Geschiedenis

Korte samenvatting van de Huisselingse geschiedenis

Algemene geschiedenis

De tijd onder het Land van Herpen

De tijd onder het Land van Ravenstein

De Franse tijd 1794-1813

De geschiedenis van Huisseling tussen 1814-1940

Van de Huisselingse Heide

De Tweede Wereldoorlog

Het dagboek van Dora Coenen

Onderduikers en evacués in Huisseling

Ongelukje

 

Korte samenvatting van de Huisselingse geschiedenis
Te gebruiken in publicaties:
Huisseling spreek je altijd uit als “Huusseling”! (zie ook Huissen = Huussen)
Zo rond 1205 treffen we voor het eerst de naam ‘Huseniggen’ aan en in 1358 ‘Hueselingen’. In 1365 duikt eenmalig de naam ‘Husewygen’ op. Rond 1500 komt – naast de schrijfwijze Huesselingen – ook ‘Huijsseling(he)’ in zwang. Huseniggen wordt vermeld op een lijst van bezittingen van de abdij van Berne, daterende uit het eerste kwart van de 13e eeuw. Het jaartal 783 of 815 moet zo snel mogelijk vergeten worden! Deze berust op een foutieve vertaling, waarin Huusele = Honsete en Harpina = Herpt gelezen moet worden!

Over de betekenis van de plaatsnaam zijn meerdere verklaringen: “de woonplaats van de stam van Huso” is de traditionele verklaring. Volgens C. Hermans, die uitgaat van de vorm Heuseling, dat hij terugbrengt tot Heusening, zou het: “de ing of beemd van Heussen” kunnen zijn. Heussen is dan een Nederlandse eigennaam. De ‘-ing’ namen stammen uit de vroege Middeleeuwen (tussen de 6e en 10e eeuw). “Een bewoonde plaats tussen de weiden”, wellicht?

Een nuchtere kijk op de geologische geschiedenis van Huisseling leert ons dat langs de oude Maasmeander ‘De Meerkes’ twee nederzettingen moeten zijn ontstaan. Ten zuidwesten van deze meander ontstond het gehucht Heuveleind, waarvan de Heuvel het centrale punt was. De nabijgelegen Onderstal werd gebruikt als gemeenschappelijke grond, waar ’s nachts het vee werd verzameld. Hier vlakbij stond ook Huis Ringelenberg, waar nog mensen van adel woonden. Het Heuveleind was van oudsher veel op Herpen gericht.

Ten noordoosten van deze meander ontstond het eigenlijke Huisseling, waar zich in de middeleeuwen al een kleine tufstenen kerk bevond. Deze kerk werd samen met 29 huizen in 1621 afgebroken om de vesting Ravenstein vrij schootsveld te geven. Alle bouwmaterialen werden via de Lange Del naar het Heuveleind, dat toen alreeds lang met Huisseling was verenigd, vervoerd. Na enkele jaren werd ‘Den Achterhof’ aangekocht om een nieuwe kerk te bouwen. Deze werd in 1853 vergroot. In 1911 werd de oude kerk afgebroken en op dezelfde locatie de huidige kerk gebouwd.
Eeuwen later kon men nog steeds een verschil waarnemen in het dialect van ‘die van deze of gene zijde van het bruggetje in de Kolkse wetering’.

Huisseling is de bakermat van Interpolis en de start van de Boerenleenbank (het huidige Rabobank) en de NCB (het huidige ZLTO) nam vooral in ons dorp een enorme vlucht.

 

Algemene geschiedenis
Inleiding
De eerste schriftelijke bronnen die iets specifieks over de geschiedenis van Huisseling vertellen, dateren uit de 14e eeuw toen de Huisselingers grondbezit en een begin van zelfbestuur kregen. In het eerste deel van dit hoofdstuk wordt getracht een tijdsbeeld te schetsen van deze vroegste periode globaal toegespitst op het rivierengebied, waarvan ook Huisseling deel is gaan uitmaken. Het middendeel van dit hoofdstuk beschrijft de periode dat Huisseling tot het Land van Herpen, later Land van Ravenstein, behoorde. Het land kende in deze periode een autonome ontwikkeling onder Bourgondische en Duitse heren met een wat andere geschiedenis dan de Nederlanden. Er is bijvoorbeeld altijd godsdienstvrijheid geweest. Vervolgens de roerige Franse tijd van 1794 tot 1814, toen Ravenstein zijn zelfstandigheid verloor. Het laatste deel is gewijd aan de tijd na overdracht van het Land van Ravenstein aan het Koninkrijk der Nederlanden in 1814. Aparte onderdelen zijn ‘de heerlijke rechten en de organisatie van het bestuur en de rechtspraak’ en de geschiedenis van het aloude adellijk huis de Ringelenburg.

