelick hebben gebeden, dat die kerck toch zoude mogen blijven staen, zo het moegelick waer en Kes-en-broet antwoerden: “Die Kerck, d mieoet af, daer en is geen raet voor, vant ick krijgh alle daech schrijvers van mijn overrichheit, dat ick die Kerck van plack zoude late maken.” en hie seijde: “Sou die Drossert brucken van u luijden willen hebben en schade liden dat weer onbehoerlijck”, en hij blies in sijn hant en seijde: “dat en sal hij niet hebben” en die naberen hoerden saenderen daechs seggen, dat die boeij weer comen neer; en sij gingen bij den Drossert en vraden wat den boeij toch me hadde gebracht. En hij gaef bescheit, dat men die kerk af soude brecken van heeren wegen, en die materialen binnen die fusten brengen en die naberen seijden, dat huer onmogelick waer, dat wijer van stonden aen gingen, so en mochte wijse in een half jaer niet van plack brengen met ons clein gemeint, en sij hebben gesoennen, dat sij er toch af ontslagen mochten sijn van het afbreken en ook van die costen daer toe te doen; want daer en is genen middel toe; want wij hebben een clock laten gieten, die en is noch niet al betaalt, want sij en heeft daer noch geen jaer gehangen.

In anno 16 en 6 doen is die stat van Ravenstein af gebrant den 10 Junius op één huis na, en op het castel na. Doen is ons silverwerck dat tot ons kerck hoorde, ook verdorven in die stat, en dat hebben wij met consent van die here verkocht, en hebben daer een cloeck voer gecocht, want wij hebben 30 jaer met een gehuierde clock geseten, niet sonder oersaeck.

Plunderende soldaten, zoals in 1586 in Huisseling het geval was...

In anno 15 en 86 doen had die prins van Permo die stat Graef belegert en de doen quamen staten volck, om die stat Graef te ontzetten, en dat staten volck heeft ons onse clockken van Huisselingh in het jaar 1586 ontfremt, die wael twe duijsent ghulden wert waren, en hebben onse kerck gesendeleseert; al het ijser, den kerk mester, die gelaes speillen ten mocht huer niet ontgaeijen. Den worren geen schoender clocken aen den Maeskant als wij te Huijsselingh en hadden. En de den Drossert heeft saenderen daechs de timmerluij en die leijdeckers bij hem uitten gansen lant ontboeden, om dat hij woude hebben, dat sij die kerck af souden breken, welck sij seijden dat haer niet toe en stont dat sij die kerck af souden breken, en hij wolt daetelick hebben, dat sij ’t doen souden, off hij woll haer een brueck affnenem, en sij hebben gesect: “als wij ’t toch souden moeten doen, so willen wij van die naeberen huer sij gen haent hebben. Dat sij’t overgeven, en dat sij daer me te vreden sijn, dat wij die kerck afbreken, en, ons niet verwijten en zullen, dat wij kercken.schinders sijn”, en den Droessert heeft terstont neegen naberen uit den doerp bij hem gesütteerd, en woude hebben, dat sij heur eijen haent van huer souden geven voor huer en voer die gaensse gemeijnt, dat sij daer me te freden weren, dat men die kerck af soude breken, en die afbrekers niet verwijten en sou, datse kerckenschijnders weeren, en die neegen naeberen antwoerden: “Dat en staet ons niet toe te doen, dat wij ’t overgeven souden, met onsen wil te zijn, dat men die Kerck af souden breken” en die Droessert seijn den bij die schilwacht, dat sij niemanden van (het) kasteel en souden laeten gaen, en hij woude haer luijden gevaengelick daer houden, wes dat sij geteijckent hadden en wolse oock noch broecken af neemen. En sij hebben so langh gebeden, wis dat hij huer luijden liet gaen, en dat die ganse gemeijnt daer verscheijden mocht worden: want sij en custen voer een ander niet geteikenen.

