Boerenleven

Het leven op de boerderij

De oprichting van de Boerenbond

Landhekken

De aardappelen van Von Pasen

Speltveld

Het ontstaan van Landmans Hoop en Stoomzuivelfabriek Sint-Isidorus

De schutskooi

De veefondsen van Huisseling (1894)

 

Het leven op de boerderij(In bewerking)
Inleiding
Huisseling was tot halverwege de 20e eeuw voor zijn economisch bestaan nog grotendeels afhankelijk van de landbouw en de veeteelt. Grote boerenbedrijven, vaak met personeel uit de Heikant en enkele kleine zelfstandige keuterboeren die er naast hun eigen bedrijfje nog ambacht of een handeltje op na hielden. Immers beter een kleine boer dan een grote knecht. Toch was Huisseling net iets meer dan gewoon een boerendorp. Terugkijkend in de geschiedenis is het bijzonder om te zien hoe zich uit deze kleine gemeenschap een groot aantal organisaties en verenigingen wist te ontwikkelen, zowel op sociaal als economisch terrein. In de laatste 150 jaar zijn deze veranderingen het grootst en goed gedocumenteerd. In Boerenleven gaan we hier op in.

Het agrarisch grondgebruik vanaf de middeleeuwen tot omstreeks 1800
Vanaf de middeleeuwen tot omstreeks 1800 bleef het grondgebruik vrij ongewijzigd en was volledig gericht op gemengde boerenbedrijven die volledig zelfvoorzienend waren. In eerste instantie was er grond in overvloed, slechts naar behoefte werd woeste grond omgezet in cultuurgrond. In de omgeving van de boerderij had men ‘de hof’, een kleine hoeveelheid grond (1-1,5 ha) waarvan de moestuin, de boomgaard, een weide en soms wat akkers deel uitmaakten. Daarnaast had men in het dorp het nog niet ontgonnen veld, waarbinnen de akkercomplexen lagen. De akkers lagen in clusters achter een grote afscheiding, meestal bestaand uit een ondiepe greppel met een (hout)wal. Op de akkers werd geteeld volgens het drie- of zesslagstelsel, een methode van vruchtwisseling, waarover later meer.
Tussen de hoven en de akkercomplexen ging het vee vrijuit, vaak in de vorm van een dorpskudde. Buiten het dorp vormde ‘het veld’ een grote natuurweide, die in de loop der eeuwen steeds verder in akkerland en cultuurweide werd omgezet (elders heten deze gronden ook wel gemeyntes of gement).
Dat er zo rond 1800 nog steeds sprake was van een gedeeltelijk onverdeeld veld, blijkt uit het raadsverslag van 1811. Er zijn dan klachten van verscheidene ingezetenen over misbruik bij het hoeden van koeien en paarden in ‘t veld. Het zal hier zeker niet meer gaan om een grote dorpskudde zoals in de Middeleeuwen. Mogelijk is er sprake van de laatste resten ‘veld’ en van de gemeente gepachte straatbermen.

Het hoeden van vee in het open veld
In maart 1811 zijn er klachten bij de gemeente binnengekomen over het hoeden van koebeesten en paarden in het veld. ‘Verschillende lieden emploijeren kienderen als koiherder die niet bekwaam zijn om een paard of koeibeest te bestieren’. Anderen gebruiken personen als herder die het vee niet uit het korengewas of de klaver weten te houden. De gemeente besluit te gelasten dat alleen bekwame hoeders mogen worden gebruikt, die moeten zorgen dat geen schade aan landeigenaren wordt toegebracht. Het vee mag alleen loslopen op de gemene straten, die aan weerskanten voorzien zijn van sloten of heiningen. Dat alles ‘op boeten en penaliteiten die daarvoor gesteld worden. De gaarder champetre (veldwachter) wordt gelast om op de overtreders een wakend oog te houden en te zorgen dat de bepalingen stiptelijk worden geobserveerd’.
Uit verslagen van het kerkbestuur blijkt dat op ’t Hongerveld pas in 1875 scheidspalen werden geplaatst tussen het land van de kerk van Huisseling en dat van de pastorie van Deursen, wat doet vermoeden dat ook hier nog onverdeelde gronden hebben gelegen.

De Braecmaent
In de middeleeuwen was juni de braecmaent, de maand van het braakleggen van de grond ook wel ’zomervoren’ genoemd. Met het braakleggen en herhaaldelijk ploegen van de grond gaf men de kleigrond rust, waardoor deze kon mineraliseren. Soms werd de grond 5-6 keer geploegd waardoor deze werd belucht en onkruidvrij bleef. Na het braak leggen van de grond, begon een zes-jarige cyclus van vruchtwisseling, waarin maar één keer werd gemest. Na het braken werd in het tweede jaar koolzaad gezaaid en gemest met stalmest. In het derde en vierde jaar werd respectievelijk rogge en tarwe gezaaid, in het vijfde jaar klaver en in het laatste jaar haver.
Een akker was destijds relatief lang en smal, meestal niet meer dan 10 meter breed. Akkers werden van elkaar gescheiden door ploegvoren die tevens de functie hadden van afwatering. Langere akkers werden verdeeld in kortere, achter elkaar gelegen akkers met daartussen kleine dwarsakkers, de z.g. ‘gewenten’. Op deze plaatsen werden de paarden gedraaid (gewend). Zoals eerder genoemd waren de akkers onderdeel van grotere complexen met meerdere eigenaren. Als de ‘ploegvrede’ werd geschonden was men het niet eens over het eigendom. De eindvoor van een akker was meestal ook de beginvoor van de ander. De scheiding werd aangegeven door drie ingegraven scheikeien. Boeren die hun buren niet vertrouwden plaatsten onder de originele kei nog een tweede kei om bedrog tegen te gaan. Ook werd, in geval van onenigheid ook wel gekozen voor aanplant van twee hagen naast elkaar, ter afpaling van de grond (mededeling Theo van den Bergh). In vroeger dagen werd het gerecht nog wel eens ontboden voor een ‘oculaire inspectie’ zoals in het geval van Lamert Jan Arts, die in 1707 door zijn buurman in de ‘scheydtswal rakende sijn erve benadeeld is’.

De graanoogst
Oorspronkelijk werd het graan met de hand gemaaid met de zicht. Met een hakbeweging werden de graanhalmen met één hand afgesneden en met een pikhaak in de andere hand bijeengehouden tot een losse garf, die daarna werd opgebonden met enkele losse strohalmen. Bij tarwe en rogge werden acht en bij haver 12 van deze garven tegen elkaar gezet op hokken (schoven), om verder op het veld te kunnen drogen. In de loop van de zomer werd het graan binnengehaald in de schuur of buiten op mijten
gezet.
Tot het begin van de 20e eeuw werd het graan met de dorsvlegel gedorst. De winter duurde lang en iedere dag werd een deel van de oogst met de hand gedorst. De dorsvlegel was een simpel maar uitgekiend stuk gereedschap. De vlegel zelf was gemaakt van veerkrachtig notenhout, de staf (steel) meestal van essenhout, aan elkaar verbonden met een aalsvel. Het dorsen vond plaats midden op de lemen vloer van de deel, in het midden van de boerderij. Ervaren dorsers konden met zijn vieren ‘tien vim’ ofwel 1000 garven per dag dorsen. Daarna werd het graan met de wanmolen gereinigd.
Eind 19e eeuw ontstonden de eerste ‘dorsmolens’, kleine dorsmachines die nog met de hand werden gedraaid. Daarna ontstonden de eerste grote dorsmachines, zoals het ‘hekelmachien’ dat nog met paardenkracht (rosmolen) op het erf werd aangedreven. In Huisseling noemde men deze rosmolens ‘maneges’. Op een lage ronde heuvel werd een zware draaiboom door één of twee paarden in beweging gehouden. Met touwen of drijfstangen werd de dorsmachine, die veelal binnen stond, in werking gebracht. De graanoogst werd in de loop van de 20e eeuw snel verder gemechaniseerd. In eerste instantie met door paarden getrokken maaimachines, die het werk met de zicht vervingen. De opvolger van de maaimachine was de ‘zelfbejnder’ die niet alleen maaide maar die de halmen ook tot garven kon binden.
Vanaf 1930 werden ook de ‘maneges’ vervangen door een met stoom aangedreven machine (de z.g. dampfmachines) die in Huisseling ‘damdorsers’ werden genoemd. Het waren vooral loonwerkers die met deze machines door de streek trokken.
In de moderne tijd zijn alle fases van de graanoogst, het maaien, binden, dorsen en reinigen van het graan, samengebracht in de combine.

Werktuigencoöperatie
Na de tweede wereldoorlog werden door de boeren veel oude werktuigen vervangen door nieuwe. Mede door het Marshallplan, het Amerikaanse economische hulpprogramma, kon weer opnieuw in de landbouw worden geïnvesteerd. De tijd van ‘paard met platte kar’ was voorgoed voorbij. In 1948 werden in Huisseling 5 trekkers en wagens met echte luchtbanden aangeschaft. In 1947 werd ook hier een werktuigencoöperatie opgericht waar NCB-leden zaaimachines, aardappelplanters en sorteermolens konden lenen. Het materiaal stond verdeeld bij verschillende boeren en de Boerenbond. In de jaren ’60 liep de belangstelling terug, omdat boeren zelf gingen investeren of meer gebruik gingen maken van loonwerkers.

De winning van rode maasklaver
De Maaskantse rode klaver was een landras dat van nature voorkwam in deze streek. Het was van hoge kwaliteit en geschikt als handelszaad voor heel Nederland. Huisselingse boeren waren gespecialiseerd in de teelt en de handel erin. De teelt en het schoningsproces waren zeer arbeidsintensief, maar er was ook veel geld mee te verdienen. Het is een tweejarig gewas dat werd gezaaid in het najaar of in de winter, direct op de sneeuw tussen de rogge of wintertarwe. Bij de volgende oogst kwam het klavergewas tussen de stoppels te voorschijn. Het jaar daarop werd de eerste snede geoogst als klaverhooi voor de paarden. Na de tweede bloei werd er nog eens gehooid, echter nu als ‘handelszaad’.
Na het drogen werd het hooi in de schuur bewaard en bij echt winterweer gedorst. Het zaadkaf dat overbleef werd door een zogenaamde wringer gedraaid en met een kafmolen gescheiden van het blote zaad. Zwaar, stoffig en ongezond werk, dat echter werd beloond met 250 kg schoon klaverzaad per ha, dat soms wel tien gulden per kilogram opbracht. Hierbij waren een tweetal Huisselingse boeren, Bertus de Bruijn en Marinus van den Heuvel, tussenpersonen bij de verkoop. Ze gingen met de genomen monsters van de boeren naar de beurs in Nijmegen, waar zaken werd gedaan met handelaren uit Groningen die de unieke kwaliteit van onze maasklaver aan hun akkers toevertrouwden.

De teelt van raap- en koolzaadolie
Koolzaad werd tot eind 19e eeuw veel geteeld. Men liet van het zaad zelf olie slaan bij de olieslager. Oorspronkelijk werd hiervoor raapzaad gebruikt, een inheemse plant waaruit raapolie werd gewonnen. Het werd gebruikt voor de voedselbereiding en als lampolie. Vanaf halverwege 19e eeuw werd de functie van lampolie langzaam overgenomen door petroleum en later door elektriciteit.

Beschrijving van het grondgebruik in de 19e eeuw
Tussen 1825 en 1831 trok er in opdracht van de gouverneur een flink aantal taxateurs (schatters) door de provincie om alle eigendommen te taxeren voor een nieuwe grondbelasting die de regering wilde gaan instellen. De taxateurs begonnen met het maken van een beschrijving van iedere gemeente. Het verslag is bijzonder omdat het een goed beeld geeft van de inrichting van het dorp en de economische situatie zo’n 200 jaar geleden. Hieronder is een kleine samenvatting opgenomen van wat ze over de gemeente Huisseling en Neerloon te melden hadden in hun verslag.

“De belangrijkste tak van nijverheid is de landbouw. Er wordt alleen handel gedreven in de verkoop van landbouwproducten en vee. Daarnaast worden er boter en andere voorwerpen, voor eigen gebruik van de inwoners, verkocht. De landbouwproducten zijn koolzaad, tarwe, rogge, gerst, spelt, haver, bonen, klaver, hooi, aardappelen, erwten, groenten en boomvruchten. In deze gemeente is erg weinig hakhout of opgaand geboomte. Er worden paarden gefokt voor de landbouw. Het aantal is meer dan genoeg voor eigen gebruik van de landbouwers, zodat er verschillende paarden buiten de gemeente worden verkocht. Het gedeelte van de grasgewassen dat niet door de landbouwers van de aangrenzende gemeenten wordt gekocht, wordt verbruikt door het vee in de eigen gemeente. De duurste gronden zijn de hooilanden langs de Maas, zij werden getaxeerd op ƒ 77,00 per bunder (bedoeld wordt de pachtwaarde per jaar). Het zijn kleigronden gelegen aan de rivier de Maas, die in de winter worden overstroomd en vruchtbaar gemaakt met slib. Deze leveren goed en veel hooi op dat gedeeltelijk in de omliggende gemeenten wordt verkocht. De overige weilanden in het dorp leveren goed en voedzaam gras op voor het vee. De geschatte waarde per bunder is ƒ 32,00. De landbouwgronden worden geschat op een waarde van ƒ 18,00 tot ƒ 44,00. De beste gronden zijn gelegen op een waterdoorlatende ondergrond. Deze grond is erg goed geschikt voor de teelt van winter- en zomervruchten. De tuinen zijn beplant met vruchtbomen. In deze tuinen kunnen door goede verzorging hoofdzakelijk grove, maar ook enkele fijne groenten geteeld worden. Deze groenten worden gedeeltelijk op de markt in Ravenstein verkocht of verbruikt door de huishoudens van de winkeliers, landbouwers en dagloners. De boomgaarden zijn beplant met goed groeiende appel-, peren-, kersen- en notenbomen. Geschatte waarde per bunder is ƒ 55,00.”

De grote landbouwcrisis (1875)
In de tweede helft van de 19e eeuw werden in Amerika grote prairiegebieden ontgonnen en ingezaaid met graan. De kwaliteit was zeer goed en via stoomtreinen en stoomschepen kon het graan gemakkelijk naar Europa worden vervoerd. Na de gouden jaren van de landbouw (1800-1870) halveerde de prijs van granen. Boeren en overheid werden gedwongen hun zaken beter te gaan regelen zoals dat bijvoorbeeld in Denemarken al 50 jaar eerder had plaatsgevonden.Armoede maakt echter creatief. Het onderwijs werd beter aangepakt en er werden rijksproefstations ingericht met als doel te komen tot verbetering van de landbouw en de veestapel. Tevens was de landbouwcrisis aanleiding voor de oprichting van tal van coöperaties, waaronder locale- en centrale boerenbonden. Ook in Huisseling had dit tot gevolg dat er uit deze kleine boerengemeenschap een golf van vernieuwing en met name organisatietalent voortkwam.

Meiden en knechten
Tot 1940 hadden de meeste boerenfamilies meiden en knechten in dienst. Bij de kleine bedrijven waren het vaak nog jonge kinderen vanaf 12 jaar, die door hun ouders ‘verhuurd’ werden voor minder dan 1 gulden per week. Bij de rijkere boeren waren de oudere meiden en knechten in dienst. Ze werden in het gezin opgenomen en voor hen golden de zelfde rechten en plichten als voor de eigen gezinsleden. Wanneer men het over de ‘huurprijs’ eens was geworden kregen de meid of de knecht de ‘huurpenning’ een (rijks)daalder waarmee het contract werd bevestigd.
De periode ging zoals op veel plaatsen in Brabant in op 24 februari, de naamdag van Sint-Matthijs (op veel andere plaatsen in het land was dat op 1 mei). Tot 1900 was 24 februari ook een algemene feestdag. Al het personeel in het dorp ging dan in de ochtend naar de kerk. Het personeel dat vertrok trakteerde in de voormiddag de blijvers die in de namiddag door de nieuwkomers nog een keer werden onthaald. Wie op die dag met nieuw personeel in zee ging kreeg ‘nieuw haar in huis’. De meid werd bij haar ouders met paard en kar door de boer opgehaald en bleef meestal 3 jaar op hetzelfde adres. Er werd op die manier wat geld verdiend (voor de ouders) maar het belangrijkste was dat ze ‘uit de kost’ waren. De meeste meiden en knechten in Huisseling kwamen uit de dorpen van de Heikant.

Jacht en stroperij
Tot 1923 was er nog sprake van heerlijke jachtrechten. Dat wil zeggen dat het recht om te jagen niet gekoppeld was aan het eigendom van de grond, maar een separaat recht dat meestal nog bij adellijke families in bezit was. Jachtopzieners moesten toezien dat de inwoners van de dorpen al stropend het wild konden bemachtigen. Boeren moesten de wildschade die ontstond gedogen. Toch stond de stroperij niet in hoog aanzien, bij nacht en ontij hoorde men immers op bed te liggen. Het waren dan ook meestal de knechten en de arbeiders die zich op het stropen toelegden. Men kende niet voor niets het spreekwoord ‘ga je zomers vissen en ’s winters vinken dan ligt het spek niet makkelijk in de kuip te stinken’.

Na 1923 werd het jachtrecht wel gekoppeld aan het eigendom van de grond. De boeren moesten echter nog 30 jaar lang een afkoopsom betalen. In de praktijk veranderde er echter niet zo veel. Zoals blijkt uit het raadsverslag van 1911 werd de jacht al ver voor 1923 verpacht aan de familie Jurgens uit Oss, een situatie die na de nieuwe jachtwet niet veranderde. De raad vergaderde over een bezwaar van raadslid A. Kocken. Het bezwaar was dat jachtpachter Jurgens met zijn personeel misbruik maakte, door midden over het te veld staand koren te lopen, iets dat hij gemakkelijk kon vermijden door langs die percelen te lopen. Nadat de leden zich de vraag gesteld hebben of het niet wenselijk zou zijn Jurgens daarover opmerkzaam te maken, wordt uit overweging dat Jurgens bekend staat als een oprecht jager die ‘zooveel mogelijk vermijdt schade te doen aan de veldgewassen’ besloten daar niet toe over te gaan. Het aanzien van de welgestelde familie Jurgens was blijkbaar belangrijker.

Wolven in Huisseling
In strenge winters kwamen wolven vanuit het Reichswald ook in het Land van Ravenstein terecht. Op de landsrekening van 1710 is vermeld dat de burgemeesters van Huisseling, Deursen en Dennenburg drie jonge wolven hadden opgebracht, waarvoor een premie van negen gulden werd betaald.

Visserij
Er hebben in het verleden wel enkele schippers in het dorp gewoond, maar voor zover bekend geen beroepsvissers op de Maas. Er was wel sprake van lokale visserij op de vele polderwateren. Met de geert (hengel) zoals wij die nu kennen werd weinig gevist. In de heldere poldersloten kwam veel snoek voor die werd gevangen met een geert met een koperen strik. Makkelijker was het de snoek te schieten met een visgeweer. Het was een soort houten kruisboog (ook wel visboog genoemd) met een twee of drietandige harpoen. De pijl (in het Huisselings dialect ‘straal’ geheten) was speciaal voor de visvangst ingericht en was ongeveer 60 cm lang en had een doorsnee van 1,5 cm. De punt bestond uit een stalen ‘harpoentje’ met vijf tanden, aan de uiteinden van weerhaken voorzien. Aan het voorstuk was de pijl met lood verzwaard en er was een koord aan bevestigd om de pijl en de prooi na het schot binnen te kunnen halen.
Het gebruik van een visboog was tamelijk uniek en leden van het Sint Lambertusgilde zouden geïnspireerd zijn geraakt door hun eigen kruisboog en de walvisvangst. Aal werd op verschillende manieren gevangen. Men kende de aalkorf, een van wilgentenen gevlochten korf waarin men aas plaatste. Verder kende men ook de aalgeer, een soort riek met 2 of 3 tanden die men in de modder stak en waarmee men de aal tussen de tanden kon klemmen. Ook veel toegepast werd het ‘muren’, waarbij een stuk sloot werd afgedamd en met stokken de bodem (het moer) werd opgewoeld. Als de vis dan geen zuurstof meer had, kwam deze bovendrijven en werd met een stolpmand uit het water geschept. Verder kende men voor het grotere water natuurlijk diverse soorten netten.

Honingbijen
Het houden van bijenvolken door imkers was een belangrijke bron van neveninkomsten. Honing was tot 1800 de belangrijkste zoetstof, verder was men afhankelijk van de wisselende import van rietsuiker uit de tropen. In het verslag van de raadsvergadering van de Gemeente Huisseling en Neerloon blijkt dat er in 1823 nog 23 bijenhouders in de gemeente woonden met samen 417 hokken (bijenkorven). Dit leverde de gemeente 31,27 ½ gulden bijenbelasting per jaar op. De belasting op bijen vindt zijn oorsprong in de bijentienden. In 1921 werd vanuit de NCB in Huisseling een afdeling van de Bijenhoudersbond opgericht. Het aantal imkers nam in de loop van de 20e eeuw verder af, in 1961 werd de afdeling ontbonden.

Beetwortels
Toen na de Franse Revolutie als gevolg van de Frans-Engelse oorlog de prijs van rietsuiker extreem hoog werd, zocht men naar goedkopere alternatieven. Hoewel de beetwortel (suikerbiet) al in de 17e was ontdekt ontstond pas in 1802 de eerste Europese suikerfabriek. Napoleon stimuleerde de teelt van beetwortels sterk, zo ook in onze gemeente. In het gemeenteverslag van 1812 staat opgenomen dat 31 Huisselingse boeren samen in totaal vijf hectare beetwortel bezaaiden. Toen de prijs van rietsuiker later weer daalde was het ook weer snel afgelopen met de beetwortel. Pas in de loop van de 20e eeuw werden honing en rietsuiker als zoetstof definitief verdrongen en nam de suikerbiet een prominente plaats in in de landbouw.

De Eiervereniging (Eierbond)
Zoals veel dorpen had ook Huisseling vanaf 1918 zijn eigen Eierbond. Het werkgebied strekte zich ook uit over Deursen, Dennenburg en Overlangel. In eerste instantie werden de eieren verzameld door Fons de Vocht senior in de aanbouw aan het huis van Bertus van Gaal; het oude mosterdfabriekje aan de Woordstraat 2. Later verhuisde het verzamelpunt naar de oude lagere school. Na de oorlog brachten boeren iedere week de eieren zelf naar het inpakstation bij Jantje Koolen (nu garage Van Leur) en nog later naar het Pakhuis. De verzamelde eieren werden per trein en later per vrachtauto naar de Eiermijn in Roermond vervoerd om daar te worden geveild. Met uitzondering van de crisistijd werd er veel geld verdiend met kippen. Een ei koste in die tijd ongeveer evenveel als nu (in eurocent) en in de eerste jaren van de Eierbond werden vanuit Huisseling ca 200.000 eieren per jaar naar Roermond vervoerd. Met de opheffing van de actieve tak van de Eierbond in 1965 hield ook het zelf inzamelen van eieren op. In het ledenverslag van de ‘Eiervereniging’ blijkt dat met name de verdiensten van familie De Vocht worden genoemd: ‘ik zou echt tekortschieten wanneer ik vanaf deze plaats Fons de Vocht niet zou bedanken voor het vele werk voor de Eierbond gedaan, waarbij ik dan ook Fons senior niet mag vergeten. In die vele jaren hebben zij een hele berg eieren verzet en duizenden guldens aan onze leden aan eiergelden uitbetaald’. Was Nederland tot begin 20e eeuw een eieren-importerend land, binnen enkele jaren was de Eiermijn van Roermond de grootste van Europa. In de boomgaard of de wei werden kippenhokken gebouwd van 4×6 meter waar ongeveer 100 kippen konden worden gehuisvest. Vanaf 1930 werden de kippenhokken verlicht waardoor kippen ook in de winter eieren bleven leggen. Later werden de hokken nog groter, maar tot omstreeks 1960 konden de kippen wel buiten blijven rondscharrelen. Daarna nam de intensivering in de vorm van legbatterijen enorm toe. Pas de laatste tien jaar is weer een ommekeer te zien in de vorm van scharrelkippen.

De kuikenbroederij van Vos
In de jaren ’30 werden er in de tijd van de ‘Bende van Oss’ in het Maasland veel kippen gestolen. Bas Vos besloot om een broedmachientje te kopen om zo zelf eieren uit te broeden voor zijn nieuwe kippen. Dit beviel zo goed dat er meerdere mensen uit de buurt interesse kregen in de kuikens van Vos. Hij ging kuikens verkopen en was genoodzaakt er een tweede broedmachine bij te kopen. Ze stonden in de opkamer van zijn huis en de 130 eieren werden met petroleum verwarmd. De verkoop van eieren en kuikens nam zo’n vlucht, dat er besloten werd om een grote broedmachine te kopen in Barneveld. Deze kostte in die tijd al 900 gulden, een hele investering, maar de broederij van Vos werd steeds groter en professioneler. De familie Vos breidde de broedmachine steeds eigenhandig uit. Ze lieten kachels en kachelpijpen gieten in Limburg en verkochten die ook aan particulieren (verwarming was nodig voor het broedproces).
In de oorlog kreeg de familie speciaal kolen toegewezen voor de broederij. De watervoorziening werd zelf gemaakt van weckflessen op houten latjes met gleufjes erin, die op een aardewerk schotel waren gelijmd. Om de juiste luchtvochtigheid te meten werd een hygrometer gemaakt met een echte vrouwenhaar (het ding werkt nu nog steeds perfect). En de kuikens kregen als voer Engelse biscuit door het kippenvoer gemengd. Na de oorlog werden ook consumptie-eieren verkocht. Verspreid over het hele dorp stonden de hokken van Vos. Op de Dorskamp en het Baxenbos stonden grote kippenhokken in het veld. De schuren zijn naar Italië gegaan en de grond is verkocht aan de gemeente voor woningbouw.

naar boven

 

De oprichting van de Boerenbond(In bewerking)
In 1896 werd in Boxtel de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) opgericht. Zoals in veel Brabantse dorpen kwam ook in Huisseling pater Gerlacus van den Elsen uit Gemert pleiten voor de oprichting van een plaatselijke boerenbond. We hadden hier goede burgemeesters en pastoors, die wisten dat de boerenstand dringend behoefte had aan een boerenbond, coöperaties en leenbanken. Het resultaat was de oprichting van de afdeling Huisseling op 8 maart 1897. De eerste voorzitter was A. van de Wiel, die dat ook 27 jaar bleef. Een van de eerste activiteiten was het organiseren van landbouwcursussen. Het was niet eenvoudig om de boeren van die tijd weer in de schoolbanken te laten plaatsnemen. Pater Van den Elsen schreef een leerboekje tot nut en gebruik van het bovengenoemde onderwijs en de sociale aspecten hierover. In Neerloon werd de eerste cursus in deze omgeving gegeven door onderwijzer Piet Jansen. Zijn eerste leerlingen waren onder andere Gerrit Nass, Drikus Elemans en een van de gebroeders Kerkhoff uit Neerloon. De cursus had een vereniging van oud-leerlingen tot gevolg, die gezamenlijk zaken gingen doen.

In de eerste 25 jaar van het bestaan zorgde de NCB afdeling voor de totstandkoming van vele coöperaties en verenigingen waaronder de Boerenleenbank, melkfabrieken, het Bakhuis, de Handelsraad, de Tuinbouwvereniging, de Eierbond, een bijenhoudersbond, fokverenigingen voor stieren, paarden en geiten, veefondsen, de Jonge Boerenstand, enz. Door de Roomskatholieke Jonge Boerenstand werden in samenwerking met de Rijkslandbouwvoorlichting en de kunstmestfabrieken proefvelden opgezet. Hiervoor was veel belangstelling. Dankzij het Legaat Van Cooth was het landbouwonderwijs hier al vóór 1920 sterk tot ontwikkeling gekomen. Mensen uit onze omgeving hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de Centrale Boerenleenbank in Eindhoven en ook die voor de Brandassurantie van de NCB die in Huisseling de eerste 25 jaar haar hoofdkantoor had. In 1966 wordt de afdeling Huisseling samengevoegd met de afdeling Dieden c.a. tot NCB-afdeling Ravenstein. In 1994 volgt weer een samenvoeging met Herpen tot de NCB-afdeling Ravenstein-Herpen. Inmiddels is de NCB opgegaan in de ZLTO.

Het programmaboekje bij het 50-jarig bestaan van de NCB afdeling Huisseling

naar boven

 

Landhekken
De vroegere landhekken waren gemaakt van eikenhout. Bovenaan zat een grote zware balk die over een pin uit een staander viel en in balans werd gehouden en aan de andere zijde in een wig moest vallen. Onder die balk hing dan vlechtwerk van wilgentenen en eiken latten. Dit alles met pen-gat verbindingen aan elkaar gemaakt.
Vroeger waren de ijzeren karwielhoepels smal (ca. 8 cm.), maar vanwege teveel slijtage aan de wegen werden de boeren verplicht deze te verbreden naar ca. 11 cm. Het oude ijzer van de karhoepels werd rechtgemaakt door een smid en gebruikt om er landhekken mee te maken als vervanging van de houten landhekken. Veelal afgesleten ijzer ca. 7-8cm. breed en meestal geklonken, omdat het zulk hard ijzer was.

Huisselingse houten landhek, getekend door Jan van Munster

naar boven

 

De aardappelen van Von Pasen
D’n oude Von Pasen (import uit de buurt van Kleef) was niet zo’n goeie boer. Maar hij deed wel z’n best. Hij had een akker land langs de Grotestraat waarop hij aardappels pootte. Ze groeiden niet erg goed, maar de onkruid des te beter. De buurt had er een bord tussen gezet met de tekst: “Heer redt ons, wij vergoan.”
In de herfst, toen hij aan het rooien was, vroeg iedereen hoe het met de oogst was. Hij was al die vragen zo moe, dat hij zei, ‘Het valt best mee, de oude pieper (pootaardappel) is nog goed gebleven’.

naar boven

 

Speltveld
In 1998 wordt bij de boerderij van Henri Elemans een speltveld gerealiseerd. Molen De Nijverheid is een jaar eerder gerestaureerd en wil weer graan gaan malen. Zij hebben daar spelt voor gekozen, een oergraan. Spelt is één van de meest originele en natuurlijke granen en is heel erg gezond.

De Ravensteinse molen De Nijverheid waar tegenwoordig Spelt wordt gemalen. Bron: Familie Wattenberg-van Dijk

naar boven

 

Het ontstaan van Landmans Hoop en Stoomzuivelfabriek Sint-Isidorus
Tot 1900 was melk en de daaruit te maken producten een zuiver agrarisch gebeuren dat zich ambachtelijk op de boerderij zelf afspeelde. In onze streek was de winning van de melk (het melken) een typisch vrouwelijke aangelegenheid, want het waren de vrouwen die de koeien molken, de boter karnden en bovendien die boter ook ruilden tegen winkelwaar (ter plaatse) of vooral in Den Bosch of Nijmegen aan de boterhandelaren verkochten. In Huisseling was vooral de verkoop in Nijmegen in zwang (aan de Boterwaag), wat door de Spoorwegen, die vanaf 1881 hier een station had, mogelijk werd gemaakt. Vanuit de tijd van zelf karnen op de boerderij, resteert in Demen nog het gerestaureerde karnhuisje, waarin een paard voor een rosmolen de karn aandreef. Ook in Huisseling waren al begin 19e eeuw (paarden)karnmolens te vinden, bijvoorbeeld aan het Daalderstraatje 2, Meerstraat 1 en de Burg. van de Wielstraat 1. Waarschijnlijk was toen al sprake van onderlinge samenwerkingsvormen tussen boeren of werd melk ingekocht bij kleine boeren.

Koeien op het erf van Drikus Wilms met drie generaties: opa Drikus, schoonzoon Thé Schonenberg en kleizoon Cor. Bron: Fam. Elemans

Aan deze oude traditie kwam rond 1900 verandering, zij het onder groot protest van vele boerinnen, die vanwege hun aandeel in het boerenbedrijf grote invloed hadden. Er werd in die tijd veel met de boerenboter geknoeid, veelal met kunstboter (margarine) versneden en toch als echte boter verkocht aan consumenten en groothandel. Het was dan ook terecht dat Nederland haar goede naam als boterland ging verliezen. Hier moest iets aan gedaan worden. Het eerste antwoord hierop waren handkrachtfabriekjes waar op coöperatieve leest de melk in handkracht tot boter werd verwerkt. Deze kon dan als grotere partij worden verkocht op een botermijn (veiling).

Zo werd op 25 februari 1901 te Huisseling het handkrachtfabriekje ‘Landmans Hoop’ in werking gesteld. Op 29-4-1904 werd door het gemeentebestuur vergunning verleend aan de Vereniging tot Verbetering der Zuivelbereiding te Huisseling tot het oprichten van een zuivelfabriek (boterfabriek genaamd) op perceel kadastraal B.978 (de voormalige brouwerij, later hulppostkantoor aan de Grotestraat). Waarschijnlijk gaat het over het eerder genoemde Landmans Hoop maar in de verslagen van de NCB duikt ook nog de naam Welbegrepen Eigenbelang op. De boeren brachten zelf de melk naar hun fabriekje, die werd daar met een handcentrifuge van het vet ontdaan. De afgedraaide melk scheidde zich in room en ondermelk, ook wel ‘fiets’ genoemd. De man die deze centrifuge draaide, kreeg de bijnaam ‘de fietser’. De boer nam de ondermelk weer mee naar huis terug.

In het voorjaar van 1915 werd door onze regering bepaald dat de bijproducten van de zuivelfabrieken uitsluitend gepasteuriseerd naar de boerderijen teruggeleverd moesten worden. Dit ter bestrijding van tuberculose (in die tijd een gevreesde volksziekte) en mond-en-klauwzeer bij het vee. De handkrachtfabriekjes konden aan deze eis niet voldoen. Er waren in de buurt inmiddels al z.g. stoomzuivels in werking gesteld, bijvoorbeeld in Reek vanaf 1908. Ook in Huisseling ging men, gedwongen door de overheidsmaatregel, werken aan de oprichting van een stoomzuivelfabriek, die dan zou moeten gaan werken voor meerdere dorpen.

Stoomzuivelfabriek Sint Isidorus. Bron: H. Elemans

Op 3 maart 1916 kwam men tot de instelling van een commissie van voorbereiding tot de oprichting van een stoomzuivel voor Ravenstein en omgeving. Voor deze commissie werden 25 personen uit de dorpen Dieden, Deursen, Huisseling, Neerloon en Overlangel gekozen.
Voor Dieden F.J. Caners, Marjanus Kuijpers, Ruud van Uden, G.W. Nass en J. Jans; voor Deursen Th. Van de Rijdt, P.A. Willems, Marc Voet, J. van den Berg, Herm. van Boxtel; voor Huisseling Th. Elemans, H.J. Elemans, M.F. de Bruijn, J. van den Bergh en A. Paessens; voor Overlangel Th. Schraven, A.Th. Thoonen, Lam. van Duren, Caspar van Dijk en J. Cuppen; voor Neerloon P.J. van Aar, Herm. Kerkhof, S. Reijs, Willem Geurts en Frans Reijs. De adviseurs waren F. Berkelmans en Frans van Dooren (landbouwonderwijzers).

Deze commissie vergaderde dikwijls en met resultaat. Zo werd op 17 maart 1917 de oprichtingsakte ten overstaan van notaris Van den Boogaard gepasseerd. G. Jansen uit Neerloon is de architect van de te bouwen fabriek. Van Nicolaas de Bruijn uit Deursen wordt het bouwterrein aangekocht voor 1.756 gulden, de heer M.W. Mestrom uit Nijmegen bouwt de fabriek voor 19.980 gulden (zonder schoorsteen). De totale oprichtingskosten bedragen uiteindelijk ± 58.000 gulden.

Stoomzuivelfabriek Sint Isidorus, linkerzijgevel. Bron: BHIC

Op maandag 5 november 1917 werd de fabriek in gebruik genomen, de eerste melk ontvangen en verwerkt. Afgedraaid noemde men dat toen nog vanuit het handkrachtgebeuren. De pastoor van Deursen zegende de nieuwe fabriek waarbij vele genodigden uit het werkgebied aanwezig waren. Na afloop van de inzegening verzamelde het gezelschap zich in de herberg van Alphons de Vocht (Stationskoffiehuis) waar een goed glas wijn, borrel en sigaren werden gepresenteerd. En hiermee was het stoomzuivelgebeuren voor onze omgeving een feit geworden. Als eerste directeur wordt benoemd Frans Reijs uit Neerloon die later wordt opgevolgd door zijn zoon Jan. Er werden ook arbeidskrachten aangetrokken, meestal mensen die reeds bij de handkrachtjes werkzaam waren.

Enkele namen met het te verdienen weekloon in guldens:
Frans Reijs (eerste directeur), jaarloon 1.000,00; H. Geurts uit Langel (melkweger) later M. van Zuijlen, 8,00 per week (1/2 dag); J. Wolters uit Deursen (machinist), 12,00 per week; Piet van der Ven uit Deursen (melkventer); Piet Jordens uit Huisseling (botermaker). De melkaanvoer werd jaarlijks bij inschrijving aanbesteed. De vervoerder droeg het volledige risico tijdens het vervoer. Het was verplicht om het paard met een duidelijke bel te voorzien, zodat de boeren de kar aan hoorden komen. De volle melk werd aan huis opgehaald door de romboer en daarna werd de ondermelk weer op de bedrijven thuisbezorgd. Ook het melkgeld ging elke veertien dagen met de romboer (in het romzakje) naar de leden. De eerste rijders waren voor Deursen M. Schonenberg; voor Dennenburg C. Schonenberg; voor Demen J. van Rijn; voor Dieden J. van Tilburg; voor Neerloon M. Kuijpers; voor Overlangel J. van Munster; voor Huisseling (straat) M. Schonenberg en voor Huisseling, Heuveleind J. Beerens.

Melkdiploma van Harry van Erp. Bron: J. van Erp

Voor het stoken van de ketel die de stoom moest leveren voor het aandrijven van de stoommachine en de verwarming van de te verwerken melk (o.a. pasteurisatie voor de ondermelk), waren brandstoffen als turf en kolen nodig. Vervoer van kolen van het station naar de fabriek per wagon door J. van Tilburg voor ƒ6,50. Turf per wagon door M. Schonenberg voor ƒ7,70. Met turf heeft men nog geen jaar gestookt, het gaf teveel troep. Op zon- en feestdagen werd geen melk aangevoerd. In de zomer was vooral de koeling van de melk een groot probleem. De melkbussen werden bijvoorbeeld in sloten gelegd, zodat het water de melk kon koelen. Dit was niet echt ideaal.

Vele jaren heeft Isidorus een voorname taak op zuivelgebied te vervullen gehad: men verwerkte de melk tot boter en leverde de bijproducten weer aan de melkleveranciers (de veehouders) terug. Slechts een klein deel van de melk werd in Ravenstein uitgevent door Piet van der Ven, die hiervoor een hondenkar ter beschikking had. In 1927 werd de trekhond van Piet van der Ven echter afgekeurd en werd de bakfiets aangeschaft. Zo moest in de loop der jaren nog al eens veranderd worden. Personeel kwam en ging. Machinist Jan Wolters ging, Jan van Thiel werd de nieuwe machinist, die later werd opgevolgd door Albert van den Berg uit Neerloon. Piet Jordens als botermaker werd opgevolgd door Cor Arts uit Huisseling en zo waren er meerdere mutaties. Tussen de bedrijven door vervulde de stoomzuivel haar opdracht bijzonder goed. Om een goed product op de markt te kunnen brengen werd veel aan voorlichting gedaan: melkcursussen worden gegeven, stalwedstrijden gehouden en lezingen voor technisch onderwijs verzorgd. Melkbussen, temsen, wattenschijven, uierzalf, runderhorzelzalf, natriumloog, enz. werden tegen kostprijs aan de leden geleverd.

In de oorlogsjaren 1940-1945 kwam in de wintermaanden de fabriek stil te liggen: het aanvoeren van melk was zeer gering en werd, mede uit brandstofbesparing, in Berghem of Oss verwerkt. De naoorlogse jaren gingen echter weer nieuwe eisen aan de zuivel stellen en de schaalvergroting kwam op gang. De Coöp. Stoomzuivel Sint Isidorus te Ravenstein had ook haar tijd gehad. In 1954 kwam de fabriek stil te liggen. De melk van de leden werd voortaan door Berghem – Oss coöperatief verwerkt, oftewel geleverd aan Melkerij Lent te Nijmegen en Nutricia te Cuijk. De eenheid onder de leden ging jammer genoeg verloren. Op 22 februari 1954 werd de inventaris door makelaarskantoor POT uit Den Haag geveild. Antonie van Hoek startte hier toen vrachtwagenfabriek Hogra. Dit duurde tot 1959, waarna hij Trabantimporteur werd. Het pand is uiteindelijk in 1970 gesloopt.

Stoomzuivelfabriek Sint Isidorus hier in gebruik als Hogra vrachtwagenfabriek. Bron: Heemkunde Ravenstein

De koeien van tante Miet (1838-1934)
Tante Miet (Maria Elemans) was getrouwd met Silles van Aardomme (Marcelis Kocken). Ze hadden op hun boerderij twee melkkoeien. Tante Miet ging zelf melken en droeg de melktuit (bus) op haar rug in een vronk, een soort rugzak van hard leer gevuld met stro. Zij was 18 jaar jonger dan Silles en kon zelf de halfvolle melktuit op haar rug te krijgen en naar huis dragen. Jaren later hadden ze een knechtje dat dagelijks de koeien ging melken. Ze hadden toen drie koeien. De vronk was intussen vervangen door een melkwagen, waarin de koperen tuit beschermd werd door een tenen mand. Zij ging zelf wekelijks met haar zelfgekarnde boter en de eieren van haar eigen kippen met de trein naar Nijmegen. Naast haar eigen boter verkocht ze ook boter van andere Huisselingse boeren. De knecht moest mee om de koopwaar te dragen. Toen men in die tijd een handkracht melkfabriekje in het dorp wilde beginnen, hield zij dat met succes enige jaren tegen omdat ze haar handel in gevaar zag komen. Toen Silles en Miet jaren later van hun knecht hoorden dat hij trouwplannen had, besloten ze om de koeien weg te doen. Hannes mocht als huwelijkscadeau de beste melkkoe uitzoeken en Miet ging voor haar zelf een melkgeit kopen voor de pap en de koffieroom.

Een melkende Hannes van Gaal. Bron: Fam. van Gaal


Ieder jaar als ze twee dagen op bedevaart ging naar Kevelaer moest mijn moeder de geit melken. “Als de geit onwillig is bij het melken, moet je mijn oud mutsje maar opzetten, dan heeft ze er geen erg in dat ik het niet ben”. Tante Miet kwam na het overlijden van Silles bij ons wonen. Wij waren nog maar met z’n negenen, plus inwonende meid en knecht, maar hadden ‘genoeg stro op het dak’. Tante zaliger gedachtenis werd 96 jaar oud, ze brak een heup en overleed aan de gevolgen in het jaar 1934 (uit de herinnering van Sjaak Elemans).

 

naar boven

De schutskooi(In bewerking)
Al in de 14e eeuw werden de naburen van Huisseling verplicht om op hun gemeentegronden een schutter aan te stellen. De schutter was er verantwoordelijk voor dat er geen vee op andermans erf werd geweid. In voorkomend geval moest hij dat vee opsluiten in een schutskooi, totdat de eigenaar een boete had betaald. Ooit heeft er ook een os in gestaan die nooit werd opgehaald.

In 1750 ontstond er een geschil tussen Herpen en Huisseling over het hoeden van schapen op de Huisselingse gemeint (gemeent) door die van Herpen. Volgens de burgemeesters van Huisseling hadden de inwoners van Herpen zich jarenlang aan de verordening gehouden om geen schapen meer op Huisselingse grond te laten grazen, maar op de laatste ossenmarktdag werden er schapen gesignaleerd tussen de Hooge Ossent en Arien Rutten Hoofken. En vrijwel dagelijks werden er Herpense schapen gehoed op de Dortsteeg, ja, ze liepen zelfs in het koren. Borgemeester Peter Kocken had daarom op 8 mei op de Dortsteeg twee schapen van Francis van den Hoogen geschut. Namens de gemeente en de pachters van de gemeent verzochten de Huisselingse burgemeesters, Peter Kocken en Thomas Zeelants, op 5 juni 1750 landdrost De Lauwere gedienstigt om handhaving van de verordening. Maar de burgemeesters van Herpen betwistten de aanspraak van Huisseling op de Dortsteeg en eisten schadevergoeding wegens het onterecht schutten. De drost behandelde de zaak zelf. Hij deed op 25 september 1751 op het kasteel van Ravenstein uitspraak na het advies van twee rechtsgeleerden te hebben ingewonnen. Omdat uit de processtukken was gebleken dat de Dortstraat of Dortsteeg vanaf Jan Bulshof tot aan Herpen gemeenschappelijk bezit was van beide gemeenten, was het schutten onterecht gebeurd en moest de gemeente Huisseling de onkosten (15 gulden 20 stuivers) aan de eigenaar vergoeden.

In 1921 was het bewaargeld voor een heel of gedeeltelijk etmaal vastgesteld op 25 cent voor ieder paard, hit of stuk rundvee en 10 cent voor ieder ander stuk vee. In 1924 besluit het gemeentebestuur de heffing voor het schutten van vee te handhaven om de kosten van instandhouding van de schutstallen daaruit te bestrijden. De schutskooi zelf heeft bestaan tot in 2e helft van de vorige eeuw. De laatste schutter was Cellus Kocken. De schutskooi stond aan de Meerstraat direct voor het huis van Cellus. De kooi was ongeveer 4×4 meter en 1.20 meter hoog. Hij had gemetselde pilasters met bovenop kantstenen en tussen de pilasters ijzeren balken van ongeveer een meter lang. Verder zat er nog een draaihekje in.

 

naar boven

De veefondsen van Huisseling (1894)(In bewerking)
De onderlinge veeverzekeringen (paardenfonds, koeienfonds en varkensfonds) hadden een werkgebied van één of slechts enkele dorpen. De meesten stonden los van de NCB-organisatie en waren ook van oudere datum. De administratie was bescheiden en men kende elkaar door en door. Als premie werd een percentage geheven en als dat niet voldoende was haalde men tussendoor geld op. Veefondsen hadden een grote sociale functie in het dorp. Fondsbazen vervulden bepaalde veeartstaken: bij het kalveren, bij de behandeling van windpens en het oppompen van de koeienuier bij kalfsziekte (roos). Dode dieren werden begraven en besprenkeld met creoline onder toezicht van de politie. Vooral voor kleine boeren, met één of twee koeien waren de fondsen van levensbelang. Veeartsen waren zeldzaam en moesten rond 1900 uit Druten of Oss komen. Toch blijkt uit oudere verslagen van het vredegerecht (1823) dat Huisseling ook een eigen veearts heeft gehad (Jan van Horssen).

Deze Onderlinge Veeverzekering genaamd ‘De fonds’ werd opgericht op 1 januari 1894 en was daarmee één van de oudste verzekeringen van Huisseling. Na de crisisperiode van 1875-1895 was er veel armoede en velen konden het niet behappen als er één van hun melkkoeien dood ging. Men zocht dus naar gezamenlijke kracht. Het was een onderlinge verzekering, wat betekende dat er geen winstdoel was, maar dat men gezamenlijk de schade moest dragen. Bij ‘de fonds’ waren alleen de melkkoeien betrokken en in het werkgebied lagen de parochies Huisseling en Ravenstein.

Het veefonds was onafhankelijk van de standsorganisatie NCB die pas later is ontstaan. Het bestuur bestond uit vijf personen, de fondsbazen genoemd. Voorzitter, secretaris-penningmeester en drie leden. De secretaris-penningmeester kreeg voor zijn administratief werk een kleine vergoeding. Later kregen ook degenen die aan de schatting deelnamen een kleine vergoeding, maar deze was zo laag, dat het weinig invloed had op de premie. In het reglement stond vermeld dat tweemaal per jaar Heilige Missen moesten worden gelezen tot behoud van de veestapel. Daarbij werd de heilige Eligius aangesproken en de Heilige Missen werden over het algemeen ook goed bezocht. Uit Gods vertrouwen en economisch belang waarschijnlijk.

Het doel van het fonds was om de schade, die bij het uitvallen van een dier ontstond, gezamenlijk te dragen en de afzet beter te kunnen regelen. Het stemrecht was niet per lid maar werd gerelateerd aan het aantal koeien, behalve bij de opheffing; toen waren alle leden gelijk. Om de premie en de schade vast te stellen werd tweemaal per jaar een schatting van elk dier gemaakt en naar rato van de schatting werd premie geheven en uitbetaling gedaan bij eventuele uitval. De penningmeester identificeerde het rund door middel van tekens of brandmerken op horens. Later kon dat gebeuren aan de hand van schetsen. Na een tweejaarlijkse schatting door de fondsbazen werd er premie geheven van enkele procenten. Jaarlijks werd op de jaarvergadering het uit te betalen percentage van de geschatte waarde vastgesteld, wat bij grote prijsschommelingen wel door het bestuur kon worden bijgesteld. Een vaste afzet voor het overgenomen dier (dood of ongeneeslijk ziek) was er niet. De fondsbazen moesten het eens zien te worden met de zogenaamde vilders. Dat was een hele touwtrekkerij. Uren werd er gebakkeleid over vijf gulden, maar de koper was in het voordeel, omdat meestal de tijd drong. Later liet men jaarlijks voor een bedrag per gevallen dier inschrijven, levend of dood, met waarborgsom. In de beginjaren had het Veefonds 70 leden met 180 koeien; bij het beëindigen waren er nog maar 15 leden met 270 koeien. In 1975 werd besloten om de Veefonds na ruim 80 jaar op te heffen. Niet duidelijk is of Huisseling een eigen varkensfonds had zoals in Dieden of dat de boeren in Huisseling daar waren aangesloten.
Wel heeft er een eigen Onderlinge Paardenverzekering bestaan waar midden 20e eeuw Wout Kocken voorzitter van was en Bertus van der Horst secretaris- penningmeester. De keuringen (schattingen) waren bij Drikus de Bruijn aan de Hamstraat 6. Ze werden gehouden op de 1e zaterdag van mei en op de 1e maandag van november met de Hedelse paardenmarkt. Alle veeverzekeringen werden direct na de oorlog opgeheven, behalve het Paardenfonds, dat tot begin jaren ’80 nog in de hele gemeente Ravenstein werkzaam was.

Fok- en controleverenigingen in het Land van Ravenstein
Al in 1897 had Huisseling een eigen fokvereniging met 34 leden en 158 ingeschreven koeien. Op 26 november 1919 werd in het kantoor van de stoomzuivelfabriek van Huisseling de fok- en controlevereniging opnieuw opgericht, met als werkterrein de dorpen Huisseling, Deursen en omgeving, Dieden en Overlangel. De vereniging startte met 21 leden en ongeveer 100 koeien. De eerste jaren was de fokvereniging ook stierhouderij. Na moeilijkheden werd in 1946 een aparte stierhouderijvereniging voor Huisseling, Neerloon, Demen en Deursen opgericht. Deze ging in 1950 op in de Kunstmatige Inseminatie (KI) te Beers. De vereniging had natuurlijk verhoging van de melkproductie tot doel, maar dat proces verliep erg langzaam. De verbetering van de veestapel ging voornamelijk via natuurlijke selectie van goede en minder goede koeien, waarbij zowel op melk als vleeskwaliteit werd gelet. Na de tweede wereldoorlog verbeterde de huisvesting en de voeding van het vee, maar pas toen er in de jaren ’70 Holsteinstieren uit de Verenigde Staten en Canada werden gehaald, verdubbelde in korte tijd de melkproductie. Deze van oorsprong Friese en Noord-Hollandse (zwartbonte) runderen waren geheel geselecteerd op melkproductie.

Ook de varkensfokkerij is voor Huisseling altijd heel belangrijk geweest. Vanaf eind 19e eeuw was er in de regio al sprake van grote export van varkens naar Duitsland en later naar Engeland. In de jaren ‘30 ontstond door het wegvallen van export en dalende graanprijzen overproductie en werd de varkensstapel onder invloed van de crisiswet sterk ingekrompen. In die tijd (1938) kwam ook in Huisseling, samen met de andere Maaskantdorpen een Coöperatieve Varkensfokvereniging tot stand door de oprichters Henricus Jacobus Elemans (Huisseling), Joannes Kuijpers (Dennenburg) en Christianus Wilhelmus Hendriks (Deursen). De vereniging stimuleerde deelname aan het varkensstamboek en daarmee de verdere veredeling van de varkensrassen. Hoelang de vereniging heeft bestaan is niet bekend.

Hannes Koster, van beroep beerleider
Jan Elemans beschrijft in zijn boek ‘In het vuur van het gesprek’ het verhaal van Hannes Koster, alias ‘De Krab’. Hannes leefde in het Huisseling van rond 1900, was keuterboer en beerleider. De boeren die lid waren van de fokvereniging hadden samen één stamboekbeer. Ze hadden het meestal te druk om zelf met het varken naar de beer te komen, dus ze benoemde ‘Hannes de Krab’ als beerleider van de vereniging. Als er ergens een varken ‘berig’ stond kwam Hannes met zijn beer naar het varken gewandeld. Iedereen was tevreden. Hannes verdiende een grijpstuiver per zeug, voedergeld en 25 gulden per jaar voor het hok van de beer. Werd de beer te oud of ziek dan kocht de vereniging een nieuwe.
Het verhaal over Hannes is hiermee echter niet ten einde. Toen de dochter van Hannes trouwde in de kerk van Dennenburg, zei de pastoor: Hannes ‘ge bent nie den urste den beste’ en hij trouwde zijn dochter plechtig met drie heren en alle kaarsen aan! Toen Hannes later 25 gulden moest afrekenen (voor één uur mis) schrok hij. Daar kon hij een heel jaar zijn beer van voeren. Nu hield diezelfde pastoor op het kerkhof twee fokvarkens en hij was ook klant van Hannes. Hannes maakte een afspraak met zijn collega beerleiders van Deursen en Demen (voor een borrel en een snee brood voor de beren). Toen Hannes de volgende keer met zijn beer bij de zeugen van meneer pastoor verscheen, had hij niet één maar drie beren bij zich en vroeg de pastoor eveneens 25 gulden voor zijn diensten. Wat de pastoor hierop toen tegen Hannes heeft gezegd? Ze weten het na 100 jaar nog steeds daar in Dennenburg: niets mis met drie beren!

De geitenfokvereniging Sint-Eligius
Dat er te Huisseling ook een geitenfokvereniging heeft bestaan blijkt uit de notulen van de raadsvergaderingen. De vereniging is noodlijdend en de raadsleden bespreken of de jaarlijkse subsidie (60 gulden) uit de dorpskas of uit de winst van de Boerenleenbank moet komen.
De voorzitter merkt op dat de leden meestal tot de meer gegoeden behoren en er niet veel arbeiders lid zijn. Van de eerst genoemden zou hij meer contributie willen heffen.
Het lid H. Kerkhoff zegt vernomen te hebben dat de gegoeden lid blijven tot steun van de vereniging. Men besluit voor 1923 een subsidie van 40 gulden toe te kennen. In 1924 krijgen ze nog 40 gulden, in 1925 25 gulden en in 1926 maar 20 gulden in verband met terugloop van het aantal leden. Van de 30 leden zijn er 10 minder gefortuneerd; de subsidie is bedoeld voor de laatste categorie.

 

Hieronder zal binnenkort nog een samenvatting volgen uit het mooie verhaal ‘De melkwinning in het achter ons liggende tijdperk’ door Jan Elemans Dzn.

naar boven