Ten tijde van de geloofsbekering
Van Huseniggen tot Huisseling
Er is lang gedacht dat de oudste vermelding van Huisseling voorkwam in een schriftelijke bron van 783 of 815. Hermans vermeldt in ‘Charters en geschiedkundige berigten betrekkelijk het Land van Ravenstein’ dat ‘Huusele super fluivio Mosa’ mogelijk op Huisseling zou kunnen slaan. Dit is echter achterhaald, want dat Huusele heeft nooit bestaan. Het blijkt niet om ‘Huusele’ te gaan maar om ‘Hunsete’ (Hoenzadriel). Door foutieve overnames in het verleden maakte men van Hunsete eerst Hunsele en is Hunsele later verworden tot Huusele.1 Circa 1205 treffen we de naam ‘Huseniggen’ aan. De daarop volgende vermelding dateert van 1331. In een oorkonde uit het graafschap Megen betreffende de sluis te Haren wordt het dorp dan ‘Huseninghen’ genoemd. In 1365 duikt eenmalig de naam ‘Husewygen’ (Wych/wieg = veilige plaats = Wijchen) op.2 Na 1331 worden de vermeldingen frequenter, met allerlei varianten van ‘Huesselingen, Huysselingen, Husselingh, Huijsling etc. Vanaf 1813 wordt bijna uitsluitend de huidige naam ‘Huisseling’ aangetroffen.
Een fragment van de lijst van bezittingen van de abdij van Berne in het Latijn. Vertaald: …[en de bezittingen] welke de abdij heeft in Huseniggen en Nifterihc en omliggende dorpen…

De eerste schriftelijke bron
Huseniggen wordt vermeld op een lijst van bezittingen van de abdij van Berne, daterende uit het eerste kwart van de 13e eeuw. De naam van de schenker en de datum van overdracht worden niet vermeld. Uit het ‘Bosch protocol’ van 1399 en 1448 blijkt dat de abdij inderdaad land bezat in Huisseling in de omgeving van het Gheynselaer (de Gèènzers) en het land van de kerk van Huisseling. Een latere vermelding dan 1448 is niet aangetroffen, zodat mogelijk dit land, na een pauselijke toestemming uit het jaar 1466, samen met andere bezittingen in het Land van Herpen is verkocht.3
Dat Huisseling zeer oud is blijkt wel uit de naam. Volgens D.P. Blok stammen de ‘–ingen’ namen uit de vroege middeleeuwen (tussen de 6e en de 10e eeuw). Over de betekenis is geen zekerheid. Veel Germaanse plaatsnamen werden gevormd uit inwonernamen gevolgd door het achtervoegsel ‘–ing(en)’. De naam Huisseling wordt daarom wel uitgelegd als ‘(woonplaats van) de verwanten of dienaren van de persoon Huso of Husino’.4 Huso zou dan een Frankisch stamhoofd geweest zijn. Andere onderzoekers zijn geneigd om meer uit te gaan van de geografische gesteldheid van de woonplek. C.R. Hermans geeft aan ‘ing’ de betekenis van beemd . Hij gaat uit van een oude vorm ‘Heusening’, die hij afgeleid zal hebben van ‘Huseniggen/ Huseninghen’, en verklaart deze als ‘de beemd(en) van de persoon Heusen (Huso)’. Heus betekent ook hoffelijk. Hiervan uitgaande zou men kunnen denken aan ‘de beemden horende bij een hof(stad)’.

De Frankische kolonisering
Hoe moeten we ons dat begin voorstellen? Zoals we eerder zagen waren de Frankische stammen vanaf de 6e eeuw op zoek naar een geschikte vaste woonplaats. Het binnenland van het toenmalige Toxandrië was nog één wildernis, nagenoeg onbegaanbaar, zodat de zoektocht met schuiten zal zijn gedaan. Zo kwamen ze onder leiding van hun stamhoofd afzakken via grote en kleinere rivieren waar ook de eerste nederzettingen te vinden zijn. Men kan aannemen dat ook de eerste Huisselingers over de Maas zijn komen aanvaren en hier een geschikte woonplek vonden. Een woonplek moest voldoende hoog liggen, zodat deze in het natte seizoen niet onder zou lopen. Ze moesten er wat akkers kunnen aanleggen, vee laten grazen en er moest geriefhout voorhanden zijn en wild. De rivier verschafte hun vis en was onmisbaar voor het contact met de buitenwereld. Al waren de kersverse boeren grotendeels zelfverzorgend, enige (ruil)handel was onontbeerlijk.

Men bouwde een eenvoudige woning ‘sele’(zaal), later uitgebreid rond een ‘plaats’ of ‘heuvel’, waarop het vee gestald kon worden. Als deze te klein werd zocht men ergens anders uitbreiding. Men treft vaak – ook in Huisseling – de naam ‘onderstal’ aan, omdat deze lager lag dan de ‘heuvel’. De gang van zaken met het vee in het seizoen was als volgt: ‘s morgens naar de ‘woestenij’ om te worden geweid, ’s avonds naar de heuvel of onderstal om te worden gemolken en gedrenkt en ’s nachts naar de potstal voor verzameling van de mest. Verondersteld wordt dat de eerste Huisselingers zich vestigden op een stroomrug nabij de huidige Schaafdries, waar het oudst bekende kerkje van Huisseling heeft gestaan, ongeveer op de kruising van de huidige Grotestraat en Dorpenweg.

