Veldnamen

Inleiding
De veld- en waternamen behoren tot de oudste eigennamen die er bestaan en kunnen honderden tot duizenden jaren oud zijn. Ze waren functioneel voor de bedrijfsvoering en plaatsbepaling en werden ‘van vader op zoon’ overgeleverd. Tot de oprichting van het kadaster in 1811 werden ze ook gebruikt bij de formele aanduiding van eigendom, waarbij de naam en de combinatie met de belendende percelen, de locatie uniek maakte. De oude perceelsindeling bleef tot aan de ruilverkaveling in de jaren vijftig van de vorige eeuw relatief ongewijzigd en vormt – ook nu nog – een uniek onderdeel van de Huisselingse geschiedenis. In de moderne variant vormen veel oude veldnamen de basis voor de huidige straaten wijknamen en blijven daardoor ook voor de toekomst bewaard.
Door Jan Elemans (Dzn) en Joost Kocken is onderzoek gedaan naar de veldnamen van Huisseling. Meer dan 95% van de Huisselingse veldnamen is te verklaren uit: de ligging (hoog/ laag), de ontginningsgeschiedenis of het grondgebruik. Bij veel gebruikte veldnamen komt in samengestelde vorm een persoonsnaam voor of een andere aanduiding als vorm of kleur. Bij zeer oude veldnamen zijn deze versmolten tot nieuwe namen, waarvan de oorspronkelijke betekenis bijna verloren is gegaan, zoals Ubberik, Gansork, Steenoven of Ersbil. In Veldnamen gaan we hier verder op in.

Namen die de vroegste ontginningsgeschiedenis aangeven
Voordat de rivierkleigronden bewoond raakten, waren ze ongetwijfeld nagenoeg geheel met bos bedekt. Bos is de natuurlijke begroeiing van een riviergebied in het Nederlandse klimaat. De eerste bewoners moeten delen van dit oerwoud hebben gerooid om ruimte te krijgen voor hun landbouwbedrijf, terwijl hun vee de terugkeer van de bosbegroeiing heeft verhinderd. In 1349 verwerven de inwoners van Huisseling het recht de woeste gronden ‘de heyde en vennen des dorps van Huysseling te deylen of in loten te slaan’. De veldnaam ‘Luut’ wordt nog als een overblijfsel hiervan gezien, in de betekenis van opgedeeld land.
Toponiemen met ‘kamp’ komen in Huisseling het meest voor. In de oorspronkelijk betekenis is kamp het open land rond het dorp. Het zijn vanaf begin 14e eeuw ontgonnen graslanden, binnen een groter nog niet ontgonnen ‘veld’. Ze liggen dan ook verder van het dorp. De meeste kampnamen bestaan uit een persoonsnaam zoals in: Rutte Kemke, Aarts Kamp of Vossekamp, meestal de naam van een (voormalige) eigenaar. Zo zijn de Paapekamp en het Pestorskamp in bezit geweest van de kerk. ‘Veld’ namen komen veel minder voor omdat ze niet op percelen betrekking hebben maar op een groter gebied zoals in ‘Hongerveld’. Deze naam wordt in verband gebracht met honger, armoede, kwelling of onkruid. Het is dan ook geen toeval dat dit veld als laatste in Huisseling tot ontginning werd gebracht.
Opvallend is het aantal bosnamen voor percelen waar sinds mensenheugenis geen bos meer is te vinden: Bosakker, Vlierbos, Boessenbos, Baksenbos. Ook dit getuigt waarschijnlijk van late ontginning, of van tijdelijk aan landbouwkundig gebruik onttrokken en weer verwilderde grond. Een oude groep vormen de ‘laar’ namen. Ze getuigen van vroege ontginning van bos naar bosweide. Voorbeelden zijn: Genselaer (Geenzers), Kupselaer (Kupsels), Luyselaer (Löwsters).
Ook ‘rot’ of ‘rode’ duidt op ontginningsactiviteit, in de betekenis van ‘gerooid bos’. Het gebied ‘De Rotten’ vormt een groot overgangsgebied tussen Huisseling naar Deursen, maar is als ontginning waarschijnlijk van veel oudere datum dan het naastgelegen Hongervelt.

Namen die het grondgebruik aangeven
Toponiem met ‘akker’ komen in Huisseling veel voor. De oudste akkernamen stammen uit de Frankische tijd (vanaf 500 na Chr.). Oorspronkelijk zijn het clusters met smalle aaneengesloten bouwlandpercelen van verschillende eigenaren, door houtwallen beschermd tegen het in het veld loslopend vee. Slechts enkele voorbeelden zijn: Hoogakker, Langakker, Reeakker (reeje = oogsten). Nog ouder zijn de ‘ing’ toponiemen zoals in Midding, Ong, Beving en Rulling. Elders in Nederland heten deze oude akkers: enk, eng, es of kouter.
Daarnaast komt ‘land’ (laant) veelvuldig voor, in de betekenis van bedrijfsgrond, meestal akkerland. Het betreft dan altijd land dat verder van de boerderij is gelegen, in tegenstelling tot het woord ‘den hof’ die altijd om de boerderij ligt. Voorbeelden zijn Hellegelant (Heiligenland), Kromland, Haverlaant en Jan Hörckensland.
Hoewel zeldzamer dan de akker- of kampnamen, zijn onder de Huisselingse toponiemen ook wel weilandnamen te vinden (wej, bulk, dries en laar). Volgens Edelman werden hooilanden veel eerder van een naam voorzien dan de weilanden. Grazen kon het vee overal, maar het hooi moest gewonnen worden op plaatsen waar het gras (met kruiden gemengd) overheerste. Het hooiland moest beschermd worden. De ‘weide’ namen zijn dan ook pas belangrijk geworden, toen de rest van het land grotendeels of geheel in cultuur was genomen. Het aantal ‘wei’ namen is beperkt. Het enige voorbeeld is Gaanzewèj. Ook ‘dries’ is een bijzondere weilandnaam (Schaafdries). Het is uit gebruik genomen bouwland dat zich op de vruchtbare rivierklei in korte tijd opnieuw ontwikkelt tot grasland dat voor beweiding en hooiwinning geschikt is. Van de hooilandtoponiemen is ook ‘Bulk’ nog een zeer oude naam, de verklaring wordt gevonden in ‘het beluiken of omheinen/afsluiten van het ontgonnen land. De ‘laar’ namen tenslotte verwijzen nog naar ontgonnen bosweides.

Namen die de hoogteligging aangeven
In het hoofdstuk Ontstaan van het landschap en de strijd tegen het water is al ingegaan op de grote verschillen in hoogte binnen het dorp. Toch zou je niet in eerste instantie woorden als ‘heuvel’ en ‘berg’ verwachten. Het veelvuldig voorkomen hiervan is te verklaren door de invloed van het water, een vluchtheuvel van twee meter was immers al van levensbelang in het door overstroming geteisterde gebied. Berg- en heuvelnamen als: Ubberik (Obbirg), Möwzenberg (Muizenberg), Ringelenberg, Heuvel, Ganzenheuvel, Kalfsheuvel en Rekheuvel zijn zonder uitzondering de hoogste en oudst bewoonde plaatsen van het dorp. Daarnaast zijn er nog de toponiemen ‘woord’ en ‘donk’ (Woordstraat, Loonse Woorden, Ossendonk). Ook dit zijn van nature hoger gelegen terreinen. In het centrum van het dorp komt een veelheid aan ‘ham’ toponiemen voor, rondom de huidige Hamstraat. Hammen waren gronden die oorspronkelijk aan drie zijden werden ingesloten door het water. De betekenis komt in de huidige taal nog terug in woorden als in- en uitham. Het zijn zeer oude (meestal) weilanden die destijds midden tussen de riviermeanders lagen. Net zoals bij De Rotten en Het Hongerveld, zijn De Hammen meer een gebiedsaanduiding dan een veldnaam. Daarbinnen liggen de Langen Ham, Grietjes Ham, Hooge Ham, Gereds Ham, Nelis Ham en de Erverham. De oude riviermeanders zelf vormen nu het ‘meren’ en ‘ramen’ gebied in het centrum van het dorp (Groote Raam, Kleine Raam, Halven Raam, Meerkes, Lang meer, Munneke Meer, Wets Meer). Het grootste deel van deze gronden zou – zonder onderbemaling – ook nu nog een groot deel van het jaar onder water staan. Binnen dit lage gebied liggen ook nog de ‘dal’ toponiemen, met uiteraard de Lange en de Korte Del, Dolderik en Daalders.

Hofnamen
In het algemeen verstaat men onder ‘enen hof’ de groentetuin bij de boerderij of het open akkerland dat direct aan de boerderij grenst. Het is meestal nog geen hectare groot en vaak van hoge leeftijd. Heel vroeger sprak men van ‘hofstad’, dat ‘huisplaats’ betekent (een perceel waarop een huis staat of gestaan heeft). In oude Huisselingse aktes wordt meestal van ‘huis en hof’ gesproken. Soms ontbreekt echter de boerderij, men kan dan aannemen dat er vroeger wel een boerderij heeft gestaan, zoals bij de ‘Erfsen Hof’. Latere overgangsvormen zijn ‘hosset’ en ‘hofset’. Ook de namen ‘Hoge en Lage Hostie’ (op de grens met Overlangel) zijn verbasteringen van het toponiem ‘Hofstad’. Deze oude hoven zijn meestal wat lager gelegen en als gevolg van de steeds grotere invloed van de overstromingen in de loop der tijden verlaten. Een laatste variant vormen de ‘Steenoven’ toponiemen die zowel in Deursen als in Huisseling voorkomen. In de nabijheid zijn urnen-velden opgegraven, waarbij het ‘steen’ verwijst naar de urnenscherven in de bouwvoor en ‘oove’ ook een verbastering is van ‘hoven’.

In de oudste schriftelijke bron (een 16e eeuws leenboek) blijkt duidelijk dat een stuk land voorheen een hofstad was: ‘een stuck lants gelegen tot usselingh dar hirtovorens ein hofstath gewest hefft, mit einen kleinen haefken (hofje) darums gelegen grot umbtrint 2 mergen’. Dit is het leengoed ‘Hoffstat en hoffgen’. Aannemelijk is dat het hier om ‘de Heuf’ gaat, enkele bij elkaar liggende hoven in het midden van het dorp.

Slechts enkele voorbeelden van de vele hofnamen zijn: Palmhof, Zwaanshof, Heinenhof, Steenshof, Bullenhof, Lamoenenhof, Seelenhof. Een aantal hiervan (sommige van jongere datum) is bewaard gebleven in de naam van de boerderij zelf. Ten slotte de naam ‘Verver’ (ouder Vergart en Ververgaard) in de betekenis van ‘omheinde tuin’ in de modernere betekenis van ‘gaarde’.

De Schaafdries (Schaapsdries)
Als betekenis van ‘dries’ vinden we onder meer gemeenschappelijke weide, dorpsplein, gerechtsplaats en braakland. Volgens M. de Vos waren ‘driesen’ in de vroege middeleeuwen uitgestrekte gemeenschapsgronden buiten het vaste bouwlandareaal van de dorpsbewoners. Op de driesen werd ook aan akkerbouw gedaan, zij het niet permanent zoals op de akkers, maar tijdelijk, volgens een specifiek systeem van wisselbouw (wisselbouw is ook bekend als drieslagstelsel). Nadat men er een aantal jaren na elkaar gewassen op had geteeld, was de grond uitgeput en liet men die weer op krachten komen door er gras en onkruid te laten opschieten, zodat de dries een tijd lang als gemeenschappelijke weide dienst kon doen. Op de Huisselingse Schaafdries heeft men mogelijk schapen laten grazen.