Huisselingers

Allemaal Huisselingers

Het ontstaan van de familienaam Van Huisseling

De kroniek van Marcelles van Aar

Anekdotes uit processen verbaal

De veldwachters van de gemeente Huisseling en Neerloon

Maria Egberta de Cock

Huisselingers in de slag bij Waterloo

De zieke Nelleke en haar bezorgde moeder

Scheepspraat

Amsterdam-Dakar

Anton van Grunsven

Piet Elemans

Janus Arts

 

Het ontstaan van de familienaam Van Huisseling
Lamert Wilberts was afkomstig van Schaijk en woonde al lang in Huisseling. Zijn verblijf aldaar was geen probleem; hij kon zelf borg staan voor Claas Herberts van Aar uit Neerloon en Jan van Heeswijk uit Uden. Hij was in 1689 getrouwd met Heijtien van Lingen, weduwe van Gerrit Derricks Kocken. Zij zijn de stamouders van de familie Van Huisseling, waarvan nu nog vele nazaten te vinden zijn. Uit genoemd huwelijk werden te Huisseling twee zonen geboren: Theodorus en Jacobus. Zij worden in 1727 vermeld met de familienaam ‘Van Huisseling’, met welke naam zij verder blijven aangeduid. De zoons waren namelijk naar Demen verhuisd, waar zij Van Huisseling werden genoemd, omdat zij daar vandaan kwamen. Kort voor 1784 verhuisde een kleinzoon van Jacobus, eveneens Jacobus geheten, met zijn gezin weer naar Huisseling, waar zij in het huis met de brouwerij in de Kerkhoek gingen wonen, voorheen eigendom van de familie Kocken. In 1789 kocht Jacobus dit huis. Zijn dochter Sophia van Huisseling was de vrouw van de bekende burgemeester van Huisseling en Neerloon (1828-1862), Jan Wouter Kocken.
Ook in de 14e/15e eeuw bestond al een (Bossche) familie van Hueselinghen, die echter niets van doen heeft met bovenstaande familie. Zij moeten wel hun wortels in Huisseling gehad hebben. Een van hen: Jan van Huesselingen zoon van wijlen Aelbert des Clerx van Huesselingen.* Begin 18e eeuw is nog sprake van een Clerxcamp (Kleriscamp) in Huisseling.

(*Bosch’protocol inv.nr.1194 f 185 d.d. 08-04-1424.)

naar boven

 

De kroniek van Marcelles van Aar
De Franse tijd bracht grote veranderingen teweeg. De gebeurtenissen moeten grote indruk hebben gemaakt. Er is een kroniek bewaard gebleven van Marcelles van Aar (Celles), hij was in 1810 burgemeester van Huisseling. In 1811 was hij raadslid van de nieuwe gemeente Huisseling en Neerloon.

Gedeelte uit de kroniek van Marcelles van Aar.


Hier volgt zijn ingekorte relaas:

Korte en merkwaardige beschrijving wegens den inval der Franschen, in onze stad en land van Ravenstein.
Vlak na Sint Lambertusdag (17 september) 1794 zijn de coalitietroepen door de Fransen nabij Huisseling over de Maas gedreven. Dat kostte Huisseling heel wat aan hooi, stro en haver. In 1794-1795 is door de gemeente 7689 gulden uitbetaald. De onkosten van het plunderen en arbeidsloon waren 4689 gulden, die niet uitbetaald zijn.

In 1794 heeft in Huisseling een ‘plasmajoor’ (plaatsmajoor, adjudant de place, plaatselijke commandant) en zijn ordonnans gelegen, die de gemeente ook al 150 gulden kostte. In 1798 hebben de Fransen hun regering aangesteld, maar in 1800 kwam de keurvorstelijke regeringswijze weer terug, totdat in 1806 de broer van Napoleon koning van Holland werd. Op 28 april 1809 ‘s avonds kwam de koning onder het luiden van alle klokken Ravenstein binnen voor een bezoek. Hij heeft nadien in Herpen pardon verleend aan degenen, die de Huisselingse dam hadden afgegraven. De pastoor van Huisseling kreeg 600 gulden voor het orgel.

Naar aanleiding van de overdracht van het departement Brabant en Zeeland aan de keizer van Frankrijk werden op 21 februari 1810 twee compagnieën infanterie in de gemeente Huisseling gelegerd, die tarwe, roggemeel, beesten, erwten, haver, hooi en stro nodig hadden en bovendien moest Huisseling parkdiensten leveren in Den Bosch, wat de gemeente 1572 gulden kostte. In de zomer van 1810 landden de Engelsen in Vlissingen. De gemeente Huisseling moest toen op order van de landdrost vier karren en vijf paarden leveren aan het park (militair depot) te Breda. Dat kostte de gemeente 300 gulden. Tot januari 1811 waren Marcelles van Aar en Antoon W. Kocken burgemeester en Aard Elemans en Marcelles Kocken schepen (zij waren de laatsten van het gemeentebestuur oude stijl). De keizer heeft toen de rekwisitie (opvordering voor militaire dienst) voor jongens ook hier ingevoerd. Iedereen die in het jaar 1788 geboren was moest opdraven om te ‘spelen’ (oefenen). Huisseling werd verenigd met Neerloon. Jaq. Bruijsten werd ‘maire’ (burgemeester) en Jan Wouter Kocken ‘adjoint maire’ (plaatsvervangend burgemeester).

Dan volgt een relaas over de oorlog van Napoleon tegen Rusland en de daarop volgende terugtocht van de Fransen. Op de zondag na Sint Lucia (13 december) 1813 kwamen de eerste Pruisische huzaren Ravenstein binnen. De Fransen waren al vertrokken. Op 16 maart 1814 zijn uit onze gemeente 40 man van de Landstorm naar Grave getrokken. Zij werden op 28 maart door Uden afgelost. Op 14 mei vertrokken de Fransen uit Grave. De Landstorm kreeg wel dank maar geen drank. In 1817 heeft iedereen toch nog 1 gulden en 1 stuiver beloning gekregen. Op 20 mei 1814 is in Huisseling een solemnele mis gezongen wegens het herstel van de pauselijke residentie te Rome. Op Sacramentsdag 1814 is de Huisselingse processie weer naar Ravenstein getrokken, voor de eerste keer sinds het verbod van de Fransen in 1798. Het jaar 1816 bracht weinig goeds. Door de zware regenval was de Maas tussen Sint Jan en 8 september al drie keer overstroomd. De polders zijn ondergelopen. De Meerkens en de Ramen hebben tot begin oktober onder water gestaan. Door de nattigheid en gebrek aan zonneschijn kon er te weinig hooi worden gemaaid. In het Land van Maas en Waal was het nog erger, zodat veel vee naar deze kant van de Maas werd gebracht. Dit rampzalige jaar was erger dan de oorlog van 1794, erger dan de zware belasting in 1806 en ook erger dan de regering van keizer Napoleon. De gewone man leed grote armoede, omdat door de schaarste de voedselprijzen nog tot in het jaar 1818 abnormaal hoog bleven.

Tenslotte volgt hier de vermeende oorzaak van alle ellende van de laatste tijd volgens Celles’ eigen woorden:
‘Het schijnt wel dat God die straf heeft aangekondigd door eene staardster, die zich in ’t jaar 1812 in de maand september ’s zavonds ten noordwesten, en ’s morgens geheel ten noorden vertoonden, in de volgende winter ten zuidwesten geheel is verdweenen. Misschien om de zonden van onkuisheid, die thans zo gemeen is, en daar de Herders en zielzorgers zoo zeer tegen gepredikt hebben, dat God altijd eenen onverzoenlijke haat tegen dezelve getoond heeft, is op verscheide plaatzen in de H: Schriften genoegzaam te vinden. Schoon de geleerden het voor eene vaste planeet gehouden hebben laat ik het aan het onzeidig oordeel van andere over. Andere zeggen dat ’t den ondergang van ’t Fransche Rijk heeft betekend; maar hoe zulks ook zij, dat laat ik aan Gods regtvaardig oordeel over’.
In werkelijkheid was de oorzaak van deze slechte zomer de uitbarsting van de Tambora in Indonesië in 1815, wat tot gevolg had dat er zeer veel stof en gas in de atmosfeer kwam. Het jaar 1816 staat bekend als het jaar zonder zomer. Zelfs in de zomermaanden sneeuwde het in Europa en in de Verenigde Staten.*

(*Volkskrant 14-04-2007 Anne Wiersma)

naar boven

 

Anekdotes uit processen verbaal
Inleiding
De burgemeester, als verantwoordelijke voor de openbare orde, maakte in de gemeente Huisseling en Neerloon naar aanleiding van aangifte van misdrijven de processen-verbaal op. Normaal werden deze naar de Officier bij de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch gezonden met kopie aan de Gouverneur van de Provincie. Hier volgen een aantal uittreksels van processenverbaal, die door burgemeester Jan Wouter Kocken tijdens zijn lange bestuur tussen 1828 en 1862 zijn opgemaakt.

Een vechtpartij in de tapperij
Molenaarsknecht Jacobus van Loosbroek uit Ravenstein doet aangifte van een vechtpartij op zondag 31 mei 1829 in de tapperij van Peter van den Bogaard te Huisseling. Hij zat daar met diverse personen bier te drinken toen de boerenknecht Johannes Jansen alias Driessen uit Huisseling de kamer binnenkwam en zei: ‘ik heb er ene gesneden dat het bloed nog aan mijn handen hangt, komt gijlie maar alle vier’. Vervolgens gooide hij aangever een glas bier in zijn gezicht. Aangever heeft de dader bij de kraag gepakt en mee naar achteren genomen. Daar trok dader zijn mes, maar dat kon aangever afpakken. Toen hij de dader los liet pakte die een schop en zei dat hij hem de ‘horsens’ zou inslaan. De dader achtervolgde aangever met de schop naar de tapperij en wilde zijn mes terug, waarop aangever zei: ‘dat ligt op de deel’. De dader haalde het en kwam met het mes blank in de hand terug, zeggende: ‘gij zult tegen mij snijden’. Aangever zei: ‘gij zijt nog geen klap waard, doe Uw mes maar weg’. Toen kwam zijn baas, molenaar Roelof Heijnen, tussenbeide en zei tegen de dader: ‘zo gij niet tevreden zijt dan zal ik U dadelijk de deur uitsmijten’. De dader is toen weggegaan. Hierna is Jacobus buiten naar de beugelbaan gegaan en speelde af en toe mee. Enkele uren later om 7 uur ’s avonds kwam Johannes er weer aan en begon hem te beledigen: ‘gij zijt een hoerigen mulder en gij loopt bij het hoerig Mieke en gij hebt het hart niet alleen met mij mee te gaan’. Na lang talmen smeet Jacobus zijn slaghout op de baan en liep het land in, waarop Johannes hem volgde en hem met zijn mes in zijn bil stak. Bij het afweren werd hij ook nog in zijn vinger gestoken. Toen hij in de voor struikelde kreeg hij ook nog een steek in zijn rechteroor. Aangever ging zich toen ook met zijn mes verweren. Intussen kwamen zijn baas en andere personen aangelopen en die hebben hem naar de tapperij gebracht om een borrel te drinken. De dader Johannes Jansen kwam ook binnen en Jacobus had hem toen een glas jenever gebracht om de kwestie af te drinken. Tenslotte is Jacobus ziek naar huis gegaan (deze tapperij stond op de hoek van de huidige Hamstraat en het voormalige Streepenstraatje, nu Hamstraat nr. 6).