Het is niet te zeggen wanneer de Franken zich hier vestigden, mogelijk was dat al in de 7e eeuw. De omgeving zal beslist al ooit bewoond zijn geweest, gezien oudere archeologische vondsten. Misschien dat de Franken hier en daar nog op vroegere bewoners stuitten, die dan mogelijk door hen geknecht werden en zich wel vermengd zullen hebben.5 De Franken hingen toen nog hun eigen goden aan en werden door de christenen als heidenen beschouwd. Ze zullen niet zonder slag of stoot de godsdienst van hun voorvaderen hebben afgezworen. Toen ze uiteindelijk gekerstend waren zullen ze, waarschijnlijk op de plek waar hun offerplaats stond, een eenvoudig houten kerkje hebben gebouwd. De kerstening van Toxandrië nam een aanvang onder Sint Lambertus, bisschop van Maastricht †705, in eerste instantie zonder veel resultaat. Vele parochies in het Maasland zijn aan hem toegewijd.
Volgens zijn levensbeschrijver trof Lambertus een woeste streek aan met struikgewas en moerassen bedekt en met een barbaarse bevolking, die niet in dorpen woonden, maar in verspreide en schamele gehuchten. Zij hadden tempels waarin zij, om hun goden te dienen, vaak van alle kanten bijeenkwamen. Pas onder Sint Willibrord werd in de 8e eeuw de kerstening langzaam van zuid naar noord uitgebreid.

Het wapen van Herpen.

De tijd onder het Land van Herpen
De heren van Herpen
Over de geschiedenis van het Land van Herpen, later Land van Ravenstein genoemd, is al veel geschreven. We ontkomen er niet aan om in dit boek een beschrijving op te nemen omdat de
geschiedenis van het Land deels ook de geschiedenis van Huisseling is. Herpen was oudtijds een allodium (eigen vrij goed) van de heren van Rhenen. Godfried van Aarschot, heer van Rhenen (1105-1156) had bezittingen in Brabant, waaronder waarschijnlijk ook Herpen viel. Zijn kleindochter Sophia erfde Herpen van haar vader Dirk van Rhenen. Erfdochter Sophia trouwde circa 1160 met Hendrik II van Cuijk, ridder, stadsgraaf van Utrecht, voogd van de Sint Jan te Utrecht en kruisvader (1189-190). Het huwelijk had tot gevolg dat het Land van Herpen in bezit kwam van de heren van Cuijk. In 1191 droeg Hendrik II namens zijn vrouw Sophia van Rhenen (van Herpen) het Land van Herpen op aan Hendrik van Lotharingen, hertog van Brabant, onder beding dat het steeds een vrouwelijk leen zou blijven, waarover bij gebrek aan nakomelingen beschikt kon worden.
Hendrik II van Cuijk kreeg Herpen weer in leen van de hertog en zo werd hij dus zijn leenman. Het Land is vanaf dat jaar een Brabants leen. Dit had verschillende gevolgen, wat we later zullen zien.

Het huis Valkenburg
De laatste heer van Herpen van het Cuijkse huis was Rutger, die rond 1324 overleed. Zijn dochter Maria (ook Marina genoemd) was erfgename van Herpen. Zij trouwde in circa 1324 met Jan van Valkenburg, heer van Heerlen, Borne en Sittard. Op Catharinenavond (24 november) 1332 gaf Jan van Valkenburg ‘de alinge heide’ ofwel de woeste gronden van de parochies in de Maaskant, waaronder Huisseling, aan de bewoners in erfpacht. Uit het huwelijk van Jan en Maria werd Walraven geboren. Na overlijden van zijn moeder erfde hij het Land van Herpen, maar wegens zijn minderjarigheid bleef zijn vader het Land nog besturen. Omstreeks het jaar 1345 wordt Walraven van Valkenburg als heer van Herpen vermeld. Hij is dan meerderjarig.

Het oude wapen van Ravenstein. Een raaf met gespreide vleugels, die over zijn schouder kijkt.


