Emigratie

De familie Van Rooy in Zuid-Afrika

De familie Van den Oever in Argentinië

Emigratie naar Noord-Amerika in de 19e en begin 20e eeuw

Kettingemigratie naar Canada

 

De familie Van Rooy in Zuid-Afrika
Inleiding
Dit verhaal gaat over de geboren Huisselinger Johannes Cornelis van Rooij (van Rooy), die in 1857 met zijn gezin naar Zuid-Afrika emigreerde. Hij werd de stamvader van een uitgebreid Zuid-Afrikaans geslacht VAN ROOY. De eerste Van Rooij van deze familie kwam in 1772 naar Huisseling en de laatste overleed aldaar in 1885. Een van de nazaten, Jan van Rooy, ontdekte in 2008 op de webpagina van Heemkundekring Land van Ravenstein dat er een boek over Huisseling uit zou komen en nam contact op. Hij wees ons op de ‘van Rooy webwerf’ www.vanrooy.org.za, waaruit, met aanvullend eigen onderzoek, het volgende verhaal is samengesteld.

De Huisselingse periode

Johannes Cornelis van Rooy. Bron: Fam. Van Rooy

Johannes Cornelis van Rooij werd op 2 november 1824 te Huisseling geboren als jongste kind van Hendrik van Rooij en Clara Kuijpers uit Overlangel. Hij had één broer en vijf zussen. Kort na zijn geboorte is het gezin naar Overlangel verhuisd, waar zijn vader in 1827 overleed toen Johannes nog maar drie jaar oud was. Van Huisseling zal hij daarom niet zoveel meegekregen hebben. Zijn broer Machiel verhuisde al vlug weer naar Huisseling, waar hij boerenknecht werd bij Jan Smits. Na zijn huwelijk in 1838 heeft hij ongeveer tien jaar in Herpen gewoond en is daarna in Huisseling gaan boeren aan het Heuveleind. In 1857 is hij met zijn gezin in het ouderlijk huis in Overlangel gaan wonen. Bij dit huis lag een klein lapje grond. Machiel is dan arbeider van beroep. Zijn zusters Maria Elisabeth en Adriana trouwden beide met ene Van Maasacker uit Huisseling. Zij woonden naast elkaar, eerst aan het Heuveleind en later aan de Hamstraat. Deze zusjes Van Rooij overleden in 1885. Johannes’ grootouders waren Michaël van Rooij uit Dennenburg en Adriana Bosch uit Huisseling. Na hun huwelijk in 1772 gingen ze in Huisseling wonen.

Onderwijzersstudie en overgang naar het protestantisme
Johannes Cornelis was vroom aangelegd. Omdat hij goed kon zingen mocht hij koorknaap worden. Overlangel viel tot 1854 nog onder de parochie Herpen, maar beschikte wel over een kapel, toegewijd aan Sint Antonius. De familie Van Rooij-Kuijpers woonde pal tegenover deze kapel. Het dorp lag toen nog aan de Maas, het had een haven en een scheepswerf en was door de handel een welvarend dorp. Toen in de tweede helft van de 19e eeuw de zeilschepen werden vervangen door stoomboten deden niet veel schepen Overlangel nog aan en was het met de handel goeddeels gedaan. Wat Johannes Cornelis vóór zijn studietijd gedaan heeft valt slechts te gissen. Mogelijk heeft hij thuis of bij zijn broer met het boerenwerk geholpen. Maar daar ging zijn interesse niet naar uit. Hij was leergierig en wilde graag onderwijzer worden. De weduwe Van Rooij kon zich geen dure opleiding permitteren. Op 18-jarige leeftijd kon hij toch aan een onderwijzersopleiding beginnen. In het naburige Ravenstein, aan de Wal, woonde een zeer bekwame onderwijzer, Mattheus Quik, die jongens opleidde tot onderwijzer. De uit Hedel afkomstige Quik was bereid om Johannes les te geven. Meester Quik was weliswaar hervormd, maar er werd afgesproken dat Johannes geen Bijbelonderwijs zou krijgen.

Later, in 1870, schrijft Quik over hem: ‘Toen ik nog te R. werkzaam was onder Gereformeerden, Roomschen en Joden, werd mij verzocht een jonge man op te nemen van ruim 18 jaren, een streng, regtvaardig Romanist (rooms- katholiek persoon), om hem te bekwamen voor het onderwijs. Hij was droog en dor naar lichaam en ziel, en ’t ging moeijelik om er wat vlugs van te maken. Hij zat doorgaans achter mij of ter zijde en ik animeerde hem zoveel ik kon, doch ’t scheen vruchteloos’. Johannes moest wel meeluisteren als Quik godsdienstige gesprekken met zijn andere leerlingen voerde en raakte zeer onder de indruk. Tenslotte kon hij de verleiding om zelf de Bijbel te lezen niet langer weerstaan. Hij bleef in het schoolvertrek achter en haalde de bijbel van meneer Quik uit diens lessenaar. Na lang twijfelen bezweek hij, maakte het boek open en begon te lezen. Toen Quik hem daarbij betrapte schrok hij, maar die stelde hem op zijn gemak: ‘Van Rooy wat ben ik blij, dit is het beste wat je kunt doen’.

Johannes was gedurende zes jaar leerling en hulponderwijzer. In die tijd veranderde hij geleidelijk van geloofsovertuiging en begon in gewetensnood te raken. Immers als hij bij zijn familie was probeerde hij zich als katholiek te gedragen, hij ontving de sacramenten en ging naar de mis. Hij wilde ook zijn familie niet teleurstellen, met wie hij, vooral met zijn moeder, een liefdevolle band had. De pastoor was huisvriend en die begon wel te merken dat de jonge man onder protestantse invloed stond. Deze houding heeft Johannes nog zo’n twee jaar volgehouden toen het keerpunt kwam. Het was in die tijd ook niet zo gemakkelijk om van Rome los te komen, ook omdat de kerkelijke ban dreigde. Alles bij elkaar duurde zijn geloofsstrijd wel tien jaar. Op een dag was hij zover dat hij zijn familie na de mis bekende dat hij niet langer geloofde in de leer van Maria Onbevlekte Ontvangenis en dat hij tegen haar verering en tegen andere roomse leerstellingen was.

Hoewel zijn moeder stilletjes sympathie voor hem koesterde kon zij er niet in meegaan. Zijn zusters waren diep bedroefd. Zijn broer Machiel was zo woedend dat hij Johannes de toegang tot hun huis voortaan weigerde: ‘uit de kerk dan ook uit het huis!’. In 1852 is hem zelfs belet zijn stervende moeder te bezoeken. Met jeugdige overmoed ging Johannes her en der tegen de roomse ‘afgoderij en beeldendienst’ getuigen. Dat viel niet goed. Eens moest hij voor zijn leven vluchten en een andere keer moest de politie hem beschermen. Hij kreeg toen de raad om naar elders te vertrekken. Via Den Haag en Rotterdam kwam Johannes, intussen meester Van Rooij, in 1853 in Brussel terecht om les te geven aan de Hollandse school. Daar werd hij lidmaat van de Vlaams Evangelische Kerk. In Brussel leerde hij winkeljuffrouw Anna Françoise Holsters kennen, met wie hij in 1855 trouwde. Kort daarna verhuisde hij met zijn vrouw naar Den Bosch, waar hij onderwijzer werd aan de christelijke school. Persoonlijk contact met zijn familie was er helemaal niet meer. De familie Quik zorgde er wel voor dat Johannes nieuws van thuis doorkreeg, zelfs nog in Zuid-Afrika.

Anna Francoise Holsters. Bron: Fam. Van Rooy

Naar Zuid-Afrika
In Den Bosch besluit hij gehoor te geven aan de oproep uit Zuid-Afrika waar men christelijke onderwijzers nodig had voor de ‘Boeren’ (Zuid-Afrikaners van Nederlandse afkomst). Op 24 oktober 1857 vertrekt hij met Anna en zoontje Henri. Hun tweede zoon werd op zee geboren. In Zuid-Afrika kwamen daar nog acht kinderen bij. Ondanks het feit dat hij een verstoteling was gaf hij zijn oudste zoon (Henri) en zijn oudste dochter (Claartje) respectievelijk de naam van opa en oma Van Rooij. Drie maanden later komen zij aan in de haven van Port Elizabeth. Van daar gaan ze per ‘ossewa’ (ossenwagen) naar Hantam, een reis van drie weken over stoffige wegen. Johannes kreeg een aanstelling als onderwijzer op zogenaamde buurtscholen. Een buurtschool werd, na hoogstens twee jaar, weer gesloten zodra men vond dat de kinderen ‘volleerd’ waren. Aldus werd Johannes 17 jaar lang, steeds voor korte tijd, van de ene school naar de andere gestuurd in verschillende plaatsen in de provincie Oost-Kaap. Een uitspraak van Joannes: ‘een goede onderwijzer moet geen geleerde blaaskaak zijn, maar iemand met voldoende kennis, ijverig, godvruchtig en vriendelijk, iemand die de kinderen niet met de lat bewerkt en hen voldoende speeltijd gunt’. Toen het gezin in Vriesfontein woonde had Johannes, met natte schoenen aan, kou gevat. Sindsdien leed hij aan astma en kreeg later ook nog reumatiek.

Het loon van meester Johannes was bescheiden en de inkomsten uit hun kleine veeboerderij vielen ook tegen. In 1874 wordt hij voor vast aangesteld aan een nieuwe school in Steynsburg, maar die moest een jaar later al weer sluiten door geldgebrek. Op 47-jarige leeftijd begint zijn vrouw daar een winkel, J.C. van Rooy & Kie, om de inkomsten wat aan te vullen. Johannes moet in Zuid-Afrika nog wel eens met weemoed aan zijn geboortestreek en zijn familie teruggedacht hebben. Zijn kinderen verhaalden dat hij voor hen nog wel eens de Latijnse kerkliederen van vroeger had gezongen en dat hij met aandoening verteld had hoe hij in de kerk neerknielde voor de beelden, vooral voor het beeld van de H. Maagd met het Kindje Jezus en tot tranen toe gebeden gepreveld had. Intussen ging de gezondheid van stamvader Johannes Cornelis achteruit. Hij overleed op 24 januari 1889 op 64-jarige leeftijd en zijn weduwe op 28 augustus 1904, beide te Steynsburg.

Nageslacht
Het gezin van Johannes Cornelis van Rooy woonde in de provincie Oost-Kaap, een deel van de Britse Kaapkolonie. De Britten wilden ook de macht in de Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat overnemen. De Boeren begonnen toen de Tweede Vrijheidsoorlog tegen de Britten. Na hun aanvankelijk succes moesten ze in 1900 het onderspit delven. De Boerenrepublieken kwamen onder Brits bestuur. Het bekende liedje ‘Sarie Marais’ is tijdens deze oorlog ontstaan. Vanwege hun rol in de vrijheidsoorlog werden Charles en Jan van Rooy na de oorlog berecht, maar werden door gebrek aan bewijs vrijgesproken. Via de winkel waren Mausergeweren aan de vrijheidsstrijders verkocht. De weduwe Van Rooy was met enkele kinderen naar Nederland uitgeweken en had onderweg alle belastende documenten in zee gegooid. Na de oorlog zijn ze teruggekeerd. De familie Van Rooy is in Zuid-Afrika enorm uitgedijd. Onder Johannes’ zonen waren boeren, politici, zakenlui en een predikant. Veel nakomelingen zijn in het onderwijs gegaan, waaronder zes professoren.

Die vyf Seuns van Johannes Cornelis en Anne van Rooy-Holsters. Bron: Fam. Van Rooy


Die eerste geslag Afrikaanse Van Rooys: die vyf waardige seuns van Johannes van Rooy en Anne Holsters. Links voor sit wyle oom Charl, op die seereis na Suid-Afrika gebore, boer, sakeman en politikus. In die middel sit wyle oom Henri, nog in Holland gebore, maar in sy nuwe vaderland het hy ‘n patriargale Boer geword. Heel regs sit wyle oom Jan, die eerste Van Rooy wat op Afrikaanse bodem gebore is. Hy was boer en politikus en later Senator. Links agter staan wyle oom Izak, versigtige en noukeurige sakeman, wat die «kapitalis» van die familie geword het. Regs agter is ds. Koos van Rooy, die jongste seun en enigste oorlewende kind van die stamouers. Ook hy was kortstondig in die politiek, hoofsaaklik ter bevordering van die onderwys. (Bron: van Rooy webwerf)

naar boven

 

De familie Van den Oever in Argentinië

Huize Blankenburg aan de Graafsestraat. Het werd gebouwd door Jan van den Oever uit Ravenstein. Hij was een telg uit de bierbrouwersfamilie uit Het Hooghuis aan de Wal. Jan was getrouwd met Cor van der Putten uit Dennenburg. Jan In 1949 emigreerden zij met hun gezin naar Argentinië.

De familie Van den Oever-van der Putten woonde vanaf 1927 in Huize Blankenburg aan de Graafsestraat in Huisseling (Ravenstein). In 1949 emigreerde het gezin met 8 kinderen naar Argentinië en werd het huis verkocht aan Frans Rijken en Annie van de Rijdt, tegenwoordig is het huis van de familie Van Herwaarden.

Huize Blankenburg aan de Graafsestraat. Het werd gebouwd door Jan van den Oever uit Ravenstein. Hij was een telg uit de bierbrouwersfamilie uit Het Hooghuis aan de Wal. Jan was getrouwd met Cor van der Putten uit Dennenburg. Jan In 1949 emigreerden zij met hun gezin naar Argentinië.


Jan was een zoon van een bierbrouwer in Ravenstein en Cor was een dochter van de burgemeester van Deursen-Dennenburg. Jan en Cor emigreerden naar Argentinië om een nieuw leven op te bouwen als boer en boerin. Twee van hun kinderen zijn later weer teruggekomen naar Nederland, maar wonen niet meer in Brabant. Vooral de eerste jaren in Argentinië waren ‘bitterhard’. De taal en het warme klimaat zorgden voor zware problemen. In de eerste jaren was Jan als zetboer actief, na zeven jaar waren ze al zo ver dat ze een eigen boerderij ‘La Aurora’ konden kopen. Hun zoon Alard nam later die boerderij over. Op 19 februari 1949 was het afscheidsfeest voor het vertrek naar Argentinië. Op 21 februari 1949 vertrok het gezin Van den Oever naar Argentinië. In Nederland ging Jan graag zingen in het mannenkoor van Huisseling of wat vissen.

'Het clubje op het afscheidsfeest, voormiddag 19 februari 1949.' Klik op de foto voor vergroting.

Op de foto Piet van der Putten en zijn moeder en onder andere Wout Kocken, Cor en Jan van den Oever-van der Putten, Lies van den Oever, Truus van der Putten (dochter van Antoon). Rechtsonder: Marie van den Oever, Antoon van der Putten. Verder nog Piet van den Oever, Truus van den Oever, Toontje van den Oever, Lard van den Oever, Lies van der Putten, Gemma, Sita, ? (dochter) en de kleinste is Jacobien. De familie Van den Oever kwam van Ravenstein. Zij hadden een bierbrouwerij aan de Walstraat. De familie Van der Putten kwam van Dennenburg. Zij bekleedden daar het burgemeestersambt. Dochter Cor van der Putten trouwde met Jan van den Oever; zoon Antoon trouwde met Marie van den Oever (dubbel familie) en dochter Maria trouwde met Wout Kocken. Jan en Cor emigreerden met hun gezin in het jaar 1949 naar Argentinië.

Het gezin Van den Oever-van der Putten in Argentinië. Jan, Cor, Gemma, Truus, Kleinkind, de man van ? , Lies (met bril), Jacobien en nog een kleinkind.


Het gezin Van den Oever-van der Putten in Argentinië. Jan en Cor van den Oever en twee dochters.


Bij het 50-jarig huwelijk van Jan en Cor van den Oever-van der Putten werd een oproep geplaatst in het Brabants Dagblad om het echtpaar brieven te sturen met herinneringen aan hen van vroeger.

naar boven

 

Emigratie naar Noord-Amerika in de 19e en begin 20e eeuw
Inleiding
Speciaal voor het boek ‘Huisseling van verleden tot heden’ heeft Willem Keeris onderzoek gedaan naar de emigratie van Huisselingers naar Noord Amerika, in de periode tussen begin 19e en midden 20e eeuw. In deze periode vertrokken ca 30 mensen vanuit Huisseling (meegeteld zijn mensen die in Huisseling werden geboren en vanuit elders vertrokken). Relatief gezien is dit aantal laag, mogelijk heeft dat te maken met de welgesteldheid van het dorp, waardoor er minder reden tot emigreren was. De economische situatie in Noordoost Brabant in het midden van de 19de eeuw was slecht. De grond werd schaars en daardoor werd het steeds lastiger voor de boerenzoons om een eigen boerderij te beginnen. De aardappeloogst was een aantal jaren op rij mislukt en het werd steeds moeilijker om een gezin te onderhouden. De Katholieke Nederlanders hadden vooral economische motieven, het verbeteren van hun bestaan en dat van hun kinderen was dan ook de belangrijkste reden om te emigreren. Dit in tegenstelling tot het Protestante volksdeel, dat ook belangrijke godsdienstige motieven had.

De eerste immigranten
De grootschalige emigratie vanuit Nederland naar Noord Amerika komt op gang vanaf het midden van de 19e eeuw. In 1847 vertrek een eerste groep van 125 landverhuizers onder leiding van de Nijmeegse advocaat Christiaan Verwayen, die al jaren de politieke situatie in Nederland onder Koning Willem I en II bekritiseerde, omdat hij vond dat het Katholieke volksdeel achtergesteld werd. Op 20 februari 1847 vertrok men vanuit Nijmegen, via Rotterdam naar Antwerpen.
Op 26 april 1847 kwam de ‘John Parker’ aan in New Orleans, Louisiana. Onder de opvarenden waren ruim 80 Nederlanders uit de omgeving van Nijmegen, waarvan 3 uit Huisseling. De bedoeling was om een kolonie te stichten in Iowa, maar dat mislukte en de groep viel grotendeels uiteen. De eerste emigranten die vanuit Huisseling vertrokken waren de broers Johannis Marianus van Huisseling en Hubertus van Huisseling. Op de passagierslijst van de ‘John Parker’ worden beide broers vermeld als smid en timmerman. Met hetzelfde schip emigreerde ook Antonius van Aar. Hij werd geboren op 20 april 1820 te Huisseling, als zoon van Peter van Aar. Ook Antonius was timmerman.

Emigratiegolf
De echte emigratiegolf komt pas vanaf 1848 op gang. In maart 1848, vertrokken vanuit Rotterdam drie houten zeilschepen, de ‘America’, de ‘Libra’ en de ‘Maria Magdalena’, onder leiding van de Dominicaan Theodorus Joannes Baptista van den Broek, naar de staat Wisconsin in Noord Amerika. Aan boord bevonden zich in totaal 320 passagiers.

Theodorus van den Broek vertrok in 1832 met enkele anderen naar Amerika, om de bisschop van Cincinnati te helpen. Hij werd naar Green Bay, Wisconsin gestuurd, maar vertrok na twee jaar naar Little Chute om te missioneren onder de Menominee Indianen. Hij bouwde een kerkje en leerde hen lezen en schrijven en het land te bewerken. De federale overheid in Washington kocht steeds meer land van de indianen, om ruimte te creëren voor blanke immigranten. Van den Broek zag op die manier zijn parochianen verdwijnen, waardoor hij in financiële problemen kwam. In 1847 ging hij terug naar Amsterdam om de erfenis van zijn moeder op te halen. Daar bleek dat het geld verdwenen was en hij besloot met advertenties in het dagblad ‘de Tijd’ emigranten te werven voor zijn parochie. In maart 1848 vertrok hij met 320 emigranten opnieuw naar Little Chute. Van die groep kwam ongeveer 2/3 uit Noordoost Brabant. Een aantal emigranten was teleurgesteld met de situatie ter plaatse en trok 15 kilometer oostwaarts en stichtte in de bossen het dorp ‘Hollandtown’. Later bleek dat hij de situatie in Wisconsin veel rooskleuriger geschetst had dan die in feite was; het land was niet zo goedkoop als hij verteld had en bestond voor een groot gedeelte nog uit dichte bossen. In het begin bebouwde men de akkers zelfs tussen de boom- stronken, omdat die het moeilijkst gerooid konden worden. In juni 1850 arriveerde een volgende groep in Little Chute, bestaande uit weer 200 emigranten, onder leiding van de Boekelse kapelaan Gerardus van den Heuvel.

Hoewel er in de groep van Van den Broek geen personen uit Huisseling aanwezig waren, is zijn verhaal toch opgenomen omdat het een belangrijk beeld geeft van de stichting van de eerste ‘Hollandse’ dorpen in Noord Amerika. Vele emigranten volgden, vaak uitgenodigd en aangespoord door familie en bekenden die eerder waren geëmigreerd. De meeste emigranten gingen naar de ‘Fox River Valley’ in Wisconsin, naar plaatsen als Little Chute, Hollandtown, Kimberly, Wrightstown, Freedom, De Pere en Green Bay. Men probeerde daarna hun tradities in ere te houden. In Hollandtown wordt nog steeds jaarlijks op de vogel geschoten door de ‘Schut Society’ en in Little Chute heeft men jaren geleden de kermis opnieuw leven ingeblazen.

De familie Van der A
Een mooi voorbeeld van kettingemigratie is dat van de vijf kinderen van Nicolaas Eligius van der A. Hij werd gedoopt op 11 september 1796 te Huisseling als zoon van Peter van der A en de in Huisseling geboren Maria van Eck. Op 1 mei 1867 emigreerden zijn eerste 2 kinderen vanuit Ravenstein: Willem Aloijsius (1837) klompenmaker van beroep en Maria Catharina Aloijsia (1841). Zij was kort daarvoor getrouwd met de 21 jaar oudere Arnoldus Verstegen uit Zeeland.
Arnoldus was al in 1850 vanuit Zeeland geëmigreerd met zijn eerste vrouw, Anna Maria Biemans en hun vier kinderen. In Wisconsin exploiteerde Arnoldus ondertussen een watermolen. Na het overlijden van zijn vrouw in 1863, keerde hij terug naar Nederland om daar opnieuw te trouwen. Arnoldus Verstegen is vooral bekend vanwege zijn brieven die hij naar Nederland stuurde en die voor een gedeelte bewaard zijn gebleven. In februari 1868 volgde de rest van het gezin; naast vader Nicolaas; winkelier en klompenmaker van beroep ook zijn vrouw en de overgebleven twee kinderen: Petrus Aloijsius (1836) timmerman van beroep en Maria Aloijsia (1848). Ook zij gingen allen naar Little Chute Wisconsin.

De families Donkers en Dijkhoff In maart 1889 emigreerde Johannes Petrus Donkers (1842) en zijn vrouw Theodora van den Boogaard met zes kinderen vanuit Huisseling naar Faribault in Minnesota. Ze verkochten hun huis aan de Woordstraat in Huisseling aan Martinus Coenen uit Zeeland en zijn vrouw Theodora Elemans uit Huisseling. Elisabeth (Eligia) Elemans en de nicht van Theodora trouwde in 1894 met de uit Teeffelen afkomstige bakker-slager Martinus Dijkof. Ook zij emigreerden in 1911 vanuit Huisseling met vier kinderen naar Amerika. Waarschijnlijk zijn ze in Butler, Minnesota terecht gekomen, waar in 1910 een groep Nederlanders al een kolonie had gesticht. Twee zwagers van Elisabeth, de gebroeders Martinus en Joseph Coenen, hadden een oom Jacobus Coenen die al in 1848 met vrouw en kinderen vanuit Zeeland naar Wisconsin emigreerde, met de groep onder leiding van Theodorus van den Broek. De families Van den Boogaard, Elemans en Coenen waren door huwelijk sterk verwant geraakt, waardoor emigratie een bekend verschijnsel was geworden.

In 1906 emigreerde de landbouwer Ludovicus Aloijsius (Louis) van Zuilen (1881). Zijn moeder is een zus van Wilhelmus van de Maasdijk die al in 1889 vanuit Huisseling emigreerde. In maart 1905 verhuisde Louis van Huisseling naar Lith en op 13 maart 1906 emigreerde hij van daar uit naar De Pere, Wisconsin. Nadat zijn oom was terugge- keerd naar Nederland, reisde hij door naar Faribault, Minnesota.

Bovenstaande opsomming is verre van compleet. Van diverse als emigrant geregistreerde personen is verder geen informatie voorhanden. Daarnaast zullen er mogelijk mensen geheel niet als zodanig zijn geregistreerd. Van de volgende personen is nog bekend dat ze vanuit Huisseling zijn vertrokken; de kleermaker Hendricus Spierings in 1886, Hermanus Heimericus Aloijsius van Kessel in 1894 en de timmermansknecht Cornelis van der Burgt in 1907. Leonardus van Wijchen die in 1896 vanuit Deursen was vertrokken kwam in 1902 met zijn vrouw terug naar Huisseling om in 1904 opnieuw te emigreren. De meeste emigranten kwamen echter nooit meer naar hun geboorteland terug.

naar boven

 

Kettingemigratie naar Canada
Een ander voorbeeld van ‘kettingemigratie’, in dit geval naar Canada en ruim een eeuw later, is dat van verschillende leden uit de familie Arts. Als eerste van de familie Arts vertrok Hennie in 1957 voor twee maal negen maanden voor uitzending naar Canada, kwam daarna weer terug naar Nederland en leerde Gerry Derks uit Oss kennen. Zij trouwden in 1964. Daarna vertrokken zij definitief en kregen drie kinderen. Hij overleed in 1985 (slechts 49 jaar oud) aan de ziekte van Hodgkin.

Hennie Arts klaar voor vertrek bij de taxi van De Vocht uit Demen, die hem naar Schiphol zal brengen.


In navolging van zijn broer Hennie vertrok Adriaan in 1959, 18 jaar oud, om zodoende de dienstplicht te ontlopen. Hij werd boer en trouwde met de Canadese Giselle Brisson, bij wie hij vijf kinderen kreeg en later bij zijn 2e vrouw Shirly Hensin nog twee kinderen. Zij woonden bij Victoria vlakbij Vancouver. Hij had daar later een schildersbedrijf. Adriaan en Shirly zijn inmiddels beiden overleden.

Adriaan Arts op de tractor in Canada


Gonny Arts en Rien Wintjes woonden aan de Grotestraat 48 (tegenwoordig woont hier de familie De Vries-Schonenberg). Rien was bedrijfsleider bij sigarenfabriek Velasquez in Schaijk, maar vanwege recessie (opkomst van de sigaret) kwam hij in 1966 zonder werk te zitten. Na een jaar besloot hij om zijn oudere broer Sjef, die al in Canada woonde, achterna te gaan en zich met zijn gezin in Canada te vestigen. Daar kreeg hij een baan bij de overheid, als ontwerper bij kerncentrales. Zij wonen nu in Georgetown vlakbij Toronto. Ook Joop heeft serieuze plannen gehad om te emigreren, maar vanwege dienstplicht is hij hier gebleven.

Op de oprit van Grotestraat 48 staan Rien en Gonny Wintjes-Arts en hun kinderen Albert, Jeantille en Jasper. Klaar voor vertrek naar Canada

naar boven