Buurten

Buurtschappen en buurtgebruiken

Nabuurschap

Schaatspret

Sporthal Den Hoge Graaf

Volkstuintjes

 

Buurtschappen en buurtgebruikenIn bewerking
Inleiding
Onder ‘buurt’ verstaat men een groep van vijf tot tien boerderijen die door ligging en vaak ook familiebanden sterk met elkaar zijn verbonden. Hoewel er ook nu nog actieve buurten of buurtverenigingen zijn is dit niet te vergelijken met het sociaal functioneren van de buurtschappen tot medio jaren vijftig van de vorige eeuw. Huisseling kende acht buurten: Heuveleind, Hondshoek, Kerkbuurt, Hamstraat, Middenstuk, Daalderstraat, Vooreind en de Grachtenbuurt. De grenzen zijn moeilijk aan te geven omdat er ook overlappingen waren. Er zijn geen ‘feiten’ bewaard gebleven, slechts door de mondelinge overlevering van de oudsten van het dorp zijn de gebruiken nog bekend. In Buurten gaan we hier verder op in.

Beter een goede buur dan een verre vriend
De sociale functie van de buurt was groot. Zo stond men elkaar terzijde bij vreugde en droefheid in een ongeschreven wet met zowel rechten als plichten. Was er sprake van een 25- of 50-jarig huwelijksfeest, dan was het bruidspaar wel verplicht de buren op hun feest uit te nodigen, die dan natuurlijk wel een nuttig cadeau meebrachten. Ook bij geboortes stond de buurt paraat met de zogenaamde kromme arm: een korf met eigen gemaakt proviand voor de kraamvrouw. Ook hield men de zuigeling ten doop, wat toen nog direct na de geboorte plaatsvond. Soms spotte men wel eens: “Hij of zij kijkt nu al onder het doopkleed vandaan waar iets te halen valt.”
Bij bediening of een sterfgeval van een buur werden meer sociale diensten aangeboden. Zo werd er bij toediening van het laatste sacrament der stervende een bidstonde gehouden, die bestond uit drie keer de rozenkrans (153 Weesgegroeten) en zeven Onzevaders. Bij elk tientje Weesgegroeten een aanhef van de punten uit de ‘droevige, blijde en glorievolle geheimen’. Dit werd meestal in de kerk maar soms ook aan huis gedaan.
De buurt zorgde ook voor de aanzeggingen van de familie, voor de dragers en de koffietafel. Het aanzeggen was soms een hele klus. Met de fiets ging men op pad, bij ieder familielid werd een borrel aangeboden en na de vele families was de terugreis niet eenvoudig meer. Ook de dragers van de kist werden voor aanvang met een paar borrels ontvangen (wat soms wel eens verkeerd viel). Het dragen van de kist was een taak die voorheen, vóór de opheffing van het gilde, door de gildebroeders werd gedaan. De dragers werden door de naaste buren aangewezen en mocht men zelf niet kunnen dan moest men tegen betaling voor een vervanger zorgen. Ook de koffietafel werd door de naaste buren verzorgd. Jan Elemans (van Wout) herinnert zich uit zijn jeugd het overlijden van zijn grootmoeder in 1934: ‘Twee buurvrouwen kwamen binnen, pakten een mik uit de kast en begonnen die aan te snijden’.

Een andere vorm van burenhulp was hulp op de boerderij, men stond bij tij en ontij klaar om elkaar te helpen bij het kalven van een koe of het dorsen van het koren. Ook in tijden van gevaar (dijkdoorbraak, brand of zwaar onweer) zocht men elkaar op en steunde men elkaar. Bij brand werd inwoning gegeven aan de mensen en beesten. In de jaren 1930 werd door de buurten een nachtwacht in het leven geroepen ten tijde van de zogenaamde Osse Bende. Nog slechts een heel klein stukje van de buurtzorg is blijven hangen in de vorm van een avondwake bij overlijden en het aanbieden van hoogmissen en bloemen. Maar in goede of slechte tijden is een goede buur nog altijd beter dan een verre vriend.