De Huisselingers krijgen grondbezit
Het jaar 1349 was een belangrijk jaar voor Huisseling. Op Paulus Bekering (25 januari) 1349 ontslaat Walraven van Valkenburg de ingezetenen van Huisseling van de jaarlijkse erfpacht van 25 malder haver en tweemaal 25 hoenderen, die zij uit de ‘heyde en vennen’ sinds 1332 verschuldigd waren. Hij verkoopt hun tevens deze gronden om ze in particuliere erven te verdelen. De hertog van Brabant was al eerder begonnen met het uitgeven van gemeentegrond, dus kon Walraven als leenman niet achterblijven. De kooppenningen beliepen ‘4 grooten payements’ en een jaarlijkse erfcijns van 12 kleine penningen voor elke bunder, op Sint Lambertusdag te betalen. Deze cijns was een soort grondbelasting. De naburen van Huisseling werden verplicht om op deze gemeentegronden een schutter aan te stellen.
De schutter was verantwoordelijk erop toe te zien, dat er geen vee op andermans erf werd geweid. In voorkomend geval moest hij dat vee opsluiten in een schutskooi, totdat de eigenaar de boete had betaald. Ook moesten zij ‘steegen en straaten’ (veldwegen) aanleggen, zodat de gebruikers hun erven konden bereiken. Deze gemeentegronden mochten alleen binnen het Land van Herpen en Neerloon verkocht of verpacht worden.6

De uitgifte van gemeentegronden wordt in het algemeen gezien als een begin van een vorm van zelfbestuur van de gemeente! Voor die tijd was niet alleen het onroerend goed eigendom van de heer (of van een geestelijke instelling), maar waren de onvrije boeren ook persoonlijk gebonden aan de heer.7 De ‘heerlijke’ goederen van Huisseling kan men vinden in het Maaslandse cijns- en erfpachtboek dat vanaf 1691 bewaard is gebleven.

Het wapen van Kleef, waartoe het Land van Ravenstein behoorde.

De tijd onder het Land van Ravenstein
Een nieuw kasteel aan de Maas
Walraven begon in 1360 of mogelijk al eerder met de afbraak van zijn kasteel in Herpen om het vervolgens weer op te bouwen in Langel. Hij vond deze plek aan de Maas geschikter voor de verdediging van zijn heerlijkheid en hij kon er tol heffen op de Maas, want hij had geld nodig. Walraven was leenplichtig aan de hertog van Brabant, dat was toen hertogin Johanna, die het met deze handelwijze helemaal niet eens was. De hertogin eiste dat het kasteel in Langel weer afgebroken zou worden en dat in Herpen weer zou worden opgebouwd. Dat was immers in leen gehouden van Brabant en een zogenaamd open huis van de hertog. In 1365 beslisten 12 gezworenen dat het open huis van Herpen weer opgebouwd moest worden, maar ook dat het kasteel te Langel niet afgebroken hoefde te worden. Walraven heeft echter het kasteel van Herpen nooit meer opgebouwd.

Hij noemde het nieuwe kasteel ‘Ravenstein’. Bij het kasteel ontstond een nederzetting, die al in 1380 stadsrechten kreeg van Walravens halfbroer Reinoud. Het stadje ging men ook Ravenstein noemen.
De naam van het Land veranderde geleidelijk aan in Land van Ravenstein, ook wel Heerlijkheid Ravenstein. Ook de oude naam ‘Land van Herpen’ bleef nog lang in zwang, vooral in Den Bosch. In het Bossche schepenregister wordt tot 1480 meestal nog gesproken van ‘Land van Herpen’, terwijl de titels ‘heer van Herpen’ en ‘heer van Ravenstein’ nog door elkaar worden gebruikt. Reinoud was in 1378 Walraven als heer van Ravenstein opgevolgd. Toen Reinoud in 1396 kinderloos stierf betekende dat het einde van het huis Valkenburg. Reinoud was getrouwd met Elisabeth, dochter van graaf Adolf van Kleef.

Zie ook het filmpje dat Rik van den Broek heeft gemaakt: De geschiedenis van Ravenstein

(In 1349 wordt in een frans boek gesproken over ‘Maria, dame van Ravesteyn’. Mogelijk werd de kasteelse poort, dat reeds vòòr de stichting van Ravenstein al bewoond werd door de familie Van Valkenburg, ‘Ravenstein’ genoemd. De kasteelse poort was mogelijk ten tijde van de Heerlijkheid Langel al een voornaam gebouw).

Het wapen van Kleef, dat ook als wapen voor het Land van Ravenstein werd gebruikt.


De zes hertogen uit het huis Kleef-Mark

De pandheren van Kleef
Elisabeth van Kleef kreeg de heerlijkheid Ravenstein in vruchtgebruik. Tijdens haar leven kwam het Land onder bestuur van verschillende pandheren. Deze situatie duurde tot 1444 toen Adolf van Kleef, graaf van der Marck, het vruchtgebruik kreeg over het Land van Ravenstein. Vanaf dat jaar werd ook Uden als een Brabants leen beschouwd. Adolf overleed in 1448. In 1450 werd er een erfdeling gemaakt, waarbij Ravenstein aan zijn zoon Adolf werd toebedeeld. Het Land bleef tot 1609 Kleefs gebied. De laatste heer van het Kleefse huis was Johan Wilhelm van Kleef, die in 1609 kinderloos stierf.