Als gebert is dat sij uit sijn gegaen savers, en die ganse gemeint most smoergens weder om op het casteel comen, en mosten huer eijgen hant van haer geven, dat sij er mee te freden weeren, dat men die kerck van scheren weegen af souden brecken, en dat men die afbrekers off huer naecomelingh dat niet verwijten en sou, oft souden in ongenaeij van die heer fallen. Terstont als dat geteikent was, heft hij die tymmerluij en die leideckers ontboeden, dat sij die kerck af souden breken; die teekening, die sij van die naberen wouden hebben, die is nu daer, en die timmerluij en leijdeckers en deneds niet gern, en hij seinden sijnen schreiver aen die kerck met een ceil, om op te leesen, gelick of me gemonstert hadde, en hij seijde: wie daernt obreck, die woude hij in bruecken leggen en den hoechsten afsonderen. Hij befael den genen, die daer woeren, dat sij die kerck aen souden vangen af to brecken, op al sulckennen brueck, als hij daer op sette, en die timmerluijden hebben moeten slaen eenen slach, deen hier en, dander daer; maer sij hebben daer genen schaeij gedaen, dit selve is gebuert den 28 Julius, en sij sijn daer mee na huis gegaen wes sij wederom ontboden souden worden; want men sou besien of die leijdecker die leijen daer metter haest af cost crijgen. Als gebuert is, dat Peter die leijdecker mel sij wolck aent brecken is gegaen op die kerck den 28 Juliuze omtrent tusschen negen en tien ure, so ist gebuert, dat Kees-en-broet met een deel volcks uit quam nae den middach, en de het hick dat hij die kerck woert afbrecken woude, en doen hij saech, dat die leideckers daer op soeken, daen liet hij die Kerck met vreden; dan hij seide den leidecker, dat hij meer folcke daer op soude krijgen om af te brecken; want sij moet af sijn, of hij sol daer sijn volck op seinden, om af te brecken; daer mee is hij van daer gegaen, den ijersten dach Augustij in het jaer als boven, welcken dach was op eenen sondach, doen had den pastoor noch dienst der missen in die kerck gedaen en Goets woert geleert; maar het was lestmael.

Den tueden Augustus so worden die timmerlij veerom ontboden van den Drossert, dat sij dat houtwerck van die kerck souden brecken en op den selven dach gingen sij aent brecken omtrent den middach; en den derden Aughusti savens hadden sij dat houtwerck daer alttmael af, op die balken nae, daer den solder opgelegen had; en doen wol die coemenduer het steenwerck oeck om leech en van plack hebben. Den tweeden Augustus sijn die naeberen bij den scholtis gegaen oft hij ons niet en costgehelpen, dat men eenen boeij na Cleef geseind had, om aen die heeren te versoeken, nu het houtwerck van die kerck is, of si ons wouden vergunnen, dat wij dat mochten foerren ter plaessen daer wij dat best costen bewaren tot proefd van die gemeind om eifers daer weer een kerck ofte een cappel af to moogen richten.en ook woude vergunnen, dat wij dat steenwerk af mochten laeten brecken om den doerden of om den fierden steen, oft so nae als wij costen; want den Cappetein Kees-en-broet af leet breecken, so wijl hij ’t altemael tot sijn profijt trecken met die clocken met altemael het haeltwerck en den scholtis heeft den dorden dach Augusti eenen boeij naethoef to Cleef gebracht, dat wij die kerck souden laten afbrecken om den dorden oft fierden steen, oft so nae als wij coesten en die kerck die soude sijn int geheel tot profijt van die gemeint tot Huisselingh, en sij mogen die materiale foeren waer sij connen en waer sij het best coennen bewaren, om efter daer een kerck weer daer af te richten, noch heeft den scholtis den 5 dach Augusti bestelt die kerck af te brecken van heeren wegen, om den 4 steen, aen eenen man van Cuijck, genaempt Hanrick Jans den Schepper, noch heeft den scholtis denselven dach die naeberen geboeden van heeren wegen, dat sij dat houtwerck wech souden foeren waert huer luijen gaet docht weesen.Op eenen peen van 3 golt gulden, wije daer niet en quem smoergens to 6 ueren. En dit is geschiet de 4 dach van Augusti als gebuert is, en het meest en deel van het houtwerck is gefoert tot Huijsseling en joncker Warcks graeft, en den selfsten dach doen wij dar houtwerck gefoert hadden, quam cappetein Kes-en broet met sijn volck uit Ravestein en met ettelicke metselers, en brochten met eenen wagen, die gelaeien was met gewinten en met houwelen en met picken, om die kerck om te houwen, dit is gebuert den 7 Augusti recht na twee uren.En so sij aen werck woeren, moeste men hem geloven, dat men ze sanderen daechs den 8 Augusti en het was op eenen sondach, so solde wij hondert gulden gebruect hebben en daer op is Kes-en broet wederom nae Ravenstein gegaen met zijn folck die naeberen seijnden van stonden aen twee boeijen henan e Cuijck om die man voert te halen met sijn aerbeijers, die die kerck aengenomen had af te brecken om den 4 steen, dat sij haer terstont woort udsoen maken; want die kerck die muest morgen avont af sijn oft wij souden die Kerck quijt sijn en nog hondert ghulden toe moeten geven. als gebuert is dat sij in der nacht met die boeijen ten quamen, en den 8 dach Augustus sij aent brecken fijelen aen steenwerck smoergens seer vroeck, welcken dach was Sondach, en die naeberen hielpen huer luijden wat sij conten, omdat sij her kerck toch mochten behouden en geen brucken toch toe en hoefden te geven.