Jan Elemans bedreigd
Op 16 augustus 1829 kwam Jan Cornelis Elemans aangifte doen. Een kwartier daarvoor was een man komen vragen of hij die nacht op het stro mocht slapen. Jan zei dat hij al drie kennissen te slapen had, waarop de vreemdeling zei: ‘het zal jelui van de nagt een dure nagt zijn’. Hij is toen knorrende vertrokken. Jan is hem gevolgd tot bij de weduwe Marcellus Kocken (Betje Elemans). De burgemeester is toen direct naar de man toegegaan en heeft hem om zijn papieren en om het doel van zijn reis gevraagd. Hij heette Jan Peter Dijks en kwam uit de gemeente Maashees- Overloon. Hij zei dat hij klitwortels en bloedzuigers zocht voor de apothekers. Hij ontkende de bedreiging, maar een jongen getuigde dat hij het had gehoord, waarop de man tegen de burgemeester en de jongen zei: ‘ik zal jullie weten te vinden’. Hierop besloot de burgemeester hem voor de rechter te brengen (Jan Cornelis Elemans Willemszoon woonde achter de Ringelenburg, aan de huidige straat Ringelenburg).

Een vreemde beestenkoopman
Thomas van den Hoogen, die als boerenknecht bij Willem van den Bogaard woonde, kwam op 14 augustus 1830 aangifte doen van diefstal. Die dag was uit zijn kist op de zolder een zilveren schoengesp, een zilveren zakhorloge met dito ketting en 27 gulden gestolen. Rondom die tijd is door Henrica Elemans, dochter van Geurd (Elemans-Reijs) een man gezien, die zich voor beestenkoopman uitgaf. Hij was gekleed in een gele bombazijnen broek en een blauwe kiel en had een hoge hoed op. Overal waar hij kwam ging hij de boerenwoningen van achter binnen en zei beesten te willen kopen. Toen hij ergens beesten kon kopen die 1½ mijl verder stonden hoefde hij die niet te zien. Thomas had bij de kist een stokje gevonden zoals de ‘koopman’ er ook een in zijn hand had, dat door de burgemeester in bewaring is genomen (Willem van den Bogaard woonde aan het Hongerveldsch straatje ter hoogte van het huidige nr. 5).

De veldwachter laat drie bedelaars ontsnappen
Antoon Schutzelaars, de veldwachter van Huisseling en Neerloon, komt op 18 december 1833 aangifte doen. Geassisteerd door Johannes van de Burgt had hij bij het huis van arrest in Den Bosch drie vrouwelijke bedelaars opgehaald om hen naar de Ommerschans (bedelaarskolonie bij Ommen) over te brengen. Toen ze op de grote weg tot voorbij de Schaijkschenhoek waren, verstuikte Van de Burgt zodanig zijn been dat hij nauwelijks nog een stap kon zetten en aan de veldwachter vroeg hoe hij in Schaijk moest komen, waar zij zouden overnachten. Op dat moment gingen de vrouwen aan de kant zitten om, zoals het leek, hun behoefte te doen. Maar plotseling sprongen ze het bos in en vluchtten. De veldwachter heeft hen achtervolgd, maar hij
kwam een man tegen, die hem scheen tegen te houden. Toen Schutzelaars vroeg wie hij was zei hij: ‘gene Schaijksen boer’. Intussen was hij de bedelaars uit het oog verloren en had ze niet meer teruggevonden.

De veldwachter
Om de orde te handhaven had de gemeente Huisseling de beschikking over een veldwachter. De functie dateert uit de Franse tijd (1795) en werd toen garde champêtre genoemd. De dorpsveldwachter was indertijd nauwelijks een professionele politieman. De gemeente vond de functie ook niet zo belangrijk. De veldwachter werd slecht betaald en boezemde vaak weinig ontzag in door zijn doorgaans versleten uniform. In de gemeente Huisseling en Neerloon rapporteerde de veldwachter aan de burgemeester. In 1943 werd de functie bij een politiehervorming door de Duitse bezetter afgeschaft.

Moeije Agnes verdronken
De burgemeester gaat met dokter Van Cooth naar het huis van Johannes de Prée in Huisseling.
Johannes had gemeld dat gisteren 22 april 1835 zijn moeije (tante) Agnes de Kleijn ’s nachts kennelijk haar kamer door het raam had verlaten. Omdat zij soms krankzinnig was zocht hij haar rondom het huis. Hij vond haar in haar nachtgewaad verdronken in de sloot liggen. Hij heeft toen zijn buren Antoon Wouter Kocken en Marcellus van den Heuvel geroepen en samen hebben ze haar naar binnen gedragen. Daar hebben ze geprobeerd haar levensgeesten op te wekken, maar dat bleek vruchteloos. De brigadier uit Megen is er nog bijgehaald en na vaststelling van de doodsoorzaak (verdrinking) werd het lichaam vrijgegeven voor de begrafenis (het huis van De Prée en Agnes de Kleijn stond aan de huidige Dortestraat).

Magiel van Rooij is zijn kiel kwijt
Op 19 juni 1837 begaf de burgemeester zich op aanschrijven van de Rechter van Instructie te ’s-Hertogenbosch naar het woonhuis van Magiel van Rooij, die als boerenknecht inwoonde bij Jan Smits te Huisseling. Theodora, de vrouw van Smits, verklaarde dat zij ongeveer 11 weken geleden ziek te bed lag. De meid was in de stal de koeien aan het melken. Verder was er niemand thuis. Ineens stond een vreemd vrouwspersoon naast haar bed. Theodora zei: ‘ik kan nu niets geven, maar roep de meid in het achterhuis’. Ze kwam terug met de mededeling dat ze niemand gezien had. Theodora gaf haar toen een cent, waarop ze weg is gegaan. Een uur later kwam Magiel thuis. Hij vroeg of iemand zijn blauwe kiel gezien had die hij in het achterhuis in de trogbak gelegd had. De kiel werd niet teruggevonden, zodat ze de vreemdeling van diefstal verdachten, maar vanwege de geringheid der zaak hebben ze geen aangifte gedaan. Magiel verklaarde dat de brigadier der Marechaussee hem later een kiel heeft getoond, die op die van hem leek al was die enigszins vermaakt (Magiel is de broer van Johannes Cornelis van Rooij, die naar Zuid-Afrika emigreerde).

Een ‘klokkenmaker’ zoekt een slaapplekje
Op 12 januari 1844 verscheen veldwachter Schutzelaars voor de burgemeester vergezeld van Gerard van den Boogaard en Johannes van den Berg, beide uit Huisseling. Ze hadden een vreemdeling bij zich, Johannes Rombach, die zei dat hij klokkenmaker was en uit Zuidwolde kwam. Ze hadden hem een half uur geleden uit het schuurtje van gemelde Van den Boogaard gehaald, waarin hij kennelijk wilde overnachten. De nacht tevoren was hij ook al gesignaleerd in het in aanbouw zijnde achterhuis van Aard Elemans. Toen Aard vroeg wat hij daar deed zei hij dat hij dit nieuwe huis eens kwam bekijken, waarop Aard antwoordde dat hij dat maar overdag moest doen en heeft hem toen weggestuurd. De volgende morgen is hij gevonden in het achterhuis van Marcellus van Dijk, slapende boven de koestal. Ter voorkoming van verdere rustverstoring besloot de burgemeester hem voor de rechter te brengen (het huis van Gerard van den Boogaard is het huidige Grotestraat 57 ‘de Palmhof’).

Ruzie tussen Peerboom en Elemans
Johannes Peerboom, 72 jaar oud, wonende te Huisseling, kwam aangeven dat hij gisteren 7 november 1844 door zijn buurman Willem Elemans werd toegeroepen: ‘haal dat lies nog eens weg als gij het hart hebt’. Peerboom antwoordde: ‘dat zal ik dadelijk doen’ en terwijl Elemans al bezig was het lies op zijn kruiwagen te laden probeerde Peerboom het er weer met zijn riek af te stoten, zeggende dat het lies van hem was. Toen heeft Elemans hem met zijn gaffel gestoken en hem aan zijn linkerarm verwond. Een andere buurman, Jacobus Elemans, had het wel gezien, maar verklaarde dat hij te ver wegstond om het goed te kunnen zien (lies is een in de sloot groeiende grassoort, het werd gebruikt voor strooisel en het afdekken van de aardappelkuil).

De slinkse aardappelkoopman
Verschillende inwoners van Huisseling, onder meer Geurd Elemans, Johannes van den Berg, Marcellis van Huisseling en Nicolaas van den Boogaard, kwamen zich op 24 november 1846 bij de burgemeester beklagen. Koopman Hendricus Hoefnagels Janszoon uit Haren was namelijk aardappelen aan het kopen. Die koopman was nog niet tevreden met een mud overmaats vol te schudden, maar wilde ook nog op de prijs korten. De burgemeester is toen naar de Maas gegaan en heeft tegen de koopman gezegd dat het verboden is anders dan met ‘gelijkmaatse’ rand aardappelen te kopen, waarop Hoefnagels zei dat hij met kopmaat kocht ofwel zo hoog mogelijk opgeschud. De burgemeester zei hem dat hij verplicht was tegen deze slinkse wijze proces-verbaal op te maken. Intussen kwam ook Antoon Wouter Kocken melden dat hij onrechtvaardig behandeld was. De omstanders riepen dat zij konden getuigen dat Kocken een ruime maat had geleverd en Hoefnagels toch nog op de prijs wilde korten.

Een dolle timmerman
Er werd in die tijd nogal eens stevig gevochten, zo ook op 18 februari 1851 in de smidswinkel van deweduwe Jan Heezen aan de Contre Escarp onder Huisseling. Johannes van Horssen uit Ravenstein deed aangifte van mishandeling door de 23-jarige timmerman Jan Geurts, ook uit Ravenstein. Johannes werd in de smederij plotseling door die timmerman tegen zijn hoofd geslagen, achterover gesmeten op de winkelbank en geknepen en geplukt. De smidsmeesterknecht Hendricus Kocken en Francis de Grunt hebben de dader toen van hem afgetrokken. Toen begon dader hem en zijn vader te beledigen totdat Kocken ook hier een eind aan maakte. Toen aangever naar huis wilde gaan werd hij buiten opnieuw aangegrepen door Jan Geurts, die hem tegen de hoefstal smeet. Dader wrong Van Horssen een ijzeren geheng, dat hij bij de smid had laten maken, uit zijn hand en sloeg hem daarmee op zijn hoofd en hand, waarop aangever weer de winkel invluchtte. Daar heeft dader de pet van Van Horssen in stukken gescheurd en hem zodanig met een kam in zijn dij geslagen, dat hij bewusteloos neerviel. Hij is toen door de smidsknechten de binnenwoning van de weduwe Heezen ingedragen (Hendricus Kocken is later via Macharen naar Oss getrokken, waar hij ‘de Macherse smid’ werd genoemd. Hij is de stamvader van de Osse smedenfamilie Kocken).

Een klap in de kerk
Op 23 augustus 1857 deed Johannes Moorman uit Huisseling aangifte. Hij zat die morgen iets na 7 uur in de kerk om de vroegmis bij te wonen, waar een zekere milicien Gerardus van Houtert, ook uit Huisseling, gekleed in uniform naast hem zat. Van Houtert liet zijn zakdoek op de vloer vallen. Toen aangever hem daar attent op wilde maken door even aan zijn jas te trekken om de zakdoek aan te wijzen, gaf de milicien hem direct een slag in zijn gezicht. Aangever heeft toen zachtjes tegen hem gezegd dat hij dit ging rapporteren. Christiaan van Aar en Joannes de Klein zaten vlak bij hem en konden getuigen. De burgemeester had op de verlofpas van de milicien, die gelegerd was in Grave, gezien dat hij 3 dagen verlof had en heeft hem daarom als burger aangeklaagd.

Nachtelijk gejammer
Peter Verbruggen woonde aan de Maasdijk 3 onder Huisseling. Hij geeft te kennen dat hij op 18 maart 1859 om half twaalf ’s nachts in het huis waarin Hendrina de Vlam, weduwe Van de Runstraat, met haar dochter woonde, een schromelijk gejammer hoorde: ‘jongens laat het toch want gij maakt alles kapot’. Daarop zijn Verbruggen en zijn vrouw Clara Schriks buiten gaan kijken. Daar zagen zij Hendricus van de Runstraat, wonende aan boord, zijn broer Francis en een zekere Bartels, alle drie schippers. Toen Clara vroeg of dat geraas en getier kon ophouden, antwoordde Hendricus: ‘het raakt U smeerkat niet, blijf binnen of ik sla U voor de kop’. Toen zij zei ‘gij slaat zo nog niet’ kreeg ze van hem een slag met de vuist tegen haar gezicht. Zij is toen met haar man naar binnen gevlucht en hebben de deur op slot getrokken. Hendricus opende daarop met geweld de ‘vengsters’ en schoof het glasraam op, zodanig dat de ruiten braken. Al vloekende zei hij: ‘alle eruit, wee wee wacht U voor Hendricus van de Runstraat want ik maak U vroeg of laat kapot’. Door het smeken van Hendrina de Vlam, stiefgrootmoeder van de dader, trokken de daders de vensters weer dicht en, na er nog flink op geslagen te hebben, zijn ze vertrokken. Aangever verklaarde dat zijn huisbaas, veerman Theodorus de Bruijn, de dader de volgende dag heeft aangesproken op de aangerichte schade en dat Hendricus toen beloofde alles te zullen betalen.

Marcelis Kocken mishandeld door Hendricus Kocken
Marcelis Kocken was op zondag 27 juli 1902 in zijn ouderlijk huis, de herberg van de Woutjes Kocken te Huisseling, aan het kaarten. Een troepje Herpense jongens waren met ene Van den Heuvel ruzie aan het zoeken. Toen Marcelis hem daar weg wilde halen kreeg hij meteen een hevige slag op zijn voorhoofd door zijn pet heen. Weldra merkte hij dat hij aan zijn hoofd en ook aan zijn linkerpols bloedde. De speelkaarten die hij in zijn linkerhand hield waren geheel bebloed. Zijn linkerduim was daardoor totaal verlamd. Een getuige verklaarde dat de dader hem later buiten de herberg een knipmes liet zien, zeggende: ‘ik heb de punt omgeslagen op zijn kop’. Vervolgens ging hij dat mes op de stenen wetten. De dader bleek de 19-jarige Hendricus Kocken uit Herpen te zijn. Hij werd op 5 februari 1903 door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch in hoger beroep veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf.

Jan Dorus van Aar bedrogen
In 1808 en 1809 vraagt de procureur-generaal des Konings in Gelderland inlichtingen aan de baljuw van Stad en Land van Ravenstein over een oplichtingzaak. In de gevangenis te Arnhem zijn twee Joden, Moses en Isaak Gabriëls, ingesloten. Zij worden ervan beschuldigd verlopen loten van de Koninklijke Loterij te hebben verkocht. Het was de procureur ter ore gekomen dat zij zich ook in het Land van Ravenstein hieraan schuldig hadden gemaakt. Naar aanleiding van dit verzoek werden op 20 september 1808 door de baljuw drie getuigen gehoord, Jan Theodorus van Aar te Huisseling, Willem van Mullekom, veerman te Ravenstein en Jan Francis van Gulik, slijter van loterijbriefjes te Ravenstein.
Uit de stukken blijkt dat Isaak Gabriëls uit Nijkerk door Jan Dorus van Aar werd beschuldigd. Jan Dorus had van Isaak in augustus en september 1807 twee loterijbriefjes gehuurd voor 98 gulden voor de 5e trekking en daarna heeft Isaak ze op 20 september 1807 nog eens voor 150 gulden aan hem verhuurd voor de 6e trekking, bewerende dat zij 300 gulden waard waren en dat Van Aar in de 5e trekkingsweek al 90 gulden had gewonnen.
Omdat Jan Dorus niet voldoende contanten had heeft hij als onderpand sieraden meegegeven: een zilveren horloge, een zilveren beugel en twee gouden ringen. Toen Jan Dorus kort daarna argwaan kreeg, is hij naar Van Mullekom en Van Gulik getogen om van hen uitsluitsel te krijgen over de echtheid. Gebleken zou zijn dat in de 5e trekking een ‘niet’ was getrokken en dat de 6e trekking al op 8 september had plaats gevonden, dus vóór de verkoop daarvan. Daarna is Jan Dorus nog bij de procureur in Nijmegen geweest om aangifte te doen. Isaak werd daarbij ontboden en is met veel moeite overgehaald om de beloofde 90 gulden aan Jan Dorus uit te betalen. Isaak beweerde dat hij op 20 of 21 september daarna op weg was om de sieraden terug te bezorgen, maar toen hij in de Roskam te Ravenstein was zag hij veerman Van Mullekom binnen komen. Uit schrik is hij toen gaan lopen, omdat hij de zondag daarvoor ten huize van de koper van de loten (Van Aar) door die veerman geslagen was. Over de afloop is in de archivalia van het Ravensteinse gerecht verder niets te vinden.

naar boven

 

De veldwachters van de gemeente Huisseling en Neerloon
Frederik Jansen (1811).
Peeter de Bruijn (1811-1814) is ontslagen wegens klachten.
Tomas Peeters (1814-1816) is ontslagen wegens klachten.
Antoon Schutselaars (1817-1849), geboren te Dennenburg, was 32 jaar veldwachter (1817-1849) en daarna gemeentebode.
Johan Peter Wever (1847) tweede veldwachter was alleen bestemd voor de Polder van Deursen-Dennenburg en Huisseling en Neerloon.
– De Zwitser Carel Frederich Muller (1849) was gepensioneerd soldaat van het Indisch Leger en volgens de burgemeester van zijn woonplaats Wijchen van goed gedrag. Echter op 30 december 1849 vertrok hij met de noorderzon met achterlating van een aantal schulden en zonder verder iets van zich te laten horen.
Sebastiaan van der Vorst (1850-1853).
Petrus van de Graaff (1857-1866).
Johannes van der Haar (1866-1873).
Antonius van der Weijde (1873-1887) vraagt in 1885 een gratificatie voor toezicht op de nachtwachters. Huisseling geeft hem vijf gulden, maar van Neerloon krijgt hij niets omdat men ontevreden over hem is.
Antoon Gijsbers (1887-1903).
Hannes van Houtert (1903-1926). Hij was in Duitsland koren aan het maaien toen hij hoorde dat hij veldwachter was geworden in Huisseling. Hij was zo blij dat hij zijn zeis in de sloot gooide en meteen op Huisseling aanging. In 1912 neemt hij het baantje van aflezer (booi) over van Augustinus Hoes.

naar boven

 

Maria Egberta de Cock
Inleiding
Meer dan 300 jaar geleden woonde er in Huisseling een boerendochter met de naam Maria Egberta de Cock. Zij was enig kind van Teunis de Cock en Catharina Rutten (de familienaam werd ook wel als ‘Cocken’ of ‘Kocken’ geschreven). Omdat haar moeder Catharina eerder weduwe was van Egbert de Hoogh kreeg Maria naar oud gebruik de naam Egberta erbij. Maria had twee halfbroers en drie halfzusters uit dat eerste huwelijk. Maria Egberta (Maria) is op haar 15e jaar wees geworden.

Van boerendochter tot stadse dame
Hoe zij in contact is gekomen met de Bosschenaar Theodorus Franciscus van Gent is niet bekend. Of was de oudere broer van Theodorus, pater kapucijn Albertus die in het klooster te Velp verbleef, misschien bekend met de familie De Cock? Theodorus was een geleerd man. Hij had geneeskunde gestudeerd in Leuven en was op 22-jarige leeftijd al doctor en licentiaat in de medicijnen(1). Hij was een zoon van Antonie van Gent en Josina van Gestel, een gegoede familie uit Den Bosch. Op 24 september 1694 trouwden Theodorus en Maria in de kerk van Huisseling. De bruidegom was 22 en de bruid niet ouder dan 18. Het bruidspaar had om een onbekende reden dispensatie van de roepen gekregen. De pastoor noemt hen in de trouwakte ‘dominus’ (heer) en ‘domina’ (vrouwe), titels die normaal gesproken aan adellijke personen en patriciërs werden gegeven.

Opmerkelijk is dat Van Gent met zijn Maria in Huisseling ging wonen. Dat zal in het ouderlijk huis van Maria geweest zijn, omschreven als ‘seker huijs, hoff en ackers daer t eine neffens den Swaens hoff, item een weijcampke agter t huijs neffens de straet, en nog drie ackers bouwlant neffens het campke’ gelegen (nu Meerstraat 1). Tussen 1696 en 1706 werden daar vijf kinderen geboren, waarvan er vier erg jong stierven. Franciscus (François), geboren in 1699, was de enige die overbleef. Het echtpaar bezat aardig wat onroerend goed in Huisseling, afkomstig uit de nalatenschap van Maria’s familie. In de archivalia(2) treffen we – behalve het huis c.a. – nog aan ‘de halve Vosscamp, de Ong, den Reijacker, de halve Grooten Raam, den Biescamp en den Deurscamp’, totaal ongeveer 14 morgen (12 hectare). Wat dat betreft was Maria een goede partij voor Van Gent. In 1699 koopt het echtpaar Van Gent ook ‘de Swaenshoff’, dat naast hun huis gelegen was.

Van Gent boerde zelf niet. In 1704 moest er in Huisseling gemeentewerk worden gedaan. Zoals toen gebruikelijk moesten hiervoor op tourbeurt naburen met paard en kar komen opdraven. Toen doctor Van Gent aan de beurt was weigerde die hieraan mee te doen. De burgemeesters van Huisseling Jan Celen Kocken en zijn halfbroer Herman Geurts Elemans pikten dit niet en deden hun beklag bij drost Van Wachtendonck: ‘… dat de heer doctor gelijck andere nabuijre mit kar ende peert op sijne behoorlijcke tijt ende tour moet compareren door eenen kneght offte ander persoon op de gemeijne dorpswercken …’. Van Gent was het daar niet mee eens: hij heeft een paard ‘voor sijn plaisir ende eijge gerieff’, maar geen boerderij en in Herpen woont een vergelijkbaar persoon en die kan volstaan met het sturen van ‘eenen arbeijdtsman’. De drost vond dat dit laatste ook Van Gent gold zolang als die geen boerderij had(3).

Verhuizing naar ’s-Hertogenbosch
Begin 1711 besloot Van Gent om weer in Den Bosch te gaan wonen. De verhuizing had waarschijnlijk te maken met de studie van hun 12-jarige zoon François. Goed en wel in Den Bosch overleed Theodorus, op 7 juli 1711, pas 39 jaar oud. Hij werd bijgezet in het familiegraf in de Sint Jan. Tijdens haar weduwestaat had Maria geld nodig, ook omdat haar zoon in 1715 ging studeren in Leuven. De Swaenshof werd in 1712 verkocht aan Henrick Joosten van Aar, die er waarschijnlijk al woonde. Geleidelijk verkoopt zij haar overig onroerend goed in Huisseling.

Zoon François had kennelijk ook een zwak gestel want hij overleed in 1725 toen hij pas 25 jaar oud was. Maria erft dan het Bossche familiebezit van Van Gent, te weten ‘de helft van een schoone ende welgeleege woninge met een washuys ende blykerye gestaen ende geleegen binne deese stad op de Oude Diese synde de geheele blyck geringenoot (= belend), de eene syde de rivier de Diese, de andere syde ende de eene eynde de stadtswalle, strekkende met den anderen eynde tot aen de wegh uytlopende op den Papenhulst’. Dit is de huidige Casinotuin.
In 1726 wordt Maria ziek en maakt ze haar testament (inhoud onbekend). Op 2 maart 1728 laat ‘Juffrouw Maria Egberta de Cocq weduwe de Hr. Franciscus van Gent, inwoondersse binne deese stad’ haar deel van de woning, het washuis en de blekerij verkopen door haar gemachtigde Gijsbertus van Geffen(4). Gijsbertus woonde aan de Markt in Den Bosch en was de man van Maria Egberta’s nicht, ook met de naam Maria de Cock, die uit Herpen afkomstig was.

Kort hierna is Maria Egberta overleden. Zij werd ongeveer 52 jaar en is op 15 mei 1728 met een uur ‘groot geluij’ begraven in het familiegraf in de Sint Janskerk van Den Bosch(5). De grafzerk ligt daar nog steeds, maar is bijna geheel afgesleten.

Voetnoten: 1 Bots, Matthey en Meyer: Noordbrabantse studenten 1550-1750 (Stichting Zuidelijk Historisch Contact 1979). 2 Commissie van Breda inventarisnummers 1157 (cijnsboek), 1160 (erfpachtboek) en 1210 (vestboek), Gerechtelijk archief Ravenstein (vrijwillige rechtspraak Maasdorpen) inventarisnummers 97 en 100. 3 Drost Land van Ravenstein inventarisnummer 7. 4 Gerechtelijk archief Den Bosch inventarisnummer 1729 folio 162. Zie ook ‘Voorname huizen … van Den Bosch’ Papenhulst pag. 494. Op de blekerij werd door de linnenblekers het linnengoed te drogen gelegd, mogelijk ook voor wasgoed gebruikt. 5 Sint Jans kerkhof ‘s-Hertogenbosch 1700-1750 microfiche 649/2. De kerk was in protestantse handen, maar katholieken konden er ook worden begraven.

naar boven

 

Huisselingers in de slag bij Waterloo
Vijftig jaar na de slag bij Waterloo, op 25 juni 1865, was er in Leiden een reünie van oorlogsveteranen, die in 1813-1815 tegen Napoleon hadden gevochten. Op de lijst staan ook twee Huisselingers; Hermanus van Rooij en Peter Velt. Ze kregen daar een ereteken uitgereikt, bestaande uit een zilveren kruis met vijf armen, met op een zijde het jaartal 1813 en op de andere zijde 1815, te dragen op de linkerborst aan een oranje lint met twee witte strepen.

(Bron: Brabants Heem 1975: M.A. van der Wijst)

naar boven

 

De zieke Nelleke en haar bezorgde moeder
(Door Joost Kocken)
Na het overlijden van mijn voorvader Leonardus Kocken uit Huisseling (1748-1788) werden zijn minderjarige kinderen onder voogdij geplaatst. De twee jongste dochters, Nelleke en Josina, kregen als voogd hun oom Marcillis Kocken toegewezen, bij wie ze ook in huis gingen wonen. De moeder, Joanna Geertrui Voet, had daarna nog maar weinig zeggenschap over de opvoeding van haar kinderen.

De personen
Het gezin van Leonardus Kocken woonde tegenover de Huisselingse kerk op de plek waar nu het huis van Ad Vos staat (Hamstraat 2). De weduwe van Leonardus, Joanna Geertrui Voet, hertrouwde met Hermanus Elemans Henricuszoon (1759-1848), die nog altijd vrijgezel was. Hermanus was schoolmeester en koster, voorheen in Huisseling en ten tijde van dit verhaal in Megen.
Nelleke’s voogd Marcillis Kocken (1753-1831) was getrouwd met een zus van Joanna Geertrui, te weten Elisabeth Voet. Marcillis was schepen aan Maasland. Eerder was hij koning van het Sint Lambertusgilde van Huisseling. Hij heeft lange tijd in het huis dat nu ‘Palmhof’ heet gewoond, aan de Grotestraat 57.
De chirurgijn Willem Bodenstaff (1743-1808) woonde in Ravenstein aan de Maasstraat hoek Middelstraat. Hij was getrouwd met Maria Kocken, een nicht van bovengenoemde Leonardus en Marcillis. In 1788 krijgt Bodenstaff een getuigschrift van de drost en schout en schepenen die verklaren dat hij als meester-chirurgijn en vroedmeester zijn affairen loffelijk en met roem gedaan heeft ende daarinne nog fungeert. Kees Bodenstaff † (van de Kolonel Wilsstraat) is een nazaat van Willem.

Bidprentje van het gezin Kocken-Voet te Huisseling


Nelleke’s ziekte
Aangezien de moeder zich ernstig zorgen maakte over de gezondheid van haar jongste dochter Nelleke, richt ze op 26 juli 1802 een verzoekschrift aan de oppermomber (oppervoogd) van het Land van Ravenstein, de drost Van Bree. Joanna Geertrui verklaart dat Nelleke verleden jaar (1801) door een hevige verzwering is aangetast. Oom Marcillis heeft haar, zonder overleg met haar moeder, onder behandeling gesteld van chirurgijn Bodenstaff te Ravenstein, terwijl zij, moeder, een bekwaam doctoor had geconsulteerd, namelijk dr. Verhaagen uit Megen, die samen met chirurgijn Van Roggen uit Nijmegen had geconstateerd dat Nelleke zich in een gevaarlijke toestand bevond en mogelijk haar arm zou verliezen. Bij dit consult was Bodenstaff aanwezig. Zij ondervindt alleen maar tegenwerking van Marcillis Kocken en zijn vrouw bij haar hulp tot herstel van haar dochter. Dat ondervond ook haar man Hermanus Elemans, stiefvader van Nelleke, toen hij de aanbevolen dokter naar huize Kocken had gebracht voor een onderzoek. Dat onderzoek ging niet door, omdat Hermanus door Marcillis onder zware bedreiging de kamer uitgezet werd met de woorden: ‘Het raakt U niet’.
De moeder vervolgt: en dewijl zulke behandelingen niet mogen geduld worden en bijzonder ten nadeele verstrekkende van een nog onmondig kind dat niet van de moeder tot bederf mag vervreemd worden … en dat aan haar Johanna Elemans, moeder van Petronella Kocken onmondige dochter, wort verleent ingeval zulx verijst, om haaren gemelde dochter bij haar te doen brengen en in weerwil van opositie haar bescherming te verleene.

Een rechtszaak
De drost wijst, na horen van de chirurgijn en de voogd, haar verzoek af en verwijst haar naar de rechtbank.
Hermanus Elemans richt vervolgens een (ongedateerd) verzoekschrift tot de rechtbank van Stad en Land van Ravenstein. Hij schrijft onder andere dat chirurgijn Bodenstaff en Marcillis Kocken gehoord zijn in aanwezigheid van schepen Peter van Aar, waarbij hij, Hermanus, ook aanwezig was. Bodenstaff had gezegd, dat zijn zienswijze werd ondersteund door een attest van chirurgijn Van Roggen te Nijmegen. Marcillis Kocken beweerde dat zijn handelwijze werd ondersteund door een verzoekschrift van de kinderen van Leonardus Kocken, dat door naburen zou zijn ondertekend en ook door een brief van de pastoor. Het gevolg is dat zijn stiefdochter Nelleke zich heeft gewend tot de pintjesmeester (waarschijnlijk bedoelt hij Bodenstaff) en heeft afgezien van de geneeskundigen die Nelleke’s moeder had aanbevolen. Dat kan alleen maar veroorzaakt zijn door Marcillis Kocken.
Elemans haalt nog eens de laakbare handelwijze van Kocken aan: En dewijl den gemelde Marselis Kocken niet dan familietwist, onwettigheden door onbestaanbaare actens en deelingen tracht te maaken … en eventwel op deezen mombertijtel (titel van voogd) na zijne wil ook met zijne vrouws dochter Petronella handelt en het moeders recht na willekeur buijten stelt waar door haare dochter voornoemd in levensgevaar kan komen of reeds is.
Tot slot verzoekt Elemans de rechtbank dringend, dat Marcillis Kocken mag worden gedaagd om voor de rechtbank te verschijnen met al zijn aktes en delingen van de kinderen van Leonardus Kocken, ook van de twee minderjarigen, Petronella en Josina, die bij hem M. Kocken in huis wonen. Dit ter voorkoming van al het nadeel dat hij de minderjarigen door zijn voogdelijke bestiering nog zou kunnen toebrengen en ook ter voorkoming van verdere familietwist. Elemans verzoekt om een schikking binnen de familie en in het bijzonder datgene te bevorderen wat voor de genezing van Petronella (Nelleke) het beste is.
Het is duidelijk dat de familie ook bang was, dat Marcillis zijn voogdijschap misbruikte om zichzelf te bevoordelen.

De afloop
Op de stukken staat een aantekening van 8 november 1802 van secretaris Kleinefeldt dat de zaak verwezen is naar de gewone gerechtsdag. Verder is niets gevonden over de afloop van deze zaak. Hoe het ook zij, de toen 17-jarige Nelleke is er bovenop gekomen. Zij trouwde 13 jaar later met Alexander Sengers uit Megen, alwaar zij zeven kinderen kregen. Nelleke overleed in 1833, oud 48 jaar.

naar boven

 

Scheepspraat
Het verhaal van een Huisselingse 19-jarige jongen, die nauwelijks zout water had geproefd en nooit de zee had gezien. Voer vijf weken over zee en oceaan, met 1800 koppen en 18 knopen snelheid. Opgeschreven na 60 jaar herinneren, zonder rancune, toen gehoorzamend aan Koningin en Vaderland. Door Sjaak Elemans, september 2009 (60 jaar na dato).

Routekaart van de Nederland-Nederlands Indië-reis


Zwevend in mijn bed. Als op de kermis in de zweefmolen. Heel langzaam kom ik bij mijn positieven en als het vier ton zware scheepsanker tegen de scheepswand bonkt, ben ik klaarwakker. Ik lig in een hangmat. In een scheepsruim met een honderdtal soldaten. Sinds gisteravond op weg naar Nederlands- Indië. Op een vrijdag, 9 juli 1947, na een lange dag van voorbereiding en uitgeleide gedaan door sprekers van politiek en leger met muziekkorpsen, met 1800 manschappen ingescheept op de Nieuw Holland, in de haven van Amsterdam. Het is 1947, na een bezetting van de Duitsers, bevrijd in ’45 met veel doden, schade, leed en armoede, komt onze regering op het idee om in onze overzeese gebiedsdelen, ook enige jaren bezet door de Japanners, de orde te herstellen en de veiligheid van de Nederlandse kolonisten te waarborgen. Dit in tegenstelling tot de ondergrondse beweging aldaar, die onder leiding van Hatta en Soekarno een eigen Indonesia hadden uitgeroepen. Overzeese gebiedsdelen, dus geen oorlog, maar een politionele actie om de rust te herstellen. Op 7 december sprak de koningin in een rede over deze beslissing en werd de eerste divisie (7 decemberdivisie) voorbereid.

Ik werd opgeroepen vlak voor de koudste winter sinds tijden, zonder kolen in de kazerne van Arnhem. Het vertrek naar Nederlands-Indie werd in mei uitgesteld door een herindeling, maar in juli ’47 was het zover. Een voor een, bepakt en beladen met onze volledige uitrusting (zonder geweer), de scheepstrap omhoog, nieuwsgierig naar onze komende 5-weekse huisvesting. Op de kade, op veilige afstand gehouden door de MP, staan familie en bekenden afscheid te zwaaien voor vertrek. Het duurt intussen uren voor deze 160 meter lange boot is volgeladen met soldaten en hun eten en drinken voor een lange maand. Bevroren vlees in de vriescellen, meel voor de broodbakkerij en alles voor stamppot en al dat eten waarvan ik de komende weken zou kotsen, maar daarover later.
Tegen 6 uur was het zover, de stoomfluit klonk langdurig, de trossen los, trokken de sleepboten het gevaarte van de kade het Noordzeekanaal op (Over VOC mentaliteit gesproken. Honderd keer op en neer varen, 32000 km met een tiental boten om het leger met 140.000 man daar op sterkte te brengen).
Langzaam glijdt de boot door het vlakke Holland. Tuinders en boeren bezig ziende, denk ik nog even aan thuis, ons dorp, maar andere dingen vragen onze aandacht. Tientallen boten en bootjes begeleiden de oceaanreus bij onze eerste vaarmijlen. Na de sluizen bij IJmuiden vaart de Nieuw-Holland op eigen kracht het kanaal op en wij totaal overgeleverd aan de kundigheid en vakmanschap van anderen. Ja, dat we linksaf moesten naar Indië, dat wisten we, maar dat was ook alles en we zagen de zee voor de eerste keer in ons leven. Ons vader en ons moeder gingen nooit met ons naar het strand.

De Nieuw Holland


Met zo’n 30 mijl per uur zouden we 4 a 5 weken onderweg zijn, oponthoud meegerekend. Als eerst zagen we de witte krijtrotsen van de Engelse zuidkust stijl uit de zee opstijgen en verder een diversiteit van boten, groot en klein en we leerden van elkaar wat bijvoorbeeld een tanker was. Het wordt intussen duister en als we links en rechts de vuurtorens en lichtbakens hun werk zien doen, gaan we al snel onze slaapplaats opzoeken. Maar die moet nog gecreëerd worden. Onder, uit de smalle, lange eetbanken in ons ruim nr. 9 toveren we onze hangmatten naar boven en bevestigen die aan haken aan de zware houten zolder. Het probleem is echter om er heelhuids in te komen, wat na iedere avond beter ging. Met de lichte deining van de boot en de trilling van de scheepsmotoren, met de vele emoties van de dag gaan we ondanks alles, over in een diepe slaap.

Ja en toen dat zware scheepsanker, dat ons zo cru wekte en wat het ergste was, de oorzaak, het ruwe weer op de Noordzee. Het feit dat we aan boord het slechtste plekje hadden, namelijk geheel aan de voorkant, in de bak, waardoor we met dit weer zo’n metertje of 8 omhoog en omlaag deinden.
Ik moest eruit, uit onze hangmat, uit dit slaaphol, de trap op naar boven, maar kom dan een forse golf zeewater tegen, dat de reling ontsnapt, ons doet kennismaken met het zilte nat. Het zilte water waar we ons de komende maand mee zullen wassen en douchen. Als ik net aan dek ben worden de luiken gesloten en moeten we voorlopig door een soort gerichte buis naar beneden. Ben aan de reling niet alleen om de vissen te voeren, ik ben ziek, zeeziek, zo ziek de komende dagen, dat wanneer we in Port Saïd onze eerste brief naar huis posten, ik schreef, als ze me met handen en voeten aanpakken en in zee werpen, ik niet zal tegenspartelen. Dat duurde dagenlang, kon de etenslucht van de kombuis, die voor 1800 mensen, de hele dag aan het koken was, niet verdragen. En het werd nog erger, in de Golf van Biskaje was alles nog veel heftiger en bleef ik al die dagen met een aantal lotgenoten dag en nacht op een veilig plekje op het dek en werden door onze maten met broodkorsten en thee in het leven gehouden, om toch een bodem in de maag te houden. Intussen gaat het leven door, de scheepskrant verschijnt (bijna 600 mijlen gevaren), CADI-rantsoenen uitgereikt met de eerste pillen tegen malaria, die ik met een grote boog over de reling aan de vissen heb gevoerd. Intussen zij wij nog vrij van corvee, in de keuken helpen, aardappels jassen en brood snijden. Brood dat iedere dag vers gebakken wordt, van Amerikaanse patentbloem en van die korsten, daar leven wij van, met een twintigtal in de buitenlucht, nee, daar overleven wij van.

Bemanning en maten van Sjaak Elemans


Aan bakboord passeren we de kust van Normandië, waar onlangs onze bevrijders landden. Als afleiding op het toch eenzaam wordende water, af en toe iets bijzonders, zoals een Nederlands schip, dat weer soldaten gaat halen en heel bijzonder, de rots van Gibraltar, welke wij tegen de avond passeren. Met een geleende verrekijker zagen we inderdaad de aapjes, die volgens de verhalen, de uit de zee oprijzende rots, beheersen. Tussen Europa en Noord-Afrika door, varen we op de Middellandse zee, die gelukkig niet zo onstuimig is als de Noordzee en dat is weer gunstig voor mijn zeeziek zijn. Schrijf mijn eerste brief die in Port Saïd gepost gaat worden. Varen langs de kust van Afrika is bij avond een sprookje. Steden als Algiers gelegen tegen de bergen maken een lichtshow en ook het zeewater glinstert met vuurvliegjes op het water. Dan is er opeens weer sloepenrol en iedereen moet met reddingsvest aan dek komen. We varen namelijk door een berucht mijngebied bij de Golf van Tobroek, waar enkele jaren geleden honderden magneetmijnen door vliegtuigen zijn gedropt, die door aantrekkingskracht van de ijzeren boot ravage kunnen aanrichten. In de buurt van de Nijldelta gaan we voor anker om het Suezkanaal op te varen. Dat gebeurt in colonnes daar grote schepen elkaar niet kunnen passeren, maar dan komt de Oosterse handel op gang. Tientallen bootjes met alle soorten handel, maar vooral Engelse en Amerikaanse sigaretten in alle soorten, merken en verpakkingen en zonder contrabande, spotgoedkoop. Maar ook lederwaren, riemen, tassen en beurzen in alle maten en kleuren. Met gebrekkig Engels wordt gevraagd en geboden. Tien tinnetjes Player a 50 stuks 20 gulden werd de eenheidsprijs. Men gooide een touw omhoog en wij trokken de tas naar boven, geld erin en retour met de koopwaar. Het was een levendig markttafereel om nooit te vergeten.

De rots van Gibraltar


Toegang tot het Suèzkanaal


Op het Suèzkanaal


Na bijvullen van drinkwater en brandstof voor de boot werd in eerste instantie de doorvaart erg belemmerd. De Arabieren en de Egyptenaren waren tegen de Nederlandse regering en de activiteiten in Nederlands-Indië, maar de Engelsen waren, toen nog, de baas rond het kanaal en daardoor kregen wij een veilige doorvaart, nadat we nog een grote partij tweedehandse tropenkleding van een Engels marineschip gedropt kregen. Het kanaal is door Ferdinand de Liseps gebouwd of zo u wilt gegraven, een prachtig standbeeld aan de ingang herinnert hieraan. Ja, met ons 12 meter hoge en 160 meter lange schip leek het of wij door de woestijn voeren. Voor de eerste maal zagen we palmbomen, kamelen en bananenstruiken en vooral ezels, die op de wegen langs het kanaal passeerden. Het was verschrikkelijk warm, voeren heel langzaam verder en ik was van mijn zeeziek zijn af, voorlopig tenminste. Ik schreef mijn tweede brief naar huis, die in Aden gepost kon worden. Bij een kerkdienst op zondag preekte de aalmoezenier over de Sinaï-woestijn en de berg waar Mozes de stenen tafelen ontving, die we bij helder weer konden zien liggen. Wie kon toen vermoeden, dat ik met mijn vrouw 50 jaar later eigenhandig deze berg zou gaan beklimmen?

In Aden aangekomen, het zelfde tafereel, handel, handel en hoe langer we wachtten, hoe goedkoper de waren. We leerden bij, maar dat was ook nodig voor straks in Indië om het tarwaren (afdingen) eigen te maken. Onze reis vervolgend via de Golf van Aden, werd het zo warm in de slaapruimte dat er linnen kokers in de ruimte werden gelaten, met aan dek grote vleugels, die door tegen de wind in te varen de temperatuur moest doen dalen van 45 naar 40 graden (over een warme zomer gesproken). En dan beginnen we aan de grote oversteek, de Indische Oceaan. Tien dagen water, met water, na water. Intussen is in Indië de eerste politionele actie begonnen en de scheepskrant bericht over doden en gewonden. En dat schip vaart toch zo langzaam. Evenwel een sensatie, men vertrouwt de oosterse bevolking niet en uit zelfverdediging wordt een kanon op het voordek geplaatst en bemand door een vijftal mariniers die al die tijd onopvallend waren gebleven. Er worden wat reddingsboeien en ander drijvend spul aan elkaar vastgebonden en overboord gegooid. Ons schip maakt een grote draai, waardoor het doel op afstand wordt beschoten. Het werkt, de schutters zijn goed en het doel geraakt. En zo is er op zo’n eenzame dag weer wat ontspanning en als een nog onbekende vijand met teer-en-pek boten langszij willen komen, zijn ze nog niet van ons af. Een groep dolfijnen zwemt uren met ons mee bij de boeg van het schip en wij kunnen er ook uren naar kijken. Dan komt er een schip aan bakboord en de scheepsomroep meldt dat het De Grote Beer is, hetzelfde schip waarmee ik later weer terug naar Holland zal varen. Bewust varen deze schepen langs elkaar, zodat wij de scheepshoorns horen en de seiners hun bericht zien seinen. Weer een dag, weer wat gezien en met gymnastiek, Maleise les en gezondheidslessen van een dokter, worden de dagen gevuld.

Wij werden daar mede gewaarschuwd voor de gevaren van geslachtsziekten veroorzaakt door intiem contact met vreemde vrouwen. Op de vraag van een van de toehoorders of besmetting ook op andere manier kon, b.v. WC. “Nee”, zei de arts, “alleen door seksueel contact”. Bij de rondvraag vroeg dezelfde persoon of dat werkelijk niet kon plaatshebben door b.v. WC. “Ja” zei de dokter, “maar dan heb je wel erg weinig plaats”. De oceaan is zeer kalm en mijn zeeziek zijn staat op een lager pitje, maar lust nog steeds geen stamppot met spek. Woensdag, vier dagen voor aankomst in Indië, de evenaar gepasseerd. De echte zeelui, de matrozen van de boot, maken er een feest van. Ze grijpen onverwacht een aantal eerstemaals passagiers en die worden officieel ingezeept en geschoren door als Neptunes verklede mannen en in een grote waskuip zout water schoongewassen. Resultaat, iedereen krijgt een officieel brevet van vermogen; ‘Ik, Neptunes God aller zeeën, verklaar bij deze, dat op 2 augustus 1947, soldaat Elemans met stoerheid en wilskracht de evenaar heeft gepasseerd.’

Aankomst in Nederlands-Indië


Eindelijk is het zover, we naderen het eerste Nederlands-Indisch eiland, Sabang en we gaan bunkeren en passagieren. We krijgen onze eerste soldij in Nederlands-Indische roepia’s en gaan met landingsboten met +/- 1500 soldaten onze eerste contacten leggen met de Indiërs, Maleisiërs en al die andere namen voor die vlugge, kleine, in sarongs geklede Sumatranen. Om te beginnen kochten wij als eerste bananen. Nooit gegeten, misschien een stedeling, maar gezien de oorlog, was het iets bijzonders. In een mum van tijd hadden we alle bananen veel te duur opgekocht en werden de groene bananen (wisten wij dat die rijp moesten zijn) ook volop verhandeld. Bij teruggang naar de boot hadden twee soldaten een grote tros groene bananen gekocht (halve prijs, toen) die ze trots aan een tak met zijn tweeën het schip in droegen, waar hij nog dagenlang in het ruim op en neer wiegde en dagelijks werd gevoeld op hun rijpheid.
Dagenlang ja, we zaten nog een week lang op de boot, want wij moesten mee tot de eindbestemming, bijna 2500 km naar Soerabaja. Door de straat van Malakka, lossen en laden in Medan, Palembang, Jakarta en Semarang naar Soerabaja, waar we ontscheept en behoorlijk ontredderd en verdwaasd in een Mulo-school werden ingekwartierd.

In Nederlands-Indië


De situatie was nog spannend en dezelfde avond moesten we gaan wachtlopen op drie plaatsen dubbele wacht. Twee uur op, twee uur af. Bij een donkere tropennacht met geluiden die we niet kenden. Dan waren we een dag vrij om uit te slapen en dan weer 24 uur lang twee uur op, twee uur af.
En daar stond ik dan in de pikdonkere tropennacht met onbekende geluiden als krekels, tjitjaks en tropische nachtvogels. De maanstand krom aan de hemel en het sterrenbeeld Grote Beer had plaatsgemaakt voor het Zuiderkruis. De tweede nacht op wacht, begon om 3 uur in de nabijgelegen Dessa met veel tamtam en andere geluiden, de Ramadanmaaltijd (voor zonsopgang) en wij dachten dat er een aanval van de Peloppers in aantocht was, wisten wij veel.
Het waren verloren maanden, die zich voor velen aaneenregen tot ruim drieënhalf jaar. En we hadden altijd dorst, ijsthee was altijd volop aanwezig en voor de rest, Heinekenbintang (bier) op rantsoen. Als ik dit schrijf na 60 jaar, krijg ik er nog dorst van.

Sjaak te paard in Nederlands-Indië


Ik heb nu de heenreis beschreven en zou nu kunnen verhalen over het verblijf in Indië, de rode hond, ringworm en malaria, maar ik schrijf nu liever over teruggaan met “de Grote Beer”, zoals ik u al eens herinnerde, maar ditmaal zonder mijn onderdeel en zonder maten. Ik was liever gebleven, samen uit, samen thuis. We hadden er bijna twee jaar diensttijd opzitten en kreeg het gevoel dat ik hen afviel, maar het was mijn gezondheid die dit veroorzaakte. Wij hadden toen ook nog niet de gedachte, dat onze missie mislukte en onnodig was. Dat de militaire begraafplaatsen met meer dan 6000 kruisen voor niets waren, dat was voor hen, die later huiswaarts keerden, de bitterste ervaring. Met daarbij, dat de thuiskomst niet in erge hoerastemming zou plaatsvinden.
De terugreis verliep voorspoedig, lag precies op het middenschip, veel beter dan in het vooronder bij onze heenreis. Kerstmis ’48 passeerden wij weer de Mozesberg in de Sinaïwoestijn en met veel storm en regen arriveerden wij deze keer in Rotterdam, Driekoningen ’49. Weer met veel tamtam, muziek en speeches. Met busjes over het hele land uitwaaierend om ons ter plaatse af te leveren. De buurt had de boel versierd en ik kreeg een prachtig horloge. Grad Kocken, onze timmerman, had intussen een grote kooi getimmerd, want die grote beer kon toch niet los rond lopen in Huisseling!
Ik was thuis om opnieuw mijn vertrouwde Huisselings te gaan leren. Na drie jaar ABN, Gronings, Fries en Achterhoeks door elkaar. Alles bij elkaar, achteraf gezien, had ik een en ander toch niet willen missen!

naar boven

 

Amsterdam-Dakar
Teun Arts uit Huisseling en zijn kameraad Berry Ketelaars uit Herpen, beiden 21, doen in 2004 mee met de Amsterdam-Dakar Challenge. De Challenge is een tocht, waarin teams in oude opgeknapte wagens Dakar moeten zien te bereiken. Als de auto het tot Gambia redt, wordt deze per opbod geveild. De opbrengst gaat naar het goede doel. De twee heren rijden voor de Stichting Evenaar. Deze organisatie zamelt geld in voor een ziekenhuis in het plaatsje Kartong in Gambia. In totaal doen er ongeveer 30 teams mee. Een dag voor vertrek is er een benefietfeest bij Zaal Thekes in Herpen. De oude Mazda 323 uit 1985 is uitgerust met een klein koelkastje en op het dak hebben ze een houten plateau bevestigd waarop ze hun tent kunnen zetten. Da’s wel zo veilig in de woestijn. Verder kippengaas voor de grille en extra lampen. Voor de sponsoring verkopen ze onder andere T-shirts met de tekst “Official Sponsor of KetelArtsRacing”. De reis verloopt voorspoedig. Onderweg hebben ze weinig stukken aan de auto. Op de eindbestemming blijkt dat er maar drie teams de eindstreep hebben gehaald en aan de auto zit geen onderdeel meer vast. Toch kunnen ze hem nog goed verkopen. Beiden komen met het vliegtuig weer terug naar Nederland. Het was een mooi avontuur.

Amsterdam-Dakar. Bron: Teun Arts


Amsterdam-Dakar. Bron: Teun Arts


Amsterdam-Dakar. Bron: Teun Arts


Amsterdam-Dakar. Bron: Teun Arts

naar boven

 

Anton van Grunsven
Anton van Grunsven had in een schuurtje achter zijn huis aan Den Dam 4 een timmerwerkplaats ingericht. Hij maakte er diverse dekenkisten, attributen voor het gilde, de gedachteniskruisjes voor in de kerk en zelfs zijn eigen doodskist. Op 25 mei 2009 maakte Jeroen Arts een filmpje van Anton van Grunsven. Een paar weken later is Anton overleden. Hieronder het filmpje, waarop Anton kleine houten kistjes aan het maken is. Helaas kan ik het niet roteren.
Link: Filmpje Anton van Grunsven op 25 mei 2009
In 2008 is Anton ziek geworden. In zijn atelier, waar hij met vrienden iedere week schilderde, stond zijn eigen gemaakte doodskist. Hier werd hij ook in gecremeerd. Een week voordat hij stierf was zijn huishoudster Mien Martens jarig. Anton moest en zou daarbij zijn. Dochter Yvonne Martens haalde Anton thuis op en bracht hem naar de jarige. Daar aangekomen haalde hij een mondharmonica uit zijn zak en speelde met zijn laatste krachten “Lang zal ze leven”. Anton verklaarde daarop dat hij vroeger mondharmonicales had gehad, samen met een groepje jongens uit de omgeving. Na het ‘optreden’ ging hij uitgeput terug naar huis.

Anton van Grunsven in zijn werkplaats op 25 mei 2009

De werkplaats van Anton van Grunsven, zicht naar links

De werkplaats Anton van Grunsven, zicht naar rechts

De werkplaats Anton van Grunsven, zicht terug naar buiten

naar boven

 

Piet Elemans
Levensbeschrijving van Piet Elemans (met dank aan de familie Elemans).

Piet (Petrus Godefridus) Elemans wordt op 22 juni 1893 geboren te Ravenstein als zoon van Jan Elemans (1847-1908) en Maria Kroonen (1845-1925). Piet z’n geboortehuis is de huidige Kolonel Wilsstraat 8, waar zijn ouders een herberg en stadsboerderij runnen. Hij was de jongste van het gezin Elemans-Kroonen en had 3 zussen en 2 broers: Marie, Bella (Isabella), Hanneke, Fès (Sylvester) en Nol (Arnoldus). Jan en Maria komen beiden van oorsprong uit Huisseling. Na het overlijden van hun ouders blijven Bel en Fes (beiden ongehuwd) in het huis van hun ouders wonen. Zij laten echter een nieuw huis bouwen aan de Grotestraat 4 te Huisseling, alwaar Bel een snoepwinkeltje begint. Het ouderlijk huis wordt verkocht aan de ‘Weduwe Kraaijvanger’. Zij zet de herberg voort, maar stopt met de stadsboerderij.

Het gezin Elemans-Kroonen. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)


Het pand Kolonel Wilsstraat 8, voormalige stadsboerderij en herberg


Het nieuwe winkeltje van Bel en Fes. (Bron: Fam. Gijsbers)


Als jongste zoon van het gezin was er voor Piet niet de mogelijkheid om het bedrijf van zijn ouders over te nemen. In die tijd waren er geen scholen voor een beroepsopleiding. Een beroep werd in de praktijk geleerd. Hij ging daarom werken bij zijn oom Sylvester (Fes) Kroonen, die in Huisseling een timmerbedrijf heeft. Piet kreeg er een gedegen bouwkundige praktijkopleiding. Het bedrijf was gevestigd aan de Grotestraat 3, in het ouderlijk huis van Sylvester en Maria. Echter, de boerderij was toen alleen nog in gebruik als timmerwerkplaats. Aan de Winkelstraat 8-10 heeft Sylvester een nieuw woonhuis gebouwd. Het is zeer waarschijnlijk dat Sylvester een oud pand heeft gekocht en dit grondig heeft verbouwd. Met name de zijgevel, een oude tussenmuur, is blijven staan.

Contre Escarpe met achter de NCB het dak van de werkplaats van Fes Kroonen. (Bron: Fam. Keulers)

Contre Escarpe met links het woonhuis van de familie Kroonen-Elemans (afgebroken voor de NCB) met ernaast de werkplaats.

Het pand Winkelstraat 8-10 te Ravenstein; het nieuwe woonhuis van Fes Kroonen. (Bron: Fam. Van Weegen)


De zijgevel van het door Fes Kroonen nieuw gebouwde Winkelstraat 8-10 toont sporen van een voorganger


Piet volgt daarnaast schriftelijke cursussen bij de PBNA voor het diploma bouwkundig opzichter-tekenaar. Na het behalen van dat diploma is hij gaan werken op het architectenbureau Estourgie in Nijmegen als bouwkundig tekenaar en later als bouwkundig opzichter. Daarnaast ging Piet ook nog naar de ‘Gemeentelijke Teekenschool’ aan de Sint Luciastraat 4 te Ravenstein. Hij was er de beste leerling; iets wat hem nog een Koninklijke medaille oplevert.

Op de achterzijde van de medaille staat: ‘Gemeentelijke Teekenschool te Ravenstein, Kon. Medaille toegekend 1 mei 1912 aan P.G. Elemans als 1en Prijs i/d 5e Kl. Bouwkundig teekenen.’

Getuigschrift Piet Elemans. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)

De koninklijke medaille van Piet Elemans. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)

Koninklijke medaille voor Piet Elemans. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)


Piet was vanaf 1922 directeur van deze ‘Avondtekenschool’. Het bewijs dat Piet Elemans bekwaam was in het lesgeven aan de Ravensteinse tekenschool toont deze ‘Akte van bekwaamheid voor nijverheidsonderwijs’ van 21 maart 1925. In 1926 dient Piet bij het gemeentebestuur een verzoek in ‘tot het beschikbaar stellen van één der lokalen voor het geven van onderwijs in de bouwkunde’ voor enkele uren per week in de zomermaanden. Er wordt akkoord verleend.

De akte van bekwaamheid van Piet Elemans. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)


In 1922 start Piet samen met Jan Eichelsheim uit Ravenstein een eigen architectenbureau, in combinatie met een parttime functie als technisch ambtenaar van de gemeente Ravenstein en als directeur van de avondtekenschool. Zijn eerste grote project is Klooster Nazareth dat hij samen met Jan Eichelsheim ontwerpt. Piet wordt in dat jaar ook parttime gemeentearchitect. In 1924 gaat Piet zelfstandig verder.

Klooster Nazareth te Ravenstein


Op 12 oktober 1926 trouwt hij met Johanna van den Hoogen uit Reek. Zij was indertijd inwonend hulp in de huishouding bij een welgestelde familie in Ravenstein. Het huis waar zij werkte was gelegen aan de kopkant van de Marktstraat, gedeeltelijk boven de stadspoort aldaar en in het verlengde van de straatwand aan de noordzijde van de Kolonel Wilsstraat. Dus feitelijk in de zelfde straat waar Piet woonde. Johanna heeft daar zeker wel eens uit het raam gekeken, waarbij ze haar oog heeft laten vallen op de toevallig passerende Piet Elemans. Zij kregen negen kinderen, vijf jongens en vier meisjes.

Verlovingsfoto van Piet en Johanna. (Bron: Rob Elemans)


Het gezin Elemans-van den Hoogen. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)


Na hun huwelijk gingen zij wonen op het adres Grotestraat C12 (nu 14) in Huisseling. Zij hadden telefoonnummer “8”. Dit huis is gelegen op de uitvalsweg van Ravenstein naar Huisseling, circa 300 meter buiten de ‘grachtengordel’ van Ravenstein. Het kantoor bevindt zich in een aanbouw aan het huis. Het huis was gebouwd door Arnoldus van Zuijlen en Hendrica Elemans die de naastgelegen boerderij bezaten. De twee woningen deelden vanaf toen een gezamenlijke inrit. De boerderij werd later verkocht aan Drikus Wilms uit Schaijk en zijn vrouw Maria van den Berg uit Huisseling. De boerderij werd in de jaren ’60 afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe kantoor van de Boerenleenbank. De situatie rondom het huis is daardoor zodanig structureel veranderd dat het geen weerspiegeling meer is van zoals het vroeger was.

Het woonhuis en kantoor van de familie Elemans. (Bron: Fam. Van Zuijlen)


Het architectenbestaan was in de twintig- en dertiger jaren niet eenvoudig vanwege de ernstige economische crisis met grote werkloosheid, vele faillissementen en de moordende concurrentie in de bouwwereld. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam een groei van allerlei soorten opdrachten zoals taxaties van oorlogsschade aan gebouwen voor verzekeringsmaatschappijen en bouwplannen voor de wederopbouw van allerlei soorten gebouwen ( boerderijen, bedrijfsgebouwen, woningen etc.).

Hoekstraat 1, in de jaren '30 gebouwd naar een ontwerp van Piet Elemans. (Bron: Fam. Elemans-Snoek)


In 1927 is Piet benoemd tot technisch ambtenaar van de gemeentewerken te Ravenstein en in dat jaar ook benoemd in de Schattingscommissie voor de Inkomstenbelasting. Vanaf 19 mei 1927 is Piet ook onbezoldigd gemeenteveldwachter. Hij wordt daartoe benoemd door de gemeenteraad van Ravenstein. Erg druk zal hij het hiermee waarschijnlijk niet gehad hebben in het rustige Ravenstein.

Benoeming Piet Elemans tot veldwachter (Bron: Rob Elemans)


Piet heeft naast zijn drukke baan en bijbaan als veldwachter ook nog de tijd om lid te worden van de plaatselijke vrijwillige brandweer. Hij wordt er zelfs commandant. Op 1 juli 1958 kreeg hij een oorkonde en een mdeaille uitgereikt door de Nederlandsche Vereeniging van Brandweercommandanten voor zijn 35-jarige brandweerdienst.

Het Ravensteinse brandweerkorps met in het midden het echtpaar Elemans-Van den Hoogen. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)

Een medaille voor de jubilerende brandweercommandant. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)

Oorkonde voor de jubilerende brandweercommandant


In de jaren van de wederopbouw kwam het architectenbureau tot ontwikkeling en Piet krijgt belangrijke ondersteuning van zijn oudste zoon Jan die in 1954 aan de TH Delft is afgestudeerd als bouwkundig ingenieur en op het bureau aan de slag gaat als architect. Piet begint aan zijn laatste grote project: een jongensschool naar de stijl van een Engelse hallenschool. Jan wordt bij het project betrokken. Voor hem is dit het eerste grote project. De opdrachtgever is het Schoolbestuur van de Rooms-katholieke Jongensschool, Grote Kerkstraat A.11 te Ravenstein (de Sint Luciaparochie). Piet Elemans voert de directie over “Het bouwen van een zesklassige jongensschool met speelplaats en rijwielberging plus een gymnastieklokaal met handenarbeidlokaal en diverse nevenruimten, op een terrein kadastraal bekend Gemeente Huisseling c.a. Sectie A. no: 739”. Het terrein staat bekend als ’t Bogertje. Voorheen stond op deze locatie de tabaksboerderij van de familie Van Tilburg. De aannemer is W. van der Pas uit Oss. In december 2002 wordt voor het laatst les gegeven in het gebouw. Het oude gebouw wordt in 2005 gesloopt. Inmiddels staat hier een appartementengebouw.

De school die Piet en Jan samen ontwerpen.


In 1956 komt ook zoon Henk in het bedrijf. De naam wordt gewijzigd in Architectenbureau Elemans. In 1959 wordt een tweede kantoor opgericht aan de Spoorlaan in Oss waar Jan en Henk het bureau verder doen uitgroeien. Op enig moment werken er 4 van de 5 zonen van het gezin in dit architectenbureau. Die groei van het bureau heeft Piet nog kunnen meemaken. Piet blijft tot aan zijn dood betrokken bij het bedrijf. Hij overlijdt op 22 mei 1964 en wordt begraven op het parochieel kerkhof in Huisseling. Uit het huwelijk van Piet en Johanna komen 9 kinderen, 23 kleinkinderen en 38 achterkleinkinderen voort.

Piet en Johanna Elemans-van den Hoogen. (Bron: Rob Elemans)


Piet Elemans. (Bron: http://www.eharchitecten.nl/)


Henk: “Vader is uitgegroeid tot een zeer gewaardeerd vakman. Ik ben later nog veel bouwvakkers, aannemers, collega-architecten in onze regio tegengekomen die naar mij toe met veel respect over vader hebben gesproken. Naast zijn werk is vader een enthousiast lid geweest van de Stadsharmonie OBK waar hij heel verdienstelijk in speelde als trombonist. Dat heeft hij jarenlang gedaan. Vader is ook jarenlang bestuurslid geweest van OBK. Bij gelegenheid van het 25-jarig huwelijksjubileum van mijn ouders heeft de Harmonie voor ons huis een aubade gebracht, waarna ze met marsmuziek door de voordeur van ons huis naar binnen liepen en via de rechte gang door de achterdeur weer naar buiten. Dat geluidsvolume in ons huis zal ik nooit vergeten”.

Henk (l) en Jan (r) Elemans. (Bron:http://www.eharchitecten.nl/)

Het nieuwe woonhuis van de familie Elemans-van Eeden aan de Grotestraat 44. (Bron: Fam. Elemans-van Eeden)

In 1957 bouwt Jan Elemans een huis aan Grotestraat 44 te Huisseling. In januari 1958 komt hij hier met zijn vrouw Greet en hun vijf kinderen te wonen. In 1971 verhuisd de familie Elemans-van Eeden naar een nieuw huis in Oss. Jan en Henk blijven tot 1990 op het bureau werken. In dat jaar komt de leiding in handen van Peter Elemans en Dick Postma. In 2000 treedt Bart van den Hork toe tot de maatschap. De naam wordt ‘Elemans Postma Van den Hork Architecten’. In 2013 gaat Dick Postma met prepensioen. Peter en Bart gaan dan verder als ‘Elemans Van den Hork Architecten’. Jan Elemans overlijdt vrij plotseling op 17 oktober 2014. Hij ligt in Huisseling begraven, naast zijn ouders, in het graf waar eerder zijn tante Isabel (Bel) lag.

Peter Elemans. (Bron:http://www.eharchitecten.nl/)


Dick Postma. (Bron:http://www.eharchitecten.nl/)


Bart van den Hork. (Bron: http://www.eharchitecten.nl/)

naar boven

 

Janus Arts (in bewerking)
Een man die ook niet onbenoemd mag blijven is toch wel Adrianus Johannes (Janus) Arts. Janus werd in 1896 aan de Burgemeester Van de Wielstraat 7 (B36) te Huisseling geboren als oudste zoon van Bertus Arts en Hendrica van der Wielen en genoemd naar zijn grootvader Adrianus van der Wielen. Janus kreeg later nog een broer, Albert. Hun moeder overleed vlak na de geboorte van Albert. Enkele jaren later hertrouwde weduwnaar Bertus met Marianne van Dijk uit Overlangel. Dit huwelijk bleef kinderloos. Een leuke anekdote is dat Bertus eens serieuze interesse heeft gehad om de Ravensteinse molen ‘De Nijverheid’ te kopen!

Bertus Arts en Marianne van Dijk, bewoners van Burgemeester Van de Wielstraat 7 (C36). (Bron: Fam. Arts)


Janus Arts tijdens zijn dienstplicht (mobilisatie '14-'18). (Bron: Bert Arts)


Het woonhuis van de familie Arts-Verstegen, genaamd 'De Roesterd', gebouwd naar een ontwerp van Piet Elemans. (Bron: Bert Arts)

Janus volgde zijn dienstplicht en diende in de oorlog van 1914-1918. Na de dienstplicht ging hij werken op de boerderij van zijn vader. Janus had graag willen studeren, net als bijvoorbeeld zijn leeftijdgenoot Piet Elemans, voor architect, maar de jonge Janus was te verlegen om uit het veilige Huisseling weg te gaan. Waarschijnlijk was die ‘verlegenheid’ de reden waarom hij zo lang vrijgezel bleef. Pas op latere leeftijd ontmoette hij de maar liefst 17 jaar jongere Stien Verstegen uit Schaijk, met wie hij in het huwelijksbootje stapte. “Zo’n jonge meid is altijd handig voor als ik straks oud ben” moet Janus gezegd hebben. Het paar ging in het ouderlijk huis van Janus wonen. Grootvader Bertus bleef tot zijn dood bij hen in huis. Het huwelijk werd gezegend met drie kinderen; Bert, Rieky en Hein en zeven kleinkinderen.
Broer Albert woonde met zijn gezin ernaast op Burgemeester Van de Wielstraat 5. Er wordt gezegd dat ze samen een kippenhok deelden met twee deuren; aan elke zijde van de erfgrens een deur. Feitelijk was het kippenhok dus ook een doorgang.

Broer Albert Arts werd in 1936 door een stier op de hoorns genomen. Dankzij zijn vrouw en broer (en buurman) Janus overleefde hij de aanval. (Bron: internet)


Trouwfoto Janus Arts en Stien Verstegen. De bruidskinderen zijn Hennie en Gonny Arts. (Bron: Jeroen Arts)


Janus kreeg diverse baantjes in diverse besturen. Zo bemoeide hij zich met de missienaaikring, was hij lid van het mannenkoor, was hij 17 jaar lang wethouder van de gemeente Ravenstein, en later loco-burgemeester (in 1958 zelfs waarnemend). Hij werd namens de gemeente Ravenstein benoemd om de ruilverkaveling te begeleiden. Dit was voor hem moeilijk te rijmen met zijn functie als voorzitter van de NCB, die juist voor de belangen van de boeren moest optreden. Hiervan was hij maar liefst 20 jaar voorzitter. Hij heeft altijd perfect weten te schipperen tussen beide belangen.
In zijn latere jaren was Janus 10 jaar lang voorzitter van de Bond van Ouderen Ravenstein. Veel mensen herinneren Janus aan een grote zwarte wrat achter zijn oor. Hij vond het niet nodig om daar wat aan te laten doen en liet het er maar bij. Janus was een man met humor en stond bekend om zijn mooie uitspraken.

Installatie burgemeester Van Weegen in 1958 door loco-burgemeester Janus Arts. (Bron: Fam. Van Weegen)


Het Huisselings mannenkoor met bovenste rij 3e van links Janus Arts. (Bron: Fam. Arts-Albers)


Bij Janus en Stien Arts-Verstegen achter het huis stond de directiekeet voor de ruilverkaveling. Op de foto zien we Stien, Rita van der Laan (een nicht uit Lisse), Hein Arts met hond Tippy, Rieky, Janus en Bert Arts voor deze directiekeet. (Bron: Bert Arts)


Artikel in het Brabants Dagblad over afscheid Janus Arts als voorzitter Bond van Ouderen. Klik voor vergroting


Helaas sukkelde zijn vrouw Stien al vroeg met haar gezondheid. Uiteindelijk belandde ze in een rolstoel en stierf in 1974. Oudste zoon Bert blijft bij zijn vader in huis wonen. Janus sterft in 1983 op 88-jarige leeftijd in het bejaardenhuis De Wilberthof te Berghem.

Vliegticket van Janus boven Overasselt en omstreken in 1933. In de jaren '30 werd het vliegveld Keent gebruikt als sportvliegveld en werden er regelmatig vliegdemonstraties gegeven. Mensen konden dan een ticket kopen om mee te vliegen. (Bron: Bert Arts)


Janus Arts met zijn oudste kleinzoon Jan van Schadewijk achter zijn boerderij'De Roesterd'. (Bron: Bert Arts)

naar boven