De Zwanenburg te Kleef. Hét bestuurscentrum van Kleef en dus ook van Ravenstein


Na het overlijden van Philips van Kleef (Philips van Ravenstein) in 1528 ontstonden er problemen rond zijn nalatenschap. Hij benoemde zijn neef Willem van Kleef tot zijn erfgenaam. Philips wilde het Land overdragen aan Karel V, mits Karel Philips erfgenaam Willem binnen twee jaar na zijn dood schadeloos zou stellen. Karel verzuimde dat en dat had grote gevolgen voor het Land van Ravenstein.
Was het Land aan Karel gekomen dan zou Ravenstein in 1648 bijna zeker net als Cuijk onder Staats Brabant zijn gekomen. Ook Den Bosch drong sterk aan op vereniging van Ravenstein met Brabant en had de stad en het kasteel van Ravenstein in 1531 alvast bezet. In 1533 werd geaccordeerd dat Ravenstein Kleefs zou blijven onder voorwaarde dat het een Brabants leen bleef.

Op 3 maart van dat jaar gaf Johan van Kleef, vader en voogd van de nog minderjarige Willem, nieuwe landrechten (de zogenaamde ‘Landcaart’) aan het Land van Ravenstein, waarin hij vele oude misstanden rechtzette. De cijnsboeken waren bijvoorbeeld slecht bijgehouden met als gevolg dat veel cijnsgoed als vrij goed verkocht werd, dit tot nadeel van kopers en de landsheer. Binnen 11 dagen diende al die goederen aan de drost te worden opgegeven, zodat ze weer op het cijnsboek gezet konden worden. Ook werd men verplicht om alle huizen en schuren en derdelijke, die zonder toestemming op de gemeint gebouwd waren, af te breken.8

Brandenburg en Neuburg
Het begin van de 17e eeuw was voor het Land van Ravenstein een nogal onrustige tijd. Allereerst vond in 1606 in Ravenstein de grote stadsbrand plaats. Na de dood van Johan Willem begon de strijd om de Ravensteinse erfenis opnieuw. Verschillende Duitse vorsten meenden aanspraak op de erfenis van Kleef te kunnen maken. Om de anderen de wind uit de zeilen te nemen sloten de vorsten van Brandenburg en Neuburg een verbond om voorlopig het Land gezamenlijk te besturen. Zij waren beiden protestants. Het gevolg was dat al in 1611 een predikant in de stad Ravenstein begon te prediken. Maar aartshertog Albert was het hier in het geheel niet mee eens en stuurde een aanmaning naar de landdrost om hier een eind aan te maken met bevel dat wat de godsdienst betreft alles bij het oude zou blijven. Bij het traktaat van Xanten werd Ravenstein in 1614 onder de keurvorst van Brandenburg gesteld.

De verwoesting van de kerk op de Schaafdries
Onder George Wilhelm kwam in 1621 een Staats garnizoen de stad Ravenstein bezetten, wat weer de nodige ellende met zich meebracht. Omdat de Staatsen de vestingwerken verder wilden uitleggen en een vrij schootsveld moesten hebben, moesten 25 huizen in de voorstad worden afgebroken. Ook de Huisselingse kerk en vier huizen op de Schaafdries moesten eraan geloven, waarover in het hoofdstuk Kerkgeschiedenis meer. Onder bescherming van de Staatse bevelhebber meenden de hervormden de afspraken over de godsdienst aan hun laars te kunnen lappen en begonnen weer met de openlijke verkondiging van de nieuwe leer. Dat was in 1622. De kerk van Ravenstein werd in 1627 met geweld van de katholieken afgenomen waarop een beeldenstorm volgde. Door bemoeienis van de bisschop en de hertog van Neuburg werden de hervormden gedwongen de kerk weer terug te geven, wat in december 1627 daadwerkelijk gebeurde. De vervolging was hiermee in Ravenstein ten einde.

Bij verdrag van Düsseldorf van 9 maart 1629 vond een nieuwe verdeling van de erflanden plaats, waarbij Ravenstein aan de hertog van Neuburg werd toegewezen. De uitvoering vond plaats nadat de Staten van Holland in 1631 hieraan hun medewerking gaven. De vestingwerken van Ravenstein werden weer gesloopt en de Staatsen vertrokken in maart 1631 uit het Land. Op 11 juni 1631 kwamen twee commissarissen namens hertog Wolfgang Wilhelm van Neuburg, die zijn residentie in Düsseldorf had, het Land plechtig in bezit nemen. De huldigingen vonden plaats te Ravenstein, Uden en Herpen. Op 17 juni 1631 werd te Herpen namens de ingezetenen van de dorpen van de Maaskant de eed van trouw aan de nieuwe landsheer afgelegd. De erfopvolging was nu voorlopig wel geregeld, maar door de tachtigjarige oorlog was de onrust nog niet voorbij. Er kwam in 1635 weer een Staatse bezetting in Ravenstein en de in 1631 geslechte vestingwerken werden weer opgebouwd. Op 23 juni 1672 vertrok het Staatse garnizoen uit Ravenstein om Grave tegen de Franse troepen te gaan versterken. Drie dagen later kwam Ravenstein met toestemming van koning Lodewijk XIV weer in het bezit van Neuburg. De gehele vesting werd weer ontmanteld.