Het buurtschap Heuveleind
Het buurtschap dat nu Heuveleind heet ligt vrij hoog, wat aan de omliggende akkers en weiden goed te zien is. Waarschijnlijk is hier al in de vroege middeleeuwen een nederzetting (akkerdorp) ontstaan rond een driehoekig plein dat ‘de heuvel’ werd genoemd. Het was het centrale punt van de nederzetting. Eromheen waren de boerderijen gebouwd. Op deze heuvel werd ’s avonds het vee verzameld nadat men het overdag geweid had in de woestenij. Men treft deze ‘heuvels’ in het oude centrum van veel plaatsen aan, zoals ook in Eindhoven, Oss en Tilburg. Werd de heuvel te klein dan zocht men een tweede plek om het vee te stallen, vaak wat lager gelegen en daarom ‘Onderstal’ genoemd. In Huisseling is deze vlakbij de heuvel gelegen en ook hier is de driehoekige vorm bewaard gebleven. De namen Heuvel en Onderstal zijn synoniem met die van ‘herdgang’, een naam die elders in Zuid-Nederland frequenter voorkomt.
De herdgang wordt gezien als een activiteit, in de betekenis van het ‘op gang gaan met de dorpskudde’. Voor de laatste keer werd in 1726 het heerlijk recht om ‘met het herd te gaan’ door de Raad van Staten vastgelegd. In de praktijk werd op de herdgang de dorpskudde verzameld alvorens die onder leiding van een dorpsherder naar de velden ging. Zie hiervoor ook het hoofdstuk Boerenleven. De herdgangen waren driehoekig om het vee in een hoek te kunnen drijven. Als de herdgang werd omsloten door boerderijen kon ook het geheel als een herdgang worden aangeduid.

Oorspronkelijk zal de nederzetting Heuveleind zich los van Huisseling hebben ontwikkeld en is men deze ook pas later het Heuveleind gaan noemen. Deze naam wordt voor het eerst aangetroffen in 1758. Ook de naam Heuvelstraat is van latere datum. Op de kadasterkaart van 1832 (zie volgende pagina) zijn de drie toponiemen aangetekend; aan de noordkant van het Heuveleind ligt de ‘Heuvelstraat’ en aan de oostkant ‘de Heuvel’, waar men een driehoek kan ontwaren. De Ringelenburg werd ook wel tot de Heuvel gerekend, want in het eerder genoemde document van 1550 spreekt men van ‘Suermonts huijs opten Heuvel’. Op de kaart van 1832 ziet men nog een tiental boerderijen rond de heuvel en het mag als zeer bijzonder worden beschouwd dat ook nu nog de bebouwingsstructuur bijna ongewijzigd is gebleven.

 

Nabuurschap
(door Jan Elemans Wzn)
Evenals in menig dorp had ook Huisseling zijn buurtschappen. Ik kan er een 8-tal noemen, namelijk: Heuveleind, Hondshoek, Kerkbuurt, Hamstraat, Middenstuk, Daalderstraat, Vooreind en de Grachtenbuurt. De grenzen zijn moeilijk aan te geven, daar er veel overlappingen waren, zodat sommige inwoners bij twee buurtschappen hoorden. Van de buurtschappen zijn geen schriftelijke bewijzen bekend en zijn dus gebaseerd op mondelinge overlevering en gebruiken. Zo stond men elkaar terzijde bij vreugde en droefheid in een ongeschreven wet met rechten en plichten.
Was er een feest bij één van de buren, bijv. 25-, 40- of 50-jarig huwelijk, dan werd er door de buurt gespeeld en was het bruidspaar wel verplicht de buren op hun feest uit te nodigen die dan een nuttig cadeau meebrachten. Ook bij geboortes stond de buurt paraat, zowel met de zogenaamde kromme arm een korf met zelfgemaakte proviand voor de kraamvrouw. Ook hield men de zuigeling ten doop, wat toen nog direct na de geboorte plaatsvond. Soms spotte men wel eens, ‘Hij of zij kijkt nu al onder het doopkleed vandaan waar iets te halen valt’.

Bij bediening of een sterfgeval van een buur werden meer sociale diensten aangeboden; zo werd er bij toediening van het laatste sacrament der stervende een bidstonde gehouden, die bestond uit 3 keer de rozenkrans rond dat is dus 3×50=150 Weesgegroeten + 3 in de aanhef is 153 Weesgegroeten + 7 onze vaders. Bij elk tientje 10 Weesgegroeten een aanhef van de punten uit de droevige blijde en glorievolle geheimen. Dit werd meestal in de kerk maar soms ook aan huis gedaan en bij overlijden voor de aanzeggingen van de familie, voor de dragers en de koffietafel. Het aanzeggen was soms een hele klus en toen meestal met de fiets maar goed ook want bij iedere familielid werd een borrel aangeboden en bij talrijke families waren de laatste niet zo duidelijk meer. Voor de dragers gelde dat ook maar in mindere mate, want voor de aanvang werden die met een paar borrels ontvangen wat soms wel eens verkeerd viel. De dragers werden door de naaste buren aangewezen, en mocht men zelf niet kunnen dan moest men voor een vervanger zorgen meestal tegen betaling. Voor verzorging van de koffietafel werd door de naaste buren gezorgd. Een herinnering uit mijn jeugd is mij altijd bijgebleven. Toen mijn grootmoeder in 1934 was overleden, ik was toen 10 jaar, kwamen ook twee buurvrouwen bij ons binnen die gewoon brood uit de kast pakten en de mik begonnen aan te snijden! Vreemd toch?

Een andere vorm van burenhulp was gelegen bij het boerenleven en stond men bij tij en ontij klaar om elkaar te helpen bijv. bij het kalven van een koe, dossen van het koren zuiver een mannenwereld. Ook in tijden van gevaar was de Beerse Maas of dijk doorbraak of zwaar onweer zocht men elkaar op en steunde in bange tijden op elkaar. Zo werd er in de jaren ’30 een nachtwacht in het leven geroepen ten tijde van de zogenaamde Osse bende. Nog vermeld kan worden dat het gilde vroeger voor de dragers bij een uitvaart zorgde, maar daarna namen de buurtschappen dit over en ook de bewaking hield daarmee op en kwam in handen van de overheden.

Alles past in die tijd, later zijn de begrafenisondernemingen en verzekeringen gekomen en werden de buurtschappen verdrongen. Nog een heel klein stukje is blijven hangen in de vorm van een avondwake, al is die parochieel. Hoogmissen en bloemen worden nog wel door de buurt aangeboden.
In goede of slechte tijden is een goede buur altijd nog beter dan een verre vriend.

naar boven

 

Schaatspret

Schaatsende kinderen van de familie Elemans op de Meerkes. Bron: Familie Elemans-van Eeden


In februari 1919 wordt er een ijsbaan aangelegd. Er worden de volgende voorwaarden gesteld aan de openingstijden van de baan: “De banen zullen worden gesloten op het moment dat binnenshuis de lichten aangestoken zullen moeten worden, dat er alleen bij uitzondering muziek gemaakt zal worden en dan nog slechts gedurende korte tijd. Behalve de banen zelf zal het overige ijs voor eenieder toegankelijk blijven. De organisatie zal tevens zorgdragen voor een ordelijke gang van zaken, voor zover dat in hun vermogen ligt.” Vermoedelijk lag deze ijsbaan in De Meerkes. Dit gebied liep immers makkelijk onder water en het was ondiep, dus bevroor ook gemakkelijk. Tot aan de jaren 1960 werd hier nog geregeld geschaatst.

naar boven

 

Sporthal Den Hoge Graaf
In 1976 komt het belang van een goede sporthal in de gemeente Ravenstein al naar voren. Tot dan toe kan er alleen gebruik gemaakt worden van de gymzalen in de Jozefschool en ’t Slotje in Herpen. Deze bieden onvoldoende capaciteit en er kunnen geen grote sportevenementen worden gehouden. De gemeente worstelt echter met de vraag waar de sporthal moet komen. Een grote hal past niet bij het middeleeuwse karakter van Ravenstein. Natuurlijk wil ook Herpen een sporthal krijgen. Om de rivaliteit tussen Herpen en Ravenstein niet uit de hand te laten lopen, besluit men om de hal dan maar halverwege, in Huisseling, te bouwen. Ook hier past een grote hal niet in het dorpse karakter. Er wordt gezocht naar een goede locatie en men komt uit op een terrein tussen de Burgemeester van de Wielstraat en het Hongerveld. Ravenstein is van plan om de eerste woningen van de nieuwe woonwijk ‘De Weem’ rondom de sporthal te creëren. De gemeente wil daarmee voorkomen dat de hal enkele jaren in een lege omgeving staat. Het stratenplan in de nabije omgeving wordt drastisch aangepast. Zo worden de Schaafdries en de Gansheuvel aangelegd en ook de Hongerveldstraat wordt doorgetrokken en via de Dorskamp aangesloten op de Schaafdries.

De sporthal vlak na de oplevering. De woonwijk eromheen is nog niet helemaal klaar

naar boven

 

Volkstuintjes
Een voormalig wegtracé evenwijdig aan de wetering tussen de Hongerveldstraat en de Weegkamp (tegenwoordig Baxenbosstraat), wordt door de gemeente beschikbaar gesteld voor volkstuintjes in verenigingsverband. De gemeente verhuurt dus niet rechtstreeks aan particulieren, maar aan de vereniging. Het oprichtingsbestuur bestaat uit R. van de Burgt, H. van der Giessen en G. Harbers. De aanleg start in november 1983 en de percelen zullen 100 of 200 m2 groot worden. Na de aanleg van het Muizenbergpad werden de volkstuintjes verplaatst naar de overzijde van de wetering, maar toen de woningen aan Den Ong en Weegkamp gebouwd werden, was het na zo’n tien jaar met de volkstuintjes gedaan.

naar boven