Bestuur en rechtspraak

Heerlijke rechten, bestuur en rechtspraak

Verkiezing raadslid

 

Heerlijke rechten, bestuur en rechtspraak
Hieronder volgt een beschrijving van de oude heerlijke (feodale) rechten, het bestuur en de rechtspraak, zoals deze in het algemeen vóór 1815 golden.

Het grondbezit
In de Middeleeuwen is de meeste grond in het bezit van de heren, de abdijen en kloosters gekomen. Toch bleef er zogenaamd allodiaal (vrij) goed bestaan, dat in het bezit bleef van eigengeërfden, ook wel vrije boeren genoemd. Die hadden geen verplichting aan de heer. In Huisseling wordt in de archivalia nog al eens het begrip allodiaal goed aangetroffen, o.m. de Gansheuvel, het Meerke aan de Brugdijk, de Roesterkamp en de brouwerij c.a.

Het leenstelsel
Het leenstelsel is in de feodale tijd ontstaan. De leenheer gaf land in leen aan leenmannen (vazallen), die daarvoor de eed van trouw aan hem aflegden. Het betekende dat zij diensten voor de heer moesten verrichten, zoals de krijgsdienst. Toen het leenrecht erfelijk werd, vervaagde ook de onderhorigheid aan de heer. Wat bleef was dat een leenman bij de leenverheffing de ‘heergewade’ (1 gouden dukaat en 1 zilveren rijksdaalder) moest betalen en dat hij desgevraagd verplicht was om in het leenhof zitting te nemen. De heergewade schijnt in het begin van het leenstelsel de uitrusting te zijn geweest die de leenman nodig had in de krijgsdienst voor de heer.

De leenman werd feitelijk bezitter van het goed en kon dit zelf gebruiken, verpachten of verkopen. De heren van Herpen en Ravenstein hadden hun heerlijkheid in leen van de hertogen van Brabant en waren dus diens leenmannen. Op hun beurt gaven zij als (onder)leenheer land in leen aan hun eigen onderdanen (achterleenmannen). Het oude ritueel van de leenverheffing bleef in stand, maar werd meer en meer een formaliteit. Bij elke vererving of verkoop van het leengoed moest dit plaatsvinden ten overstaan van het leenhof en vond plaats in de open lucht. Bij opvolging van de landsheer moest de eed herhaald worden. In Ravenstein gebeurde dit voor de brug van het kasteel en zal vroeger ook wel in Herpen hebben plaatsgevonden. Later in de 18e eeuw spreekt men van ‘op de brugge’.22

Een aflegging van een leeneed uit een Huisselingse leenverheffing anno 1573 werd als volgt geregistreerd: … und hatt (de leenman) meinem gnedigene Fursten und heren hiraf hulde und Eide vann trowen gedain, und belaefft tho doin, allett wat einen guden und trouwen lehneman sienem gerechten lehneheren schuldich is tho doin …

De rechtspleging was in Germaanse tijden veel meer een verbeeldende handeling dan een kwestie van opschrijven. Zo werd de overdracht van een stuk grond zinnebeeldig voorgesteld door het overreiken, hetzij van een kluit aarde, hetzij van een halm of tak van wat er groeide op dit land. Een dergelijke plechtige gebeurtenis vormde natuurlijk een prima geheugensteun. De terminologie in latere schriftelijke aktes herinnert nog aan deze oude traditie. Een overdracht van Huisselings leengoed anno 1758: … renuntieerend (afstand doende) mit handt halm en mondt op den eijgendomb mit belofte van guerandt over Landt en Leenrechten, soo dat leenmannen ter maenisse (op verzoek) des stadthouders vonnis weijsden …
Het leenhof werd voorgezeten door de drost als stadhouder van de lenen namens de landsheer. Het hof bestond verder uit twee leenmannen, de leenschrijver en de leenbode. De nieuwe leenman (koper of erfgenaam) en de oude leenman-verkoper verschenen voor dit hof. De leenman deed de leenhulde en legde de eed van trouw aan de heer af. Het leenhof was tevens rechtbank voor leenkwesties. Met de komst van de Fransen werd het leenstelsel en andere heerlijke rechten afgeschaft. In het jaar 1800 moest de leeneed nog wel worden afgelegd aan de Bataafse Republiek. De leenman heet dan gewoon ‘burger’ ongeacht of die pastoor, boer of wat dan ook was.