De pest
Het nabij gelegen Nijmegen zat in augustus 1635 door een samenloop van omstandigheden boordevol mensen. De Staatsen hadden een groot leger gestuurd om de Schenkenschans op de Spanjaarden te heroveren. In hun kielzog kwam de pest de stad binnen, die daar minstens 6000 slachtoffers eiste. Ook in Ravenstein werd in 1635 een Staats garnizoen gelegerd. De pest is er mogelijk op dezelfde wijze binnengekomen als in Nijmegen. Op basis van begraafboeken is het niet onwaarschijnlijk dat 40% van de inwoners in het Land van Ravenstein stierf aan de pest. De meeste slachtoffers vielen in 1636. De pastoors van Dennenburg, Ravenstein en Huisseling overleefden de pest niet. Uit het begraafboek van Deursen weten we dat de Huisselingse pastoor Willem van Itvelt in de vroege dageraad van 24 augustus 1636 dood is gevonden en nog dezelfde dag in Deursen werd begraven. Hij zal vele parochianen op hun sterfbed bijgestaan hebben tot hij uiteindelijk zelf door de pest getroffen werd.11

Keurvorst Johan Wilhelm van Pfalz-Neuburg
In 1647 werd Wolfgang Wilhelm opgevolgd door zijn zoon Philips Wilhelm. In 1648 werd de vrede van Munster gesloten, maar het geschil tussen Brandenburg en Neuburg werd pas op 2 juni 1670 beëindigd. Ravenstein zou in de mannelijke lijn van Paltz Neuburg blijven, doch bij uitsterven naar Brandenburg terugkeren. In Staats-Brabant begon voor de katholieken een ellendige tijd. Hun kerken werden afgenomen en kloosters werden ontmanteld. In het Land van Ravenstein was godsdienstvrijheid. In het grensgebied van het Land werden kapellen gebouwd waar de katholieken van over de grens naar de kerk konden. Ook diverse kloosterordes vonden een toevlucht in het Land van Ravenstein. In 1649 ontstond er een geschil tussen de bestuurders en de pastoors van vier Maasdorpen. Sinds 1609 werden zowel geestelijke- als wereldlijke goederen bezwaard met schattingen en dorpslasten. Met de komst van de katholieke keurvorst van Neuburg zouden de geestelijke goederen vrijgesteld worden. Uit een verzoekschrift van pastoor Arnold Zeelands van Huisseling aan de Keurvorst van 20 juli 1722 kan men afleiden, dat de Huisselingse pastoriegoederen in tegenstelling tot die van de andere Maasdorpen in 1649 niet vrijgesteld waren. De pastoor kreeg het in 1722 voor elkaar, dat de gemeente Huisseling het pastoriegoed niet meer belastte, maar dat eenzelfde bedrag mocht worden gekort op de bijdrage voor de landsheer. Jaarlijks was de pastorie voor 10 morgen en 1/7 van de tienden bezwaard met 5 gulden 8 stuivers en 12 penningen.12

Op 6 augustus 1695 kwam keurvorst Johan Wilhelm met zijn gemalin en de keurvorstinweduwe een bezoek brengen aan Ravenstein. Het halve Land was ontboden om hen luisterrijk te ontvangen. Het gezelschap kwam van over de Maas met het veer en werd verwelkomd door de drost en vicedrost. Van het veer (toen nog Huisselings grondgebied) tot aan de stadspoort stond de manschap in het geweer met hun gildevaandels. De magistratuur maakte haar opwachting aan de poort. De burgerij stond vanaf de poort tot aan het kasteel. Bij aankomst op het binnenplein van het kasteel maakten de pastoors en andere geestelijken hun opwachting. Het Land schonk de vorst 1000 rijksdaalders, die op zijn beurt de schutterijen bedacht met 25 tonnen bier. In 1716 werd Johan Wilhelm opgevolgd door zijn broer Karel Philip van Neuburg. Het jaar 1724 was een slecht jaar voor de boeren. Door een laat invallende vorst bevroor het op het veld staande koren, het belangrijkste product in deze streek. Tot leniging van de nood schold de keurvorst over dat jaar 1000 rijksdaalders aflossing kwijt.

Keurvorst Karel Theodoor, de laatste heer Ravenstein
Karel Philip van Neuburg overleed 31 december 1742 zonder mannelijke nakomelingen. Hij had bij leven al bewerkstelligd dat zijn jongste neef Karel Theodoor, prins van Sulzbach, hem in februari 1742 kon opvolgen als keurvorst van de Paltz en dus ook als heer van Ravenstein. In datzelfde jaar was deze nieuwe keurvorst getrouwd met zijn volle nicht Maria Elisabeth Augusta, kleindochter van Karel Philip. Op 30 december 1792 vierde de keurvorst Karel Theodoor zijn 50-jarig regeringsjubileum. Karel Theodoor was al die tijd een landsvader geweest voor zijn onderdanen. De inval van de Fransen in september 1794 betekende het einde van zijn regering in het Land van Ravenstein.