Acheraanzicht van de nieuwe kerk uit 1626. Bron: Parochiearchief Huisseling

’t ijs gebuert dat sij het steenwerk al te mael om leech kreegen, uit genomen den toers en een klein fluegelken van het koer, welck sij sanderen dachs den 9 Augusti voirt afbroecken en hoenter liggen voor den middaech, doen woude den cornel die steen oeck van plack hebben of sij woude se prijs maken, en die gemeint en wist niet waer sij die steen laten souen, en den scholtis en Joncker Faeck en ettelicke nabere die toen geordeneert, dat men die steen soude foeren aen den onderstal in die straet op die gemeint; en ettelijke naberen en wouden dat niet consenteren, dat men die steen daer foeren sou aen den Onderstal; en soo waren sij tegen een, en wij mossent evewael bestaen. en wij hebben eenen dach gefoert met den heelen dorp. en hebben der onttrent gefoert een tuentich duisent en Floris Gorets berchof aen den Bruckdijk en doen woude den Cornel die ringelmuur om den kerckhof oock af hebben en die kerckmeesters met die naberen hebben se dieselfste man ook af laeten breeken, die die kerck afbroecken had al om den 4 steen, en die sijn samen vercocht, en den duijfsteen, die aen die Kerck was, die heeft den Scholtis …*

*Volgens de zin schijnt er nog iets te moeten volgen, maar de auteur heeft het hierbij gelaten.

In 1626 werd een nieuwe kerk gebouwd op ‘Den Achterhof’ aan de huidige Hamstraat.

naar boven

 

Legaat pastoor Arnoldus Zeelandts
Hieronder het notarieel extract uit een testament uit 1742 van Arnoldus Zeelandts, landdeken en tevens pastoor van Huisseling, waarin hij een legaat aan de armen van Huisseling nalaat, in de originele taal:

Prentje van pastoor A. Zeelandts (Bron: Parochiearchief Huisseling)


Extract uit het testament van den Eerw. Heere Lant deeken Arnoldus Zeelandts in leven pastoor tot Huijsselingh, waer inne onder anderen Staet als volght:
Sijn Eerw. Lagateert aen de parochiale Kerke tot Huijsselingh eens de somma van hondert guldens, om die op een secuijr onderpandt uijt de setten, en voor de jaerlijxe revenues sal den tijdelijken pastoor aldaer gehouden Sijn te celebreren eene Zingende en twee lesende jaergetijde missen van Requiem voor Testateur en sijne naeste bloedt verwanten, als mede zijn Testateurs naem op ’t sielboek te stellen, en aftelesen: en sal den tijdelijken pastoir aen den custer uijt de voorp. Revenues, voorz. Singen der voorp. Misse jaerlijx uijtkeeren ses stúijvers.
Alnogh Legateert Testateur aen den Armen tot Húijsselingh een Capitael van Hondert guldens, om ten behoeven der armen aldaer beset te worden.

Het voornoemde Testament is door den Eerw. Heer Lant Deken en pastoir Arnoldus Zeelants gepasseert binnen Huijsselingh den 11en meij 1742, en is het voorstaende, voor soo veel het geextraheerde aen gaet, aen hetselve van woort tot woort Conform, ita Testor, Ravensteijn den 23e july 1749.

Omslag:
(Heer Landtdeken sinds gestorven zijn in meert 1745 en soo die Kerk en Arme Meesters aan de Kerk en Arme Zieke legaat gemaakt te sijn gehoort hebben ofte vernoomen hebben súlkxs van den pastoor geeyctke gelijk mede van ’t Testament.) “Extract uijt het Testament van den Eerw. Heere u Zeelants in Leven Lant Deeken en pastoor tot Huisselingh, aldaer gepasseert den 11en meij 1742”.

naar boven

 

Het binatiecontract van pastoor Arnoldus Douven
Hieronder het binatiecontract van pastoor Douven in de originele taal van die tijd, zoals het zich bevindt in het parochiearchief:

Contract wegens de Binatie ingegaen door mij Heer Arnoldus Matth: Douven met de Borgemeesters of gemeente van Huisseling ad 6 jaren als volght.
Op heden den 4 sbris 1756 sijn tot mij A:N Douven gekome Arnoldus van den Bergh ende Geurt Elemans Borgemeesters van Huisseling geassisteert met Marcellus Kocke ende Wouter Lambert van der Wielen alle ingesetene van Huisseling: welcke in name der voors: gemeente, welcke mij onderges: vrindelijck hebben versoght om te willen Bineren van aller Heijligen af tot paesschen toe op alle die sondagen en H: dagen, die daer tusschen vloeijen, ende hebbe met bovegemelde Borgemeesters hier over een accoort ingegaen voor eenen termijn van 6 jaaren, voor welcke last en dienst willigheijt voornoemde borgemeesters beloven aan mij voorn:, uijt de gemeens middelen, gelijck oock haare opvolgers, alle jaaren te betaalen een honorarium van 15 gulden en veirtien Stuijvers, mits gaders oock te vemittere vraght, welcke herkentenisse voors: Borgemeesters ende haare opvolgers sullen gehouden sijn aan mij te betaalen op Bamis, of op den 1 sbris als men schrijven sal 1757 ende alsoo oock de verdere jaaren tot dat dese 6 jaaren sullen geeijndight wesen: verders bedingt en bescheijt den Heer A:M: Douven in dit contract wel specialijck, dat, ingevalle hem de maghtige handt godts soude komen te raaken, het sij door siectens, swack of weeckheden, of wel om andere voorvallen, die men nu niet voorsiet, desen last niet conde volbrengen in eijgen persoon, het hem sal vrij staan van dit contract aftezien, ja selfs al was het binnen den termijn van dese 6 jaaren: Pastoir voorn: laet oock vrij van de selfde gelijcken aan de gemeente van Huisseling, dat sij ten allen tijden van dit contract can afsien, en besonderlijck ingevalle die redene, waerom de binatie van onsen Hooghweerdigsten is vergúnt, moght Cessere ende niet meer bestaan: verders soo diewils als de permissie van onsen Hooghweerdigsten Bisschop sal versoght worden , soo wort in dit contract van mij A:M: Douven wel specialijck bedongen, dat de gemeente of Borgemeesters alsdan aan de regeringe sich bevindende, sullen verplight sijn hier voor de onkosten te betaalen, en de Heer pastoir in alles schadeloos houden, des te meer omdat dit contract is tot laste en beswaarenisse van de Heer pastoir ende ten voordeele van het gemeene beste: Aldus gedaen ten huijse van de pastoreije van Huissling op heden den 4 sbris 1756 en eijgenhandig onderteeckent van de regerende Borgemeesters als bove, gelijck te sien is in het origineel Contract, waer uijt dit gecopieert is.
Naaright pro successoribus
Nota rede waer om ick dit Contract van de Binatie hebbe afgecopieert en hier geregistreert, dient tot een altijt duerent naarricht voor mijne opvolgers, ende ingevolge het origineel mochte vermist worden, soo konnen mijne successeuren altijt sien, dat het bineren geene verpligtinge is, noch oock niet annex of geheght aan de pastorije van Huisseling: maar eene enckelde goetheijt van den Heer pastoir, en ingevalle dat de gemeente door verloop van tijt, en allang jaren het bineren gewoon sijnde, desen last eens op den Heer pastoir wilde koeriijen, eerdat eenen Neopastor de Voncke wijs was, alsdaar van officie wegen ende uijt Crachte van sijn pastoreije daar toe verplight sijnde, soo kan den Neopastor hier mede voor de gemeente Diftenderen, en toonen onder wie de Binatie is begonnen, en voor hoe langh, op wat Conditie en voorwaerde: nota het originael contract light in de pastorije Archive, en hier uijt heb ick de gemeent een copije gegeven van woort tot woort, gelijck het contract hier geregistereert staet, dese copeije hebben de Borgemeesters als doen in de gemeijns komme geleijt, soo dat mijne opvolgers door dese registratie altijt konnen sien, het geene de gemeente hier hier van te lesen heeft, want naar verloop van jaaren souder somtijts wel eenen tijt konne geboren worden, dat de gemeente den Heer pastoir de Binatie onredelijck soude willen opdringen als verplightinge, en om dit voor te komen soo versoecke mits desen dat mijne successeuren de haare dit testament naarlaten, en soo doende blijven de Heere pastoirs altijt meester van de Binatie, en de pastorije en wort niet beswaert voor de nakomelingen: nota Ulberius den outsten pastoir, daar in mijnen tijt noch memorie of traditie van was, wiert genoemt Heer de Bruijn, den opvolger van desen, wiert genoemt Heer Hendrick ver Bruggen, dese twee hebben nooijt gebineert: op Heer Hendrick Verbruggen is gevolght de Heer Arnoldus Zeelandts en is 40 jaaren pastoir geweest en oock in sijne hooge jaren landtDeken van het district, desen Heer Arnoldus Zeelandts heeft het aldereerste tot Huisseling de Binatie begonnen in sijn hooge jaaren sijnde, ende heeft daar mede gecontinueert tot dat hij is gestorve ontrent het jaar 1746: maer van dese Binatie van Heer Arnoldus Zeelandts en is geen contract vindbaer geweest, soo dat dit maer verbael en bona fide geschiet is met de gemeente, ick vinde maar alleen een Supplique dat hier over naar Luijck gesonden is geweest: op des en Heer Arnoldus Zeelandts is gevolght Heer Cornelius Zeelandts cognatius germanus van Heer Arnoldus Zeelandts: desen Heer Cornelius Zeelandts heeft in die elf jaaren dat hij pastoir is geweest tot Huisseling nooijt willen Bineren, al hadde hem de gemeente daar van 100 gulden 5jaars wille geven, hij soude het nooijt gedaen hebben, de gemeente heeft onder hem, gelijck voor desen onder anderen pastoirs, naar Herpen of Ravensteijn, naar de eerste misse moeten gaen: de rede principaal waarom dat hij de gemeente had aangedaen, weijgerende de reparatie van het pastorijen huijs, hebbende het huijs soo langh ontrepareert ende het dack ondight gestaen, dat hij ten laetsten sigh en sijn meubilen niet meer drogh conde houden, soodat verplight is geweest met permissie van den Arckidiaken van Luijck te Ravensteijn een huijs te hueren en daar in te gaen wonen, en heeft tegen de gemeente moete procederen en groote onkosten moeten aanwenden om de Reparatie van het pastorijen huijs wederom als voore tot laste van de kerck te brengen, welck proces gevoert is onder pater van Willigen landtdeken en in sijn leven pastoir tot Ravesteijn alswaer de papieren van die proceduere in de dekenale Archive sijn berustende, welcke decanale Archive Anno 1773 getransfereert is geworden naar Deursen, sijnde de Hier van der Landen pastoir tot Deursen alsdoen Deken geworden: in dese procedure tegens de gemeente heeft de Heer Cornelius Zeelandts roem waerdigh getriumfeert soo datter de kercke den last heeft van het pastorijen huijs te repareren inalle poincten en deelen hoe het naam heeft, gelijck van oudts altijt gebruickelijck is geweest: de Heer Cornelius Zeelandts heeft dese saek soo veer gepouseert, dat onsen genadichsten Ceurvorst tegen de kerckmeesters, en verdere gemeentenaars, die de kerckmeesters de handt hielen, een expres mandatum ex Cabinelo heeft uijtgegeven, dat het pastoreijen, of al wat onder den naem van pastoreijenhuijsinge begrepen is, te allen tijde uijt de kercke revenuijen moet onderhouden worden, ende dat sonder eenigh Appel van de gemeentenaars, Nota dit mandatúm Serenissimi Electoris noster light in het pastorije histien of Archiefken en dat in perpetuan rei memoriam wel moet bewaert worden, sijnde geschreven in hoghduijtschen Character: de andere stucken van die procedure, sijnde te samen in een packet gebonden, liggen inde decanaale Archive: want hebbe die nooijt van Pater van Willige landtdeken te rugh konne krijgen,

Ita Arnoldus Mattheus Douven pastor in Huisseling et familiaris amieus preedecessoris mei Cornelij Zeelans ex Cujus ove hae narrata oudivi.

naar boven

 

Contract koster en schoolmeester Nicolaas van den Hoven
In het parochiearchief van Huisseling bevindt zich een contract tussen pastoor Arnoldus Mattheus Douven, het dorpsbestuur (geassisteert met de ondergeschrevene borgemeesters, kerckmeesters & ten overstaan van onse Schepene) en Nicolaus van den Hoven, koster en schoolmeester. Zijn taken en plichten in die tijd (1763) waren niet mis! Hieronder het complete verhaal in de originele taal, zoals het zich bevindt in het parochiearchief:

Sit nomen Domini benedictum
Op heden den 7 8bris 1763 Soo hebben wij ondergeschreven de heer Arnoldus Mattheus Douven als pastoir geassisteert met de ondergeschrevene borgemeesters, kerckmeesters & ten overstaan van onse Schepene aangenomen voor onse koster en Schoolmeester der gemeijnte van Huijsselingh den eersaamen jonck man Nicolaus van den Hoven en met de selven ingegaan dit volgende accoort , ten eersten dat den voornoemde schoolmeester kerck en school sal bedienen gelijck een braaf meester of coster toestaat te doen, voor eerst luijden in de kercke op alle tijden gelijck van oudts gebruijkelijck is, oock ten tijde van mercelijk onweer of donder voorvallende het sij bij dage of bij naght item volgens de kerckelijcke ordinantie van ons bisdom drij maal daghs kleppen des morgens, s middag’s en savons om het volck tot het gebedt of engesche groetenisse op te wecken, item het kercken horologe in eijgen persoon alle dagen op winden en verder klocken en horologie Smeren en naar Sien dat geen faute daar, aan is of verswegen wort: item dat hij de kercke sal net en reijn houden en eens s’week uijt keeren, Spinne koppen beletten en verder stuijven besonderlijck de autharen, item alle saterdaagen de drij (3) autaren op schicken met levende Bloemen als het Can geschieden: item de school kinderen neerstigh leeren lesen en schrijven: item cijfferen die het wille leeren, missen leeren dienen mits gaders te doen alle Saterdaagen te doen Cathechismus in de school of diewilder als het noodigh soude wesen, item leeren alle eerste puncten des geloofs gelijck bidden den vader onse, het geloof, de tien geboode godts, de vijf gebode van de H. kercke de seven H. Sacramenten, het misterie van de H. vrijvuldigheijt: verders dat hij de kinderen goede manieren sal leeren oock behoorelijck straffen en Castijden naar de teerheijt hunner Jaaren en Swaarheijt hunner fouten als sij tegens de School wetten pecceren en dat sonder eenige aansieninge van persoonen of conditie, oock de waeksaame ooge houden in de kercke onder de godtsdienst of christelijcke leeringe of de kinderen oock met eerbiedigheijt den selven bij woonen en die sich dertel aanstellen de selve daar voor behoorelijck straffen, daarvoor sal den koster genieten jaarlijckse huijs en hoft, alle renten staande beset voor de kosterije van Huisselingh, feertigh guldens s’jaars van de gemeente of regerende borgemeesters, item den bussers kamp (veld) groot eenen acker # item twee keur vimmen, een van gerst en een van Haver over de Raam naast Ravensteijn te Haalen voor het luijden in donder of onweder, item drij ackers bauwlant naast den kerckhoff vijf vat rogge tot herpen gaan uijt alen dirck eijnsen hof.

# 2 ackers en een hoxke nefens erve Marcellis Smits.

Item een vat rogge van ceel teúwens, welcke 6 vaaten rogge de gemeijnte hem sal helpen uijt vorderen bij faute van gnade betaalinge: item drij gulden van de kercke alle jaar voor schuere van het kercke koopere werck of tinne, teweten op de vier hooghtijden des jaars op Sint lambertus dagh en onse lieve vrouwen hemelvaart: item van ider bruijt en bruijdegom die hier geroepen worden 6 stuijvers, voor ider lijck dat Solemneel begraven wort; dat is groot lijck, van luijen en de misse te Singen 12 stuijvers, van ider kinderlijck dat nog niet sijn hooghtijt gehouden heeft 6 stuijvers van luijen, item den schoolmeester sal den onraat dijck, thijns, weteringe op de voorschreve custerije landerije staande ten seijnen lasten moeten maaken en caveren en dat voor den tijt van 6 achtereenvolgende jaaren edogh met drij jaaren te weder seggen wie van de beijde seijden het soude believe, verders of het moghte gebeuren, dat den koster, dat godt voorhoet, moghte in sijn jaaren verslappen ofte in sijne joncktie manqueren of sigh niet comporteren gelijck een braaf meester betamt, soo behoudt den Heer pastoir met de gemeente het reght van hem alle jaaren te Conne bedancken of casseren, mits hem drij maenden te voren de custerije op te seggen; item den meester sal gehouden sijn het geheele jaar door school te doen, uijtgenomen in den oosgt sal hij een maant geen cúfert sijn, en ingevalle datter noch sommige kinderen ter schoole quamen, soo sal hij de selve in die vacantie maant eens opsegge en dan de selve laaten gaan en sal van ider scholier s’mants tercken de somme van 2 stuijvers, oock soo veel aan hem te betaalen al was de maant maar effen aangevangen, uitgenome in waaters,noot als de kinderen wettigh belet sijn van niet te konnen comen: en ingevalle datter vremde kinderen van andere plaetsen bij hem ter schoole quamen sal daar voor trecke alle maanden vijf stuijvers. den aan vanck van húijs sal wesen op den eersten meij 1764, van den kostereijen hoff op half mert, de onbesaeijde landereijen sal hij aanstons aan veerden, edogh mits vergoedinge van mits reght, van het besaaijt landt sal hij de heele schaar trecken die vervalt anno 1764 waartegen Anna Margariet Cuijpers naargelaatene wedúe van onsen meester sal vrij mogen bewoonen het custereijen húijs tot de meij aanstande en oock soo langh het gelt trecken dat sjaars van de gemeijnte komt; item den nieuwen meester sal daarentegen alle profijten en vervallen trecke die in school of in kerck vervallen en dat van stonden aan dat hij in sijn bedieninge treedt: verders en wel specialijck ingevalle onsen meester ten tijde van sijne bedieninge sijn selve ten huwelijck wilde presenteren, soo sal hij gehouden wesen soo voor sijnen persoon als voor den persoon van sijne bruijt eenen suffisanten ontlast brief in te leveren aan de gemeente om altsoo tot meerder sieuritijt van alle last en kommer ontslagen te wesen, en in gevolge dat hij in dit poinet moghte ingebreken blijven soo sal de custereije van stonsen af aan vaeeren en het sal de Heer pastoir met de gemeente vrijstaan van anstons eenen anderen coster in sijn plaets te stellen. Item den nieuwen coster sal geen boomen die in den bogart of kruijthoff of op de kosterijen erven staan mogen uijtrooijen sonder voorweet van de Heer pastoir en Borgemeesters, maar wel in effect en in staat houden sonder hinder daar ente doen, ende soo het gebeurde dat d’een of d’ander fruijt boom in den boogart moghte te out wesen, dor sijn ofte niet meer dragen, sal den selven mogen uijt hacken en eenen jongen in de plaats stellen dogh dit niet anders als bij voor weete van de Heer pastoir en borgemeesters, des in oirconde der waarheijt hebben wij dit bovenstaen accoort eijgen Handigh onderteekent op heden den 7 8bris anno domini 1763.

N. van den Hoven, Arnoldus Mattheus Douven pastoir in Huisselingh, Marcelis Smits, Claas van den Boogaart borgemeesters, Anton van Londen Wilhelmus Smits kerckmeesters, G.F. van Stockheijm, Marcillis Kocken, Hendrik Schippers, Peeter Kocken Naebuer, Arnoldus van den Bergh Schepen.

naar boven

 

De rekening van pastoor W.W. Ruys

Krijttekening van pastoor W.W. Ruys (Bron: Parochiearchief Huisseling).


Van pastoor Ruys is bekend dat hij slecht met geld om kon gaan en regelmatig in ernstige mate van geldnood verkeerde. In onderstaande tekst wordt duidelijk dat Ruys graag aan het kerkbestuur kenbaar wil maken wat hij allemaal voor de kerk over heeft gehad:

N.B. De Pastor verzoekt, dat de kerkmeesters, en verdere Hoofden, en Leden Der gemeente Gelieven te bemerken De voordeelen door denselven van tijd tot tijd aan de kerk gedaan onder an desen:

  • 1mo Ten eersten dat de Pastor ter opbouwinge van Pastorijen Huis volgens quitantie aan Contenten aan J. van veghel betaald heeft – tweehonderd gulden,
  • 2do Dat deselve om de kerk te spaaren altijd gewoon geweest is te daghuurders aan het huis arbeidende te beschenken,
  • 3to Dat de Pastor de bovenkamers op zijne kosten heeft laaten voltrekken,
  • 4to Dat selve de orgelmakers, als zijden orgel kwamen stemmen, altijd kosten Logie heeft gegeeven,
  • 5to Dat deselve van den koning voor de kerk ses honder gulden’ heeft verkregen,
  • 6to Dat de Pastor voor eener Nieuwen Register genaamd viooldigando ui Zijn Zak aan Tits heeft betaald 33 gulden,
  • 7mo Dat Seep, Stijssel in eenige Jaaren veel te duur geweest Zij om het kerk goed voor Tien gulden te wasschen,
  • 8vo Dat de Pastor veele ornamenten aan de kerk heeft bezorgt
  • van Zaeliger Zijn Zuster en Tante,
  • 9no Dat de Pastor de voordeelen van de Boekjens van Eligius door hem gemaakt aan de kerk heeft, geschonken eens 52 gl, eens 75 gl,

Na Rijpe overweginge van dit al, is De vrage of de bovengenoemde wel kunnen oordeelen en vonissen), Dat het Redelijk Zoude Zijn, Ja of ’t Zelfs wel Regvaardig Zoude Zijn, Dat op den Pastors Rekeningen afgekort Zijn de interessen van de gelden De welke aan hem Pastor waren te ruggeschoten gestaan hebbende ten behoeven van de kerk, voornamenlijk om dat de kerk aan den Pastor van tijd tot tijd altijd meer schuldig was, en nogschuldig is en omdat dus de Pastor interessen moet geven om zo te spreeken van Zijn ijge geld.