Huisselingse lenen23
In Huisseling waren negen leengoederen: de Boevenkamp, Hoffstatt en Hoffgen (de Heuf), Hoge en Lege Grave, Nelisham (Milsham), Obberigh (Ubberik), Vergardt (Verver), het Kromland, Verlaers leen gelegen in Erwen en de Huisselingse-Demense tienden.
Het oudste bewaard gebleven leenregister gaat terug tot het midden van de 15e eeuw, maar de meeste lenen moeten al van veel oudere datum zijn. Een aantal leengoederen in het Land van Ravenstein waren leenroerig naar Zutphens recht, wat inhield dat vrouwen qua erfrecht gelijkgesteld waren aan mannen. In Huisseling waren dat Hoffstatt en Hoffgen, Hoge en Lege Grave en Vergardt. Op 1 juni 1446 droeg Adolf van Kleef als vruchtgebruiker van zijn zoon Jan het drostambt van het Land van Ravenstein op aan Dirk van Bronkhorst, heer van Batenburg en tijdelijk heer van Uden. Hij noemt Dirk zijn neef. Dirks zoon en erfgenaam Herman van Bronkhorst en Batenburg treedt rond 1460 als leenheer en als stadhouder van de heer van Ravenstein, op bij de leenverheffing van Nelisham (Hillensham), Boiencampen en Hooge Grave. Ook het Kruisstuk werd, nog in 1560, een Batenburgs leen genoemd. Als Huisselingse leenmannen, die zitting hadden in het leenhof, komen we regelmatig Jan, Ceel en Heimerick de Cock tegen en ook enkele keren Cornelis van Ringelenberg.

Marietje Kocken bindt garven op 't Kruisstuk, een oud Huisselings leen.

Domaniale cijnzen en erfpachten
Behalve in leen uitgegeven grond gaf de heer ook grond uit waarvoor hij cijns, pacht of een andere soort grondrente inde (zoals de gemeint, zie elders). Deze werden meestal erfelijk uitgegeven. De heffing bestond uit een jaarlijks bedrag in natura of in geld. In 1798 kwamen alle cijnzen aan de Staat. De cijnsplichtigen konden deze vervolgens afkopen. In de loop van de 19e eeuw zijn ze geheel verdwenen. Volgens het cijns- en erfpachtboek van Huisseling vanaf ca. 1686 bestonden daar 40 domaniale cijnsgoederen en 7 erfpachten, totaal beslaande een areaal van ongeveer 43 morgen (36 hectare) met 10 huizen. Op de volgende locaties bevonden zich cijnsgoederen:
Bevinck, den Bogaard, Bossen, Cromlandt, Custerie, Erfschen hoff, Erfsche straat, den Ham, den Heuvel, Jan Ebbenhoff, Jan Wiggershof, Kalverkampke, Loonsche Woert, Olijcamp, den Onderstal, de Ong, Pastorie, de Raem, de Reekheuvel, Simonshoff aan de oude Huijsselingse kerck, den Steenacker, de Strepen, de Swaen, Ubbrick, huis aen het veer, Voscamp. Daarnaast nog een aantal zonder vermelding van een veldnaam.

Privaatrechtelijke cijnzen, renten en erfpachten
Ook particulieren hieven grondrente (cijns, rente of erfpacht) voor het gebruik van onroerend goed. Omdat het gebruik erfelijk was gingen de gebruikers zich op den duur als eigenaar zien. Een veel voorkomende rente in natura was de roggerente. Elk jaar moest men dan op een vaste dag, vaak op 2 februari (Maria Lichtmis) één of meer mud rogge leveren op een aangegeven plaats. Veel transacties zijn te vinden in de Bossche schepenbankregisters, het zogenaamde Bosch’protocol. Tussen 1382 en 1541 worden er 68 aangetroffen die betrekking hebben op grondrente van Huisselingse grond. Interessant zijn de veldnamen die worden vermeld, waarvan vele nog voorkomen op de kaart van Jan Elemans/Pasman uit 1958. Deze kaart wordt verder elders in dit boek besproken onder veldnamen.