Karel Theodoor Sulzbach, de laatste heer van Ravenstein.

De Franse tijd 1794-1813
De Franse Revolutie
De Franse Revolutie (1789-1799) was het begin van grote veranderingen in heel Europa. Frankrijk werd een republiek. In 1792 verklaarde de republiek de oorlog tegen een coalitie van Europese grootmachten, waaronder Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen, Spanje en de Nederlanden. In het jaar 1794 braken ook voor het Land van Ravenstein bijzondere tijden aan. Vanaf Pasen trokken coalitietroepen door het Land op weg om de Franse legers te gaan bestrijden, maar zij werden door de Fransen teruggedreven, zodat ze in september opnieuw door het Land trokken met alle plunderingen van dien. Enkele dagen nadat de coalitietroepen tot over de Maas waren teruggetrokken kwamen de Fransen het Land binnen. In de tweede helft van september was het hele Land van Ravenstein door hen bezet. Het was een droge maar vruchtbare zomer geweest met een goede opbrengst van koren, hooi en andere gewassen. Omdat de stad Grave zeer lang stand hield tegen de Fransen waren er veel soldaten in het land. Die eisten maanden lang voedsel en inkwartiering, wat veel van het Land vergde. Van alles wat ze nodig hadden moest het volk leveren, gewassen van het veld, koeien en schapen om te slachten, paarden voor het vervoer, hooi, stro et cetera.

De burgemeesters schreven alles op, maar de gemeente was niet in staat om alle schade te vergoeden. De tijd brak aan dat het koren gezaaid moest worden. Dus ploegden de boeren bij avond in de maneschijn, omdat ze bang waren dat overdag de enkele paarden die ze nog hadden ook zouden worden afgenomen. In verschillende dorpen brak een besmettelijke ziekte uit, de rode loop.

De Bataafse Republiek 1795-1806
Op 7 september 1796 sloot de keurvorst een wapenstilstand met de Fransen, waarbij zijn Landen aan de linker Rijnoever al als bij Frankrijk ingelijfd werden beschouwd. Karel Theodoor overleed op 16 februari 1799. Hij liet geen kinderen na, zodat het huis Sulzbach met hem eindigde. Tot 1798 bestond er in het Land van Ravenstein een bestuursvacuüm. De Fransen stelden er geen wetten en de keurvorst bemoeide zich niet meer met het Land. Men bleef gewoon de oude wetten volgen.

Op 31 december 1797 werd een nieuwe regeringsvorm ingevoerd. De oude land- en dorpsregeringen werden opgeheven. Het Land van Ravenstein kwam nu te vallen onder het departement van de Roer. Ravenstein en Megen vormden daarin het 39e kanton. Er kwamen municipaliteiten (gemeenten). Op 3 februari 1798 werden de bestuursleden daarvan benoemd en op 28 april daaraanvolgend aan het volk bekend gemaakt. Huisseling vormde een van deze nieuwe gemeenten.
In plaats van schepenen en burgemeesters kwamen nu de agent en de adjoint aan het hoofd van een gemeente te staan. Agent voor Huisseling was Hermanus Elemans en Aart van Horssen was de adjoint. Tevens werd verordonneerd dat de beambten de oude wetten moesten volgen zolang niet in nieuwe was voorzien.

Bij verdrag van 5 januari 1800 werden de Landen van Ravenstein, Megen en anderen door Frankrijk officieel gecedeerd aan de Bataafse Republiek (de nieuwe naam voor de Verenigde Nederlanden), die daarvoor 6 miljoen francs moest neertellen. De oude keurvorstelijke regeringswijze kwam tijdelijk terug. Het dorpsbestuur van Huisseling bestond toen uit Jan van den Bogaert en Wouter Manus Elemans, borgemeesters en Peter van Aar, schepen. Van 1803 tot 1811 had Huisseling zijn eigen schepenen, ook ‘commissarissen der huwelijkszaken’ genoemd. Voor de schepenbank konden toen burgerlijke huwelijken worden gesloten. Op 20 september 1805 werden de gecedeerde Landen opgenomen in het departement Brabant van deze republiek.

Het Koninkrijk Holland 1806-1810

Lodewijk Napoleon, Koning van Holland. Bron: Google

In 1806 werd de Bataafse Republiek opgeheven en vervangen door het Koninkrijk Holland. Lodewijk Napoleon Bonaparte, de broer van Napoleon I, werd koning. Bekend is zijn uitspraak “Ick ben konijn van Olland”.
Op 1 mei 1809 werden de oude heerlijkheidwetten vervangen door het wetboek Lodewijk Napoleon. De koning had het beste voor. Hij kwam echt op voor de belangen van zijn koninkrijk, meer dan die van zijn broer, zodat de laatste besloot Holland in te lijven bij het Franse Keizerrijk. Lodewijk Napoleon was zeer geliefd bij het volk.