De interessen Den Pastor volgens De maanboeken en Rekeninge Zijn

  • van ƒ 200 gul in 10 Jaaren 80
  • van ƒ 50 in 16 Jaaren 32
  • van ƒ 75 ten Lasten van
  • Ruth Klijne in 16 Jaaren 48
  • Dus Samen “ 160.

naar boven

 

De schuldbekentenis van Heymerik Janssen de Kock
In het oud archief van de Sint Luciaparochie in Ravenstein bevindt zich de schuldbekentenis van Heymerik Janssen de Kock (Kocken) te Huisseling aan zijn zus Emerentje (Emken) van 400 gulden voor Stadhouder van lenen, Herman Wilhelm de Soly op 28-3-1687. Hieronder het complete stuk in de originele taal:

“Ick Heijmerick Jans de Kock jonghman, ende inwoonder tot Huijsselingh lijde ende bekenne bij deesen, welk deúghdelick ende oprechtelijck Schuldich te weesen aen en~ ten behoeve van Emerents de Kock mijnne Suster, weduwe van wijlen Gerrit vande Peuplen, ende deroselúe Erven eene capitaale Somme van vier hondert guldens, ijden ad twentich Stúijvers Hollants gerekent hercommende van haare ende contante aen mijn aangetelde penninghen, bedanckende mist van den ontfangh vandien, ende well weetentlick opde exceptie van gheen gelt ontfanghen te hebben, als sijnde hiervan welk geinstrueert, tot voldoeninghe soo well dess capitaals, als interesse, die daar van jhaarlix soúden moeten betaalt worden, hebbe ick Debiteur aen mijn Suster Emerents voors~: overgegeven de helfte van de leege Verfer (-De Ververgaert-), sijnde leenlandt, den Weijkamp Schietende neffens het heijlighe Landt, groot ontrent twee morghen, omme hetselve Lant, als eijgen, Staande den tijdt van dit Capitaall niet en is afgelost, te moogen gebruijcken, ende blaaden; doorde Ick Heijmerick deesse overgift jure antichresio’s, ofte tot voor gewin te gebrúijcken crachte deses, ende súlx nit versochte ende gegevenen octroij bij de Heere Stadthouder van Leenen verleent, waar teeghens tusschen parthijen is geconfenteert ende afgesprooken, dat Debiteúr Heijmerick dese Somme van 400 gl. sall mooghen lossen naar sijn well gevallen t’ eliker keer, drij maanden te voorens voor expiratie van ijder jhaar, Ende is den aenvanck van’t jhaar op den eersten Maij 1687, tot gerieff ende voordeell vanden Debiteur, consenteert bij deesen Emerents voors~: dat Heijmerick Debiteúr dit capitaall sall mooghen minderen, ende lossen niet alleen mittet capitaall uit Geheell, maar oock mit een hondert ofte twee hondert gulden, ende vant gheene dat gelost sou moogen worden sall Emerents aen Heijmerick te goet commen, ende bij maniere van interesse betaalen sess pro cento ende alsoo de selve Emerents hetselve Lant gebruijcken totte volle aflegginghe toe; Ende bij aldien Heijmerick voorss~: 200 gulden, het sij in een ofte meer keeren, quaame af te leggen, soo sall hem Heijmerick vrij staan de helft van deese voorn~: verbonde helfte wederom aen hem te neemen Ende overmits het voors~: Landt, naamentlick de helfte vanden legen Verfer, geconsidueert wordt, beeter te sijnn jaarlix, als het interest vande voors~: alnoch jaarlix aen Heijmerick voorzss~: uijt te keeren drij gulden, nochtans te verminderen, soo eenige een ofte twee hondert guldens moghten gelost worden, allet pro rato, ende naar advenant, allet dit doonde onder verbant, ende submissie
Rechtens tot meerder vastigheijdt van deesen, hebben Parthijen neffens Heeren Stadthouder van Leenen ende twee mannen van Leen hier toe versochtt ende den Leengriffier dit eygenhandigh ghetekent,
Ravensteijn den 28 Martij 1687.

Heijmerick Kocken, Hermes Wilhelm de Soly als stathoúder van leenen, Jgijsb. van Lithi leenman, Gijsbert Aerts leenman, Txord: Baum leen griffier (krabbel)
Registratúm Loonboeck nr. 20 onder Huisselingk
Bezegeld met het zegel van Hermes Wilhelm de Soly.

 

Hieronder zullen binnenkort nog samenvattingen worden toegevoegd uit de geloofsbeleving van Jan Elemans Dzn, zoals hij ze in het verleden heeft gepubliceerd in onder andere ‘Het land van Bosch, Bruegel en Van Gogh’, ‘Leven in geloof’ en ‘Tegels aardewerk’.

 

naar boven