Het tiendrecht
In de Bijbel wordt al gesproken over tiendrecht. Maar het was Karel de Grote die omstreeks 800 het tiendrecht invoerde als een vorm van belasting op de opbrengst van land en vee, oorspronkelijk 1/10 deel. De tienden werden in natura geheven, maar werden later ook wel gewijzigd in geld. De tiende was oorspronkelijk een sociale belasting voor financiering van de armenzorg, het levensonderhoud van de parochiepriesters en de instandhouding van het kerkgebouw. De inning werd doorgaans verpacht. Er werd verschil gemaakt tussen de grote en de kleine tiende. De grote tiende (ook wel grove tiende, korentiende of scheuttiende genoemd) strekte zich uit over alles wat halm of stengel had (granen, bonen, wijn). De kleine tiende (ook smaaltiende genoemd) werd geheven op oliezaden, kruiden, hooi, vlas, spurrie, hop en kleinvee. De veetiende werd geheven op lammeren, kalveren, gevogelte en honingbijen. In de loop van de tijd zijn allerlei namen voor de tienden ontstaan gerelateerd aan gebied, eigenaar of product.
In de loop der eeuwen nam de adel de meeste tienden in pand of werden van de geestelijken gekocht. Later kwamen ook tienden in handen van niet-adellijke personen (in Huisseling onder meer de familie Elemans en Kocken).
In dorpen waar de tienden door meerdere partijen werden opgehaald vond een gebiedsindeling plaats. In Huisseling wordt over twee gebieden gesproken, waarvan de Raam de grensscheiding vormde:24
1. De Kerkhoftienden over de Raam te collecteren tussen de kerk en Herpen (van oudsher een Megens leen). De brouwersfamilie Kocken verkoopt in 1775 een hele scheuttiende oftewel het 3e part in de Kerkhofse tiend, die de familie sinds het jaar 1735 had bezeten.
2. De tienden aan de Ravensteinse zijde van de Raam. Hermanus Geurt Elemans koopt in 1797 een halve scheuttiende (recht hebbende op de korentiende) en in 1802 een klamptiende (recht hebbende op de smaaltiende op varkens, lammeren, tabak, vlas en anderen.). Alles was onverdeeld eigendom van de landsheer, Van Willigen, Van Lamoen, Van Berchum en andere erven en vanaf 1797 ook Elemans.

De tienden werden jaarlijks belast met ‘onraad’ (een soort belasting). Men was voor deze beide tienden jaarlijks een halve ton bier (of 2 gulden) aan de gemeente Huisseling verschuldigd. Uit de kerkhoftiend moest jaarlijks ook nog ‘7 stuijvers tot den philips gulden’ aan het Sint-Lambersgilde’ worden betaald. In de landsrekening van 1486-87 wordt gesproken van een verpachting van de smaltiende te Huisseling, alsook van korentienden, te weten de Brueltiende en de Huisselingse tiende.25 De Bruel was het gebied aan de Herpense kant van de Raam, waarin onder meer de Onderstal lag.26 De betekenis van Bruel is moerassig land of broek (de Broeksteeg heette vroeger Bruelsteeg).

Op bevel van de Franse commissaris moesten alle ontvangsten voortkomende uit het leenstelsel, die na 11 december 1797 onrechtmatig waren geheven, worden teruggegeven (o.a. de tienden). De tienden werden door de Fransen op 26 maart 1798 afgeschaft, maar de voormalige heerlijke tienden werden door de Bataafse Republiek in de oogsttijd van 1800 al weer verpacht. Hierbij schijnt door de ingezetenen monopolievorming te hebben plaatsgevonden. Men ‘rotte’ samen om tegen een kleine som te verpachten, waarna onderling opnieuw werd verpacht en het verschil samen werd gedeeld of aan bepaalde personen werd toegekend. De commissaris waarschuwt bij de, op 3 augustus 1803, te verpachten tienden over de dorpen Herpen, Schaijk, Deursen, Dennenburg en Huisseling, zich te onthouden van onoorbare praktijken, die nadeel aan de verpachting zouden kunnen toebrengen. Het schijnt dat dit niet veel uithaalde, zodat op 10 augustus 1804 strenge bepalingen werden gepubliceerd met sanctie van zware boetes.27 Hierna werden de tienden weer als normaal verpacht en gecollecteerd.