Het Franse Keizerrijk 1810-1813
Zeeland, Hollands-Brabant (waartoe het Land van Ravenstein behoorde) en Gelderland ten zuiden van de Waal werden op 16 maart 1810 bij Frankrijk ingelijfd. Op 9 juli 1810 trof Holland hetzelfde lot. Door de nieuwe kantonindeling viel op 1 januari 1811 het aloude Land van Ravenstein uit elkaar. Ravenstein, Deursen, Dennenburg, Demen, Langel, Huisseling, Herpen en Schaijk kwamen met nog andere dorpen onder het kanton Ravenstein te vallen. Velp, Reek, Uden en Zeeland gingen naar het kanton Grave, terwijl Boekel naar kanton Gemert ging. Het departement Brabant kreeg de naam departement van de Monden van de Rijn. In 1810 werd het Frans de officiële taal. De beambten dienden de Franse taal te beheersen, want officiële stukken moesten in die taal opgesteld worden, zoals notariële aktes en aktes van de burgerlijke stand. Zo kon het gebeuren dat bijvoorbeeld Wouter, Cornelis en Johanna ineens als Gauthier, Corneille en Jeanne werden opgeschreven.

Kuyperkaartje van de gemeente Huisseling uit 1865.


Vorming van de gemeente Huisseling en Neerloon
Met de invoering van het nieuwe staatsbestel binnen het Franse Keizerrijk werden de zogeheten ‘mairieën’ ingevoerd, die in 1814 onder het Koninkrijk der Nederlanden als gemeenten bleven voortbestaan. De dorpen Huisseling en Neerloon werden op 1 januari 1811 samengevoegd tot één gemeente. De nieuwe gemeente Huisseling en Neerloon was 783 hectare groot en had bijna 600 inwoners (het dorp Huisseling had 352 inwoners in 1806 18). Een statistiek aanwezig in Charters Hermans geeft in 1815 de volgende kengetallen over deze gemeente: inwoners 807 allen rooms-katholiek, 97 huizen, 82 paarden, 343 stuks rundvee, twee schapen, 118 varkens, 48 karren, twee schuiten, twee kerkgebouwen, twee scholen, geen bedeelden. In 1840 was het inwonertal gezakt naar 686 personen, terwijl er slechts 65 huizen geteld werden. Er woonden intussen acht protestanten.

De laatste burgemeester van Huisseling-Neerloon, Albertus van de Wiel.


De oude naam van Neerloon is Loen of Loon. Waarschijnlijk behoorde Loon in 1332 nog tot het Land van Herpen, maar hoorde zeker al in 1410 tot het Land van Cuijk, dat bij de vrede van Munster in 1648 bij Staats-Brabant werd gevoegd. Het lag als een enclave ingeklemd tussen het Land van Ravenstein en de Maas. De parochiekerk Sint Victor was vroeger verbonden met het kapittel van Xanten, dat het patronaatsrecht had (het recht om de pastoors te benoemen). De kerk wordt al in 1405 vermeld. Na de grote watersnoodramp van 1926 werd besloten de Maas te kanaliseren. Dat kreeg einde 30-er jaren zijn beslag. Hierdoor werden de Loonse uiterwaarden van het dorp Neerloon gescheiden. Op 1 januari 1958 kwamen deze uiterwaarden bij de gemeente Wijchen. Als gevolg van zandwinning is hier een grote plas ontstaan. Tegelijkertijd kwam Keent bij de gemeente Ravenstein.

Stempel gemeente Huisseling en Neerloon.


Napoleonfeesten
Op zaterdag 2 juni 1811 werd feest gevierd bij gelegenheid van de geboorte van ‘Zijne Majesteit de Koning van Rome’. Zo werd Napoleon II genoemd, zoon en troonopvolger van Napoleon I. De gemeenteraad besloot om een bedrag van 10 gulden en 10 stuivers of 1½ ton bier voor de ingezetenen beschikbaar te stellen. Over de manier zoals dit feest in Huisseling en Neerloon is gevierd zijn geen gegevens bekend, maar van andere dorpen weten we, dat daar de klokken werden geluid en door de tamboers van het gilde de trom werd geslagen. In de kerk werd het Te Deum gezongen. Na de middag vond het vogelschieten plaats, wat wel opgevrolijkt zal zijn met het beschikbaar gestelde bier.19
Op zondag 1 december 1811 was er weer feest, nu vanwege de verjaardag van de kroning van de keizer en van de slag bij Austerlitz. Bij deze gelegenheid moest de schutterij van Huisseling en die van Neerloon in volle orde naar de kerk optrekken om de Mis, de redevoering en het Te Deum bij te wonen. Om 8, 12 en 16 uur moesten de klokken één uur worden geluid en de hele dag moesten de vlaggen uithangen. In 1813 kwam een eind aan de Franse overheersing.
Napoleon probeerde na zijn ontsