Lagere school

Inleiding
De kwaliteit van het onderwijs was tot halverwege de 19e eeuw niet al te best. Onderwijzers waren meer bezig met opvoeden dan met lesgeven en de kinderen gingen vaak alleen in de winter naar school, omdat daar de kachel brandde en er niet op het land hoefde te worden gewerkt. De meesten gingen dan ook als ‘analfabeet’ van school. Aanvankelijk kregen de kinderen alleen les in lezen en schrijven. Soms kregen ze er ook rekenen bij, maar dat was meestal pas na het betalen van extra schoolgeld. Na de invoering van de onderwijswet, in 1857, werden scholen verplicht hun leerlingen te onderwijzen in taal, geschiedenis, aardrijkskunde en kennis der natuur. In 1901 werd de leerplicht ingevoerd. Mr. P.F. van Cooth zorgde in die tijd al flink voor het verbeteren van het vervolgonderwijs, door middel van zijn beroemde legaat. Over het algemeen bezochten boerenkinderen vaker de lagere school dan kinderen van arbeiders of dagloners. Ook was het zo dat er meer jongens dan meisjes naar school gingen.

Koster-meester-organist
Sinds eeuwen was het beroep van koster in Huisseling verenigd met dat van schoolmeester en organist. In 1763 was Nicolaus van den Hoven hier koster/ hoofdonderwijzer/organist en vóór 1840 was dat Antoon Smits. Deze ‘drie-een-heid’ wordt afgeschaft bij het bedanken van Wilhelmus (Wim) van de Wiel als koster in 1881. In het archief is te lezen ‘thans is koster, meester en organist Wilhelmus van de Wiel, welke voor al deze betrekkingen om lichamelijke gebreken, vooral omtrent het gezicht, bedankt heeft en die bij dezen onzen hartelijk dank betuigen voor de trouwe diensten gedurende meer dan 40 jaren aan herder en kerk bewezen en tevens toewensen dat hij nog vele jaren, hoewel emeritus, zijne kunstvolle en aangename geluiden en tonen mag doen horen tot stichting van de parochianen’. Van de Wiel ontvangt voor zijn vak jaarlijks 600 gulden van de gemeente. Er wordt gezocht naar een nieuwe hoofdonderwijzer, welke vrije bewoning krijgt. Het schooltje wordt door de ‘Classificatie der Lagere Scholen’ ingedeeld onder de 2e Klasse.

Over meester Smits is nog het volgende bekend uit de raadsnotulen van 1835. De burgemeester brengt tijdens de raadsvergadering een ‘missive’ ter tafel van de schoolopziener van dit district d.d. 21-08-1835. “Den voortduurende ziekelijken staat van den onderwijzer Uwer gemeente en het diep verval waarin het onderwijs tengevolge van dien verkeerd, gebied ons gepaste maatregelen te nemen, die niet anders als voor de belangstellende ouders, zoo wel als voor den onderwijzer welgevallig kunnen zijn. Deze dan wenschte ik zoo spoedig doenlijk met den raad uwer Gemeente te beramen ten einde het onderwijs met 1e october aanstaande op een behoorlijke voet te zien. Dientengevolge stel ik uw achtb. voor op aanstaande dinsdag den 25 dezer des voormiddags ten tien ure, het bestuur te vergaderen om gemeenschappelijk over voormelde schoolbelangen te raadplegen; zullende ik ingeval uw achtb. voornoemde dag of uur niet mogt gelegen komen, nader schrijven van uw tegemoet zien.”

De schoolopziener verschijnt vervolgens op de afgesproken tijd. Tijdens de vergadering wordt Smits erbij geroepen. Hem wordt onder ogen gebracht dat door zijn zwak gestel en ziekelijke staat de schooldienst al jaren niet behoorlijk is waargenomen. Het onderwijs is daardoor tot nadeel van de jeugd geheel verwaarloosd en in verval geraakt, zodat maatregelen nodig zijn. Smits, die het voorgaande erkende, kreeg van de schoolopziener het voorstel om zijn ontslag, met behoud van het landelijk traktement als pensioen, te verzoeken. Hij was ook onlangs door de hoofdinspecteur van de Latijnse Scholen en van het middelbare en lager onderwijs hiertoe ten sterkste gemaand. De onderwijzer was hiertoe niet genegen, omdat hij met dat pensioen zijn talrijk huisgezin niet kon onderhouden.

Geprobeerd hoe hierin verbetering kon worden gebracht, werden na lang over en weer dralen met de onderwijzer de volgende punten voor zijn levenlang vastgesteld:
Er zal een ondermeester, tenminste van de derde rang, met het onderwijs in Huisseling worden belast en Antoon Smits zal zich niet meer met het onderwijs mogen bemoeien. 1. Hij behoudt zijn landelijk traktement. 2. Hij behoudt de vrije bewoning van het huis, dat gemeenschappelijk eigendom is van de Gemeente en de Kerk of kosterij. Hij doet afstand van de volgende baten, die door de ondermeester zullen worden genoten:
A: Van de toelage uit de gemeentekas ad f 75,-
B: Van alle schoolgeld en leveranties van schoolbehoeften enz.
C: De brandstoftoelage ad f 20,-
D: Voor het gedeelte dat de gemeente competerende is in het huis accepteert Smits voor huur aan de ondermeester te betalen f 20, – jaarlijks.
De overeenkomst gaat 1 oktober 1835 in. Aldus overeengekomen door het Gemeentebestuur en A. Smits in bijzijn van de E.W. heer pastoor en de schoolopziener van het District.

Vanwege het pensioen van Antoon Smits per 01-01-1839 is de post van openbaar schoolonderwijzer in de gemeente Huisseling vacant. Er waren 9 sollicitaties binnengekomen, waarvan er 6 personen ook waren verschenen. De selectieprocedure werd gedaan door de burgemeester en de Raad en de districtschoolopziener. Daarvan werd proces-verbaal opgemaakt. Om de keuze te maken worden ook de pastoor en de kerkmeesters uitgenodigd. Dit, omdat na overlijden van onderwijzer-koster Smits de post van koster door de nieuwe schoolonderwijzer zal worden verkregen. In de daarop volgende vergadering van 23-04-1839 wordt uit een selectie van 2 personen een keus gemaakt. Dat waren ten eerste Wilhelmus van de Wiel, waarnemend onderwijzer te Velp, district Grave (leest goed en schrijft een goede hand, is in het rekenen wel ervaren en heeft in eigen opstel voldoende bekwaamheid getoond). Ten tweede Franciscus van Casteren, openbaar onderwijzer te Middelrode gemeente Berlicum (schrijft eene goede hand, is in de rekenkunde wel ervaren en heeft in eigen opstel voldoende bekwaamheid aan het ligt gebragt). De keuze van de Raad valt unaniem op kandidaat Wilhelmus van de Wiel, bezittende de 3e rang, geboren te Escharen op 06-01-1818, met goedkeuring van schoolopziener, de eerwaarde heer pastoor en kerkmeesters.

N.B. Antoon Smits overleed 13-11-1839.
N.B. Wilhelmus van de Wiel is de vader van de latere burgemeester Albert van de Wiel.

Kosterij-school-onderwijzerswoning (vrnl)

Kosterij-school-onderwijzerswoning (vrnl)


Bouw van de nieuwe school
De gemeenteraad schrijft in 1882 aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden; ‘Met diep verschuldigden eerbied geeft te kennen, de gemeenteraad van Huisseling en Neerloon, dat in zijne vergadering van den 5e Januari 1882 in overleg met den Heer Districts Schoolopziener is besloten tot het bouwen van een nieuw schoollocaal met onderwijzerswoning in de afd. Huisseling, aangezien de bestaande gebouwen in een zoodanigen toestand verkeeren, dat zij niet voor restauratie naar de eischen des tijds vatbaar zijn’.
De nieuwe gebouwen zouden moeten komen op het perceel “Bogaard” (nu Burg. Van de Wielstraat 4 en 6) in eigendom bij de kerk. Er moest overeenstemming komen over de scheiding van de kerk met de burgerlijke gemeente, omtrent de kosterij en de ‘Bogaard’. De Bogaard kwam ten goede aan de gemeente om een nieuwe school en een woning voor de meester te bouwen, de rest (de oude school en de kosterij) kwam toe aan de kerk. De grond achter de school bleef in eigendom van de kerk.
Aannemer Johannes Hoes uit Deursen krijgt opdracht voor het bouwen van ‘eene school, speelplaats en onderwijzerswoning, met de levering van alle daarvoor benodigde materialen en arbeidsloonen te Huisseling + de levering van vijf en twintig schoolbanken’.
Dit alles voor de som van 9.789 gulden. Hermanus Kroonen is als meestertimmerman aangewezen als opzichter namens de gemeente. De oude school wordt tot mei 1890 verhuurd aan Henricus van Houterd en later aan Wilhelmus Kocken om er een timmerwerkplaats te vestigen.
In 1910 wordt ook in Neerloon begonnen met de bouw van een nieuwe school met onderwijzerswoning, naar een tekening en bestek van de plaatselijke architect E. Jansen.
De voormalige lagere school van Huisseling

De voormalige lagere school van Huisseling

Verbouwtekening van de lagere school in Huisseling

De twee gebouwen vertonen veel overeenkomsten in ontwerp en afmeting. Tussen de twee gebouwen komt een kleine overdekte speelplaats, maar de kinderen mochten ook aan de overzijde van de straat spelen. Binnen was een vestibule van 5×2 meter en een schoollokaal van 6×11 meter. Aan de achterzijde stond een aanbouw met de sanitaire voorzieningen en de boekenkasten. In 1905 wordt het lokaal in tweeën gedeeld door middel van een houten/glazen tussenwand. In 1917 volgt de aanleg van elektriciteit. In het schooltje zitten alle kinderen gemengd. In Huisseling zijn ook kinderen die in Ravenstein of Herpen naar school gaan. Zo melden de notulen van het kerk- en armbestuur dat de Eerwaardige Zusters te Ravenstein 12 gulden hebben ontvangen als aanvulling op het schoolgeld voor ‘onvermogende kinderen’ en dat er besloten wordt om schoolgeld te betalen voor de kinderen van J. Kuijpers aan de ‘bijzondere’ school te Herpen.

Pisbak
In 1889 stelt het College van B. en W. voor om over te gaan tot het plaatsen van een waterbak of urinoir bij de openbare school te Huisseling. De vergadering is eenstemmig van mening, dat in het belang van de ‘openbare reinheid en zedelijkheid’ een waterbak noodzakelijk is en verleent goedkeuring aan dit voorstel, terwijl door het lid H. van Asten nog enige inlichtingen worden gegeven omtrent de grootte en samenstelling van de waterbak.

Sjaan Kocken met haar zoon Erik. Bron: Familie Elshof-Heijmans


Onderwijzers
Aanvankelijk was er alleen een hoofdonderwijzer en een lerares ‘in de nuttige handwerken’. De familie Van de Wiel levert diverse leerkrachten. In 1882 wordt eervol ontslag verleend aan Wilhelmus van de Wiel, hoofd der openbare school, i.v.m. zwakte van lichaam en geest. Hij was ruim 42 jaar in dienst van de gemeente. Has Claeren wordt per 1 februari 1882 benoemd als opvolger van Van de Wiel. Hij is afkomstig uit Arcen. In 1910 vraagt hij het gemeentebestuur om een lantaarn te plaatsen langs de weg tussen de school en de kerk in de afdeling Huisseling. Claeren heeft op de vraag van het gemeentebestuur medegedeeld niet genegen te zijn voor het aansteken en doven van de lamp te willen zorgdragen.
Vanaf 1920 is de heer Harrie van Wiechen de nieuwe en tevens laatste hoofdonderwijzer. Hij is afkomstig uit Reek en alreeds leraar in Schaijk. Vanaf 1923 kent de school even twee leerkrachten en is Theodora van de Wiel medeonderwijzeres. Zij gaf les aan klas 1,2 en 3, terwijl de hoofdonderwijzer klas 4, 5 en 6 voor zijn rekening neemt. In 1927 was Sjaan Kocken onderwijzeres. Onderstaand spotrijmpje herinnerd aan die periode. Juffrouw Kocken bleek later toch nog ‘gewild’ en trouwde met drs. Johan Leopold Mischgofsky uit Wenen.
Juffrouw Kocken
had de pokken
aan der billen
Wie zou juffrouw Kocken willen
En over de pokken gesproken: In december 1871 worden gevallen van kinderpokken gemeld. Deze beginnen zich te vermenigvuldigen en de volksgezondheid wordt bedreigd. Besluit van de gemeenteraad: “Het geven van onderwijs op de Openbare School tot nader order en wel voor eerst gedurende deze maand december te doen schorsen.”

Onderwijzeres in de nuttige handwerken
In de raadsverslagen zijn over de beginjaren van de nieuwe school diverse bijzondere ‘momenten’ vastgelegd die de tijdgeest weerspiegelen. Zo is in de begroting van de gemeente in 1881 vastgesteld dat de jaarwedde voor de onderwijzeres in de nuttige handwerken 10 gulden bedraagt. Gedeputeerde Staten maakt hierover een opmerking, omdat dit geringe bedrag in geen verhouding staat tot de diensten die dergelijke personen moeten bewijzen. De raad besluit de jaarwedde op 20 gulden te stellen voor zowel in Huisseling als Neerloon. Zij vindt dit voldoende, omdat de meeste meisjes zich naar de bijzondere school van de Eerwaarde Zusters in Ravenstein begeven voor onderwijs in de nuttige handwerken.
In 1894 wordt Clara Maria van den Berg benoemd tot onderwijzeres in de nuttige handwerken met een jaarlijkse toelage van fl 20,-. Zij gaat in 1900 gaat Clara Maria van den Berg ‘op de meest eervolle wijze’ met ontslag als onderwijzeres. Hendrica de Kleijn wordt benoemd als haar opvolger. Wat haar capaciteiten betreft antwoordt het lid H. Elemans dat zij wel niet zo bijzonder bekwaam zal zijn, maar toch wel voldoende kennis zal hebben voor Huisseling.

Vanwege zijnde ‘overcompleet’ wordt eind 1926 Theodora van de Wiel ontslag aangezegd als onderwijzeres aan de openbare school van Huisseling. Het gemiddelde aantal leerlingen was in 1926 nog 31, waardoor de jaarwedde niet meer door het Rijk wordt vergoed. De wedde zou dus voor rekening van de gemeente komen; dus nog 1 leerkracht i.p.v. 2. Theodora krijgt een baan aangeboden als onderwijzeres in de nuttige handwerken aan de O.L. school te Neerloon. Zij houdt dit echter niet lang vol. Met ingang van 01-03-1927 neemt zij ontslag.

Met ingang van 15 augustus 1880 zullen geen kinderen meer op de Openbare Lagere School te Huisseling worden toegelaten,waarvan de ouders of voogd buiten Huisseling woonachtig zijn. Meester Claeren verzoekt in 1898 de ouders hun kinderen niet zonder kousen naar school te sturen. In dat jaar wordt tevens het feest ter gelegenheid van de meerderjarigheid van koningin Wilhelmina gevierd. Er wordt door de gemeenteraad besloten dat de kinderen ‘Feestelijk onthaald zullen worden op chocolaad, melk, krentenbroodjes en kadetjes, alsmede op limonade en dat zij in optocht door de straten zullen trekken, voorzien van vlagjes’. De vlaggetjes zullen door de gemeente verstrekt worden. Alle kinderen krijgen tevens een boekje als aandenken. De regeling wordt aan burgemeester en wethouders overgelaten. De kosten voor de viering waren begroot op fl 40,- voor Huisseling en fl 25,- voor Neerloon.

Het verminderd begripsvermogen van de dorpskinderen
In 1917 vraagt de gemeente voor een periode van vijf jaar vrijstelling voor het geven van gymnastiekonderwijs. Men doet dit op grond van de volgende redenen: (1) De afdeling Huisseling beschikt niet over een lokaal en ook niet over een geschikt terrein en in Neerloon is geen onderwijzer die de akte tot het geven van onderwijs in de vrije- en ordeoefeningen bezit. (2) In de afdeling Huisseling komen slechts 35 kinderen (jongens en meisjes) en in Neerloon slechts 17 kinderen naar school. En de volgende overwegingen mogen bovendien gelden:
(a) De bevolking bestaat nagenoeg geheel uit de boerenstand;
(b) De jeugd geeft aan het lichaam meer dan voldoende beweging om zijne ontwikkeling gelijke tred te doen houden met die van de geest;
(c) Tengevolge van het minder sterke begripsvermogen der dorpskinderen zal het aantal lesuren in de andere vakken van onderwijs niet zonder nadeel voor de leerlingen mogen worden ingekrompen. Gedeputeerde Staten gaat akkoord en verleent de ontheffing.
In 1902 werd ook al een verzoek gedaan bij Gedeputeerde Staten om ‘ontheffing van de verplichting tot het geven van onderwijs in de vrije- en orde oefeningen van de gymnastiek’, voor wederom 5 jaar.

Opheffing van de school
In 1923 wordt de gemeente Huisseling c.a. door Ravenstein geannexeerd. Het ligt voor de hand om het kleine schooltje van Huisseling, net als dat van Neerloon, op te heffen. In de wijken Huisseling, Neerloon en Dennenburg zullen de scholen met ingang van 01-09-1927 worden gesloten. Deze scholen kunnen naar het oordeel van het Rijksschooltoezicht zonder schade voor het onderwijs worden opgeheven. Onder meer uit de motieven van het College van B. en W. (voorzitter): Punt 3 “Voor mij bestaan er voor de ouders en verzorgers geen onoverkomelijke bezwaren als ik denk hoe ze van Dieden en Demen naar Batenburg school gaan en zich offers getroosten om bijzonder onderwijs te ontvangen. Zelf heb ik zo een kind in huis.” Punt 6 “Vast staat bij mij dat de opheffing zeer goed werk zal doen nu op godsdienstig gebied geen onoverkomelijke bezwaren bestaan”. Punt 7 “Blijven de scholen bestaan dan durf ik van weelde-uitgaven te spreken en die mogen wij in deze tijdsomstandigheden niet veroorloven”.
Naar aanleiding van de brief van G.S. om te berichten aangaande de terugzending der stukken i.v.m. de voorgestelde opheffing der scholen, deelt de voorzitter mede dat door verdeeldheid hierover binnen het College, dit zich heeft onthouden tot het doen van een voorstel. Besloten wordt na veel discussie met 6 tegen 1 (W.P.M. Suermondt) stem G.S. mede te delen dat de Raad het in de vorige vergadering ingenomen standpunt handhaaft (geen sluiting).
Het lid Kuipers vraagt inlichting omtrent het onderwijs aan de school te Huisseling. De voorzitter deelt mede dat op advies van de Commissaris van de Koningin in afwachting van het lot der school door B. en W. tijdelijk een waarnemend hoofd der school is benoemd. In juni 1926 verzoekt Hendrikus Josephus van Wiechen om eervol ontslag met ingang van 01-09 a.s. wegens zijn benoeming te Wanroij.

Gedwongen opheffing openbare lagere scholen
Besluit van G.S. van 22-02-1928 waarbij de opheffing wordt bevolen van de Openbare Lagere Scholen te Neerloon en Huisseling met ingang van 1 april 1928, zijnde het tijdstip van aanvang van het nieuwe schooljaar. Wethouder Kerkhoff verklaart zich niet met de opheffing te kunnen verenigen. Hij stelt voor in beroep te gaan en overhandigt daarvoor aan de voorzitter een ontwerpadres waarin zijn motieven tegen opheffing zijn vermeld. Wethouder de Bruijn merkt op, dat hij het niet fair vindt van G.S. om in het besluit het aantal kinderen van de school te Huisseling op te nemen dat aanwezig was nadat het hoofd der school (de heer Van Wiechen) reeds vertrokken was. “Immers, na het bedanken van het hoofd, hebben we steeds gesukkeld met de benoeming van een tijdelijke leerkracht. Vele ouders hebben daarom hun kinderen naar Ravenstein ter school gezonden.” Het voorstel van Kerkhoff wordt met algemene stemmen aangenomen, zodat dit ongewijzigd naar H.M. de Koningin zal worden opgezonden. Het protest van de R.K. Boerenbond afdeling Huisseling c.a. d.d. 07-02-1928 tegen de voorgenomen opheffing der lagere scholen in wijk B.C, D en E wordt tevens voor kennisgeving aangenomen. Aan het hoofd van de school in Neerloon zal per 01-04-1928 eervol ontslag worden verleend.

In 1928 is het zover en moeten de kinderen voortaan in Ravenstein naar school. Achteraf blijkt het onderwijs in Ravenstein toch echt wel beduidend beter te zijn. De laatste Huisselingers die nog echt in Huisseling op school hebben gezeten waren onder andere Jan de Bruijn, Henri Elemans en Anton van Grunsven.
Pastoor Jan Franken koopt in 1928 voor fl. 4000,- het afgekeurde schooltje en de onderwijzerswoning van de gemeente Ravenstein, met als doel een fundatie op dat pand te vestigen (huis en erf kadastraal bekend sectie B. nr. 970 en 971, groot 9 aren 65 centiaren). Het schoolhuis wordt direct bewoond, de school wordt gebruikt als opslag voor spullen van de processie en dergelijke, het tweede lokaal wordt tot aan de oorlog gebruikt als eierpakkerij van de NCB. In 1946 volgt een verbouwing tot noodwoning, waarbij de indeling geheel wordt gewijzigd. Het gezin dat er in trekt, huurt de woning van de kerk. In 1951 wordt een gedeelte van de zoldervloer verlaagd en in 1972 volgt de laatste verbouwing, waarbij ook de rest van de zoldervloer wordt verlaagd. Het pand komt dan in particuliere handen.

Schoolfoto uit 1900-1901. Bron: Dames Coenen

Schoolfoto uit 1900-1901. Bron: Dames Coenen


Schoolfoto uit 1914. Bron: Fam. Van Meeteren-Schoer

Schoolfoto uit 1914. Bron: Fam. Van Meeteren-Schoer


Schoolfoto uit 1915. Bron: Fam. Van Zuijlen-van de Wiel

Schoolfoto uit 1915. Bron: Fam. Van Zuijlen-van de Wiel


Schoolfoto jongensschool Ravenstein rond 1934, met veel Huisselingse jeugd. Bron: Fam. Van Zuijlen-van de Wiel

Schoolfoto jongensschool Ravenstein rond 1934, met veel Huisselingse jeugd. Bron: Fam. Van Zuijlen-van de Wiel

naar boven