De poging van mr. Van Cooth om ten behoeve van enkele tiendheffers, waaronder Herm. Geurt Elemans, schadeloosstelling te krijgen had enig succes, want de commissaris van het departementale bestuur droeg de rechtbank van Ravenstein op een minnelijke schikking te treffen. Op 21 september 1802 moesten 25 ingezetenen van Huisseling, die de tiendheffers nog niet tegemoet waren gekomen, voor deze rechtbank verschijnen. Slechts 5 personen waren bereid om aan Elemans 4,05 gulden per morgen land te voldoen.28 Herm Geurt Elemans was grootgrondbezitter. In 1812 had Manus, zoals hij ook werd genoemd, 29 morgen land in Huisseling29. Eén morgen (in deze streek meestal ‘mergen’ genoemd) = 6 hond ofwel 0,84 hectare.

Tot omstreeks 1900 is in Huisseling de graantiend in gebruik gebleven. Als een boer zijn koren had gemaaid, opgebonden en op schoven (hokken) had gezet mocht hij de schoven niet van het land halen voordat ‘de tiender’ was geweest. Deze telde op ieder perceel van oost naar west de hokken en plaatste op elk 12e en 25e een wilgentak. De gemerkte hokken waren voor de tiender (8% van de opbrengst). Hij haalde deze zelf van het land. Er waren op dat moment in Huisseling vier verschillende tienden, die ieder hun eigen gebied bestreken, ook wel scheuten genoemd. Op sommige percelen graanland rustte ook nog de last van de keurvim, een kerkelijke belasting om de kosterij te onderhouden. De koster mocht van deze percelen de beste honderd garven graan uitzoeken. In Huisseling kende men ook nog lange tijd een krijt- of bloedtiende voor varkens. Voor iedere big van 5 weken moest men 25 cent betalen. Soms liep de grens van een tiend tussen huis en schuur door, waarbij tegen de komst van de tiender de zeug met biggen werd verhuisd om de heffing te ontlopen.30

Met de inwerkingtreding van de Tiendwet in 1909 verviel in Nederland de tiendplicht. De gerechtigden van de tiendheffing werden door de regering schadeloos gesteld; de tiendplichtingen werden door de regering belast met een dertigjarige rente op hun grond, de tiendrente, die moest worden afgedragen aan de Staat.

De organisatie van het bestuur en de rechtspraak
De heer van het Land had als soeverein vorst de hoogste wetgevende, bestuurlijke en rechterlijke macht in het Land van Ravenstein. Hij benoemde zelf de bestuursbeambten. De magistraten (schepenen etc.) benoemde hij op voordracht van de landdrost. De landdrost (drost/drossaard) trad als plaatsvervanger van de heer op. In zijn naam vaardigde hij verordeningen uit. Hij benoemde schepenen en burgemeesters. De verordeningen van de dorpen en de plaatselijke jaarrekeningen moesten aan hem ter goedkeuring worden voorgelegd. Alle verzoekschriften aan de landsheer moesten via hem lopen. Tevens was hij oppervoogd van alle weduwen en wezen in het land. De drost trad op in strafzaken, waarop de doodstraf, zware lijfstraffen of hoge boetes stonden.

Het kasteel te Ravenstein, de woning van de Landdrost.

De scholtis (schout) was het hoofd van de regering, hij spande de bank (rechtbank) en vorderde recht voor zaken die niet onder de drost vielen. Hij was president van de schepenbank. In het Maasland trad hij tevens op als dijkgraaf samen met de heemraden, die tevens schepen waren. De schout legde het vonnis ten uitvoer, dat door schepenen was gewezen. De advocaatfiscaal was de openbare aanklager. Voor de aangeklaagde trad een exculpator (vrijpleiter) op. Tot de hogere ambtenaren behoorden ook de landschrijver (secretaris) en de rentmeester. De laatste was de beheerder van de domeinen, o.a. belast met de inning van de opbrengsten uit de heerlijke rechten en de betaling van de schulden van de heer.

Een kopie van de oude Landcharter der rechten ende statuten des Landts van Ravenstein (grondwet) is via het contactformulier op te vragen!

Schepenbanken
Een schepenbank bestond uit zeven schepenen. Aanvankelijk waren er in het Land van Ravenstein vier schepenbanken. De schepenbank van Ravenstein bezat de hoge rechtsmacht, dat wil zeggen dat alleen deze bank, die ook wel hoge vierschaar werd genoemd, de criminele jurisdictie over het land had. Een vonnis werd pas van kracht na goedkeuring door de landsheer. In strafzaken werd de bank gespannen voor vijf schepenen van Ravenstein en twee van het schependom waar de beklaagde vandaan kwam. De overige drie banken bezaten de middelbare en lage rechtsmacht. Zij mochten geen strafzaken behandelen, maar wel de boeteheffing voor overtreding van allerlei verordeningen in de civiele en criminele sfeer (het breukengericht).

De Dingebank te Herpen, de schepenbank voor Herpen, Schaijk en de vijf Maasdorpen. Bron: Herpen in woord en beeld

De dingbank van Herpen was er voor Herpen, Schaijk en de vijf Maasdorpen, waaronder dus Huisseling. Herpen leverde twee schepenen, Schaijk twee en de Maasdorpen samen drie schepenen (volgens peiljaar 1760). Meestal werd wel iemand uit Huisseling tot de schepenstoel geroepen. Het Heikantsgericht was er voor Uden, Zeeland en Boekel. Velp had een eigen schepenbank samen met Reek, maar die bank werd in 1768 samengevoegd met die van Herpen en Maasland en zo ontstond het Maaskantsgericht.

Het schependomzegel van Herpen, dat ook door Huisseling werd gebruikt. Bron: Herpen in woord en beeld.

Vrijwillige rechtspraak
Naast de civiele en de criminele rechtspraak waren de schepenbanken bevoegd tot de zogenaamde vrijwillige rechtspraak. Deze vormde een groot deel van hun werk en is te vergelijken met het werk van een hedendaagse notaris. Men kon allerlei aktes laten passeren, zoals overdrachten van onroerend goed, schuldbekentenissen, openbare verkopen, testamenten, boedelscheidingen, huwelijksvoorwaarden en volmachten. Betrof het zaken die personen en/of goederen uit de Maasdorpen betroffen, dan werden die in het algemeen gepasseerd voor schepenen afkomstig uit het eigen gebied, die dan zitting hielden in
Ravenstein. Dat was het Maaslandsgericht. Normaal waren bij civiele en vrijwillige zaken twee schepenen aanwezig. De schepenen moesten zweren, dat zij de landsheer ‘holt en trouw’ zullen zijn, zijn soevereine rechten handhaven, persoonlijk op de gerichtsdagen verschijnen, naar beste kennis en wetenschap rechtspreken, geheimhouden van de raadsbeslagingen van rechtszaken enzovoorts. Schepenen en borgemeesters dienden voldoende gegoed te zijn. Het laat zich raden dat in Huisseling deze magistraten uit een beperkt aantal families voortkwamen. In 1538 wordt Claas Cocken als schepen vermeld. Tot aan het Franse Keizerrijk bleef de familie Kocken schepenenleverancier. Vanaf 1710 komen ook regelmatig leden van de families Van Aar, Van den Bergh, Van den Bogaard en Elemans op de schepenstoel en/of worden borgemeester. De genoemde families zijn sterk met elkaar verwant. De ‘richterbode’ was de bode van schout en schepenen. Hij is te vergelijken met de hedendaagse deurwaarder.

Het dorpsbestuur van Huisseling
Het dorpsbestuur werd corpus genoemd. Het bestond uit de schepen(en) van het dorp, de burgemeesters (borgemeesters), de arm- en kerkmeesters en de gezworenen (naburen). De pastoor had een adviserende functie. Hij werd onder meer geraadpleegd bij de voordracht van nieuwe schepenen (tot 1651), had invloed bij het benoemen van de arm- en kerkmeesters en was aanwezig bij het afhoren van hun rekeningen. Men kan wel zeggen dat de pastoor veel invloed had. Welke functionaris in Huisseling het corpus voorzat is niet duidelijk; wel is het zo dat de beslissingen van het corpus altijd de bekrachtiging van de drost nodig hadden.

De burgemeesters
Huisseling benoemde steeds twee burgemeesters. Zij werden slechts voor één jaar aangesteld, maar een enkele keer kwam het voor dat er nog eens een beroep op hen werd gedaan. Bijvoorbeeld Lamert Wilberts was burgemeester in 1708 en 1711. De benoeming mocht men niet weigeren. Zij waren verantwoordelijk voor de dorpsfinanciën en stonden persoonlijk borg voor een tekort. Daarom werden zij ook wel borgemeester genoemd, een eervol ambt maar toch niet erg geliefd. Het is logisch dat men de burgemeesters onder de meer gegoeden van het dorp zocht. Het burgemeestersinkomen bestond uit 5% van de schattingen, die werden berekend over het morgental. Volgens oud gebruik vorderde zij in langs de huizen, maar vanaf 1801 werd dag en plaats aangewezen. Naast de functie van dorpsontvanger waren allerlei dorpsbelangen aan hem toevertrouwd. Hij deed verzoekschriften namens het dorp uit naar de drost, trad op als executeur bij betalingsachterstanden enz. Hij moest zelfs schapen, die ongeoorloofd op de gemeenteweiden graasden, schutten. Zoals we zagen werd in de Franse tijd het gemeentebestuur gereorganiseerd. Vanaf 1811 stond voortaan een burgemeester ‘nieuwe stijl’ aan het hoofd van een gemeente.

Overzicht van Huisselingse/Neerloonse burgemeesters:
– Marcelus van Aar 1811-1812
– Jacques Bruijsten 1812-1828
– Jan Wouter Kocken 1828-1862
– Johannes Wilhelmus van Asten 1862-1868
– Gerardus van den Oever 1868-1907
– Albertus van de Wiel 1907-1923
Ná 1923 kwam Huisseling onder de nieuwe gemeente Ravenstein:
– Frans Caners 1923-1939
– Jan Hoefnagel 1939-1958
– Janus Arts (waarnemend) 1958
– Henri van Weegen 1958-1969
– Jacques Bonnier 1969-1982
– Koos Combée 1983-1994
– W.M. de Laat (waarnemend) 1994
– Anette van Delft 1994-2000
– Ies Keijzer (waarnemend) 2000-2002

Achterzijde van de briefkaart door burgemeester Van de Wiel verstuurd aan ritmeester Van de Poll te Amersfoort


De kerk- en armmeesters
Zij waren kerkelijke functionarissen. Normaal waren er twee kerkmeesters en twee armmeesters. In kleine dorpen was maar één armmeester. Hun werk was gratis en om Godswil (pro Deo). De taak van de kerkmeester was het beheer van de kerkelijke goederen en die van de armmeester was het beheer van het armenfonds. Jaarlijks moesten zij rekening en verantwoording afleggen, welke ook naar de landdrost gezonden moest worden.

Borgstelling
De Landkaart (wetten) van het Land van Ravenstein voorzag vanaf 1691 in een vestigingsregeling van personen die verhuisden naar een andere parochie. De armenkas van een parochie diende gereserveerd te blijven voor ‘ingeborenen’. Als men een verblijfsvergunning wilde hebben moest een borgbrief worden overlegd van het armenfonds van de parochie van herkomst. In geval de nieuwe inwoner tot armoede zou vervallen, kon diens financiële ondersteuning verhaald worden op dat ‘uitheemse’ armenfonds. Had men geen borgbrief dan moest een particulier borg staan of de nieuwkomer moest voldoende gegoed zijn. De borgtochtsom was 500 gulden. In de maasdorpen werd in 1714 met terugwerkende kracht een lijst opgesteld van de nieuwkomers in de betreffende parochies. Zij werden onderworpen aan het oordeel van de landdrost, de schepenen aan Maasland, de regerende- en oud-borgemeesters, de arm- en kerkmeesters en de gezworenen (veredens). Op de lijst van Huisseling stonden 16 personen, van wie enkele al 20 jaar of langer in dat dorp woonden. Zij waren afkomstig van Ravenstein, Dennenburg, Demen, Schaijk, Reek, Herpen, Overlangel, Neerloon, Zeeland, Niftrik, Erp en Gassel. Minstens negen van hen waren met een Huisselingse vrouw getrouwd. In de jaren 1715-1721 kwamen 6 personen van elders in Huisseling wonen. Niet allen kregen gemakkelijk een verblijfsvergunning. Bijvoorbeeld Jan Willems uit Herpen had pas na een jaar of zes zijn familie bereid gevonden om voor 500 gulden borg te staan, maar de veredens vonden dat niet voldoende. Mogelijk hadden ze iets tegen hem. Waarschijnlijk is hij toch toegelaten, want in 1725 woonde hij nog steeds in Huisseling. Slechts één man werd uitgewezen.31

De naburen
De naburen werden ook wel gezworenen, veredens of gemeintsmannen genoemd. Zij waren de gegoede en wijze mannen van het dorp, die op dat moment geen officiële functie hadden. Van oudsher werd vooral hun advies gevraagd voor beslissingen over de gemene gronden.

Het vredegerecht
Na inlijving bij het Franse Keizerrijk in 1811 werden de schepenbanken opgeheven. Voor de lagere rechtspraak kwam hiervoor het vredegerecht in de plaats. De rechtspraak vond plaats volgens de Franse wetgeving. Ook het kanton Ravenstein had een vredegerecht. Een vrederechter was een alleensprekende rechter, die snel oordeelde over kleine zaken, die dicht bij de burger stonden. Hij werd geassisteerd door een griffier. Zijn belangrijkste taak was te proberen tot een schikking tussen partijen te komen. Verder sprak hij recht in zaken betreffende roerende zaken tot 100 francs, landbouw, arbeidsovereenkomsten, beledigingen etc. Daarnaast trad hij op in allerlei familiezaken, zoals benoeming van curatoren en voogden en het opmaken van aktes van bekendheid. Voor civiele zaken kon men in beroep gaan bij de rechtbank van eerste aanleg. Het vredegerecht is het beste te vergelijken met het latere kantongerecht. Vanaf de reorganisatie van de rechterlijke macht in 1838 werden de oude rechtbanken vervangen door kantongerechten, arrondissementsrechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. De gemeente Huisseling en Neerloon viel toen onder het kanton Oss.

Het recht van ingebod
De Bossche schepenbank verwierf al kort na de stichting van de stad Ravenstein het recht van ingebod. Dit hield in dat zij ook buiten de stad woonachtige en in gebreke zijnde partijen, konden gelasten zich daarvoor in Den Bosch te komen verantwoorden. In de costumen wordt met name genoemd dat dit recht ook gold voor het Land van Ravenstein, Herpen en Uden. Hertog Jan III van Brabant spreekt zich in 1328 naar aanleiding van een geschil met het Land van Herpen als volgt hierover uit: sedert onheuglijke tijden is aangenomen dat alle overeenkomsten, voorwaarden, beloften en contracten, die voor schepenen in ’s-Hertogenbosch zijn gemaakt, daar en niet elders ten uitvoer gelegd moeten worden. Dit was een van de middelen waarmee ‘Den Bosch’ namens Brabant grip op het noordoosten van Brabant wilde houden. Dat waren immers strategisch belangrijke gebieden, denk aan de oorlogen met de Geldersen en bovendien was de streek belangrijk voor de waterhuishouding van het Maasgebied.

De ingezetenen van het Land konden zich moeilijk onderwerpen aan dit recht van ingebod. Tot handhaving van het recht kwamen bijvoorbeeld in 1544 de Bossche schout en schepenen en de dekens van de gilden met de schutters naar Herpen en voerden enkele querulanten naar Den Bosch om ze op te sluiten in de gevangenpoort. De Drost van Ravenstein wist hen, met de hulp van de regering te Brussel, vrij te krijgen. Verschillende Kleefse heren van Ravenstein hebben – tevergeefs – geprobeerd over dit ingebod tot een regeling met Den Bosch te komen. De Raad van Brabant vonniste bijvoorbeeld op 25 mei 1537 namens keizer Karel V, dat Den Bosch in haar recht van ingebod bleef gehandhaafd.9

Ingebod was onder meer mogelijk bij achterstalligheid van betaling van erfcijnsen, renten en pachten, waarvan de overdracht voor Bossche schepenen was gepasseerd. In het zogenaamde Bosch’ Protocol komen veel van dergelijke transacties voor uit onderpanden gelegen in het Land van Ravenstein. Dat de landsheren regelmatig besloten rogge, verkregen uit de erfpachten, te verkopen aan particulieren buiten het Land blijkt wel uit de Bossche protocollen. Een voorbeeld is een erfpacht van 150 mud rogge per jaar, die Philips van Kleef verkocht aan ingezetenen van ’s-Hertogenbosch op 16 januari 1524. De rogge moest rond Lichtmis in Den Bosch geleverd worden en ging uit alle onroerende goederen van de heer, gelegen te Ravenstein, Herpen, Velp, Huisseling (Huesselinghe), Langel, Deursen, Dennenburg, Demen en Uden.10

Bronverwijzing
9 C.R. Hermans Charters deel I nr.78.
10 Bosch’protocol inv.nr.1300 f 277; zie ook Hermans charters I nr.72.
22 Archief Leenhof van Ravenstein inv.nr. 1 en 2.
23 Archief Leenhof Land van Ravenstein inv.nr. 1 en 2. C.R. Hermans charters I blz. 631-643.
24 Gerechtelijk archief Ravenstein: inv.nr.102 f 107v d.d. 28-03-1774; inv.nr.119 f 274-275 d.d. 02 en 03-06-1797; inv.nr.103 f 85-86 d.d. 06-12-1802.
25 C.R. Hermans charter nr.61a.
26 Gerechtelijk archief Ravenstein vesten en gewinnen inv.nr.120 f 81 d.d. 29-04-1541.
27 C.R. Hermans Charters II nr.537.
28 Gerechtelijk archief Ravenstein civiele processtukken inv.nr.26.
29 Oud dorpsarchief van Huisseling: omslag kosten veldwacht.
30 Jan Elemans: Woord en wereld van de boer.
31 Brabantse Leeuw 1997: L.F.W. Adriaenssen: Borgstellingen in de Maaslanddorpen 1714-1721.

Het bhic heeft op haar website eveneens een uiteenzetting gegeven van het bestuur en rechtspraak in Huisseling, verdeeld in 4 perioden:
Bestuur en rechtspraak Huisseling en Neerloon 1572-1795
Bestuur en rechtspraak Huisseling en Neerloon 1795-1814
Bestuur en rechtspraak Huisseling en Neerloon 1811-1900
Bestuur en rechtspraak Huisseling en Neerloon 1900-nu

naar boven

 

Verkiezing raadslid
Hieronder volgen een paar scans die betrekking hebben op het kiezen van een nieuw gemeenteraadslid in Huisseling. Als voorbeeld is gekozen voor die van W.H. Elemans in 1915. Deze (en meer) formulieren, bevinden zich in het gemeentearchief van Huisseling.

Stembriefje met gemeentestempel van Huisseling-Neerloon


Kandidatenlijst


Aantekening Proces Verbaal


Kennisgeving benoeming


Verklaring


Verklaring

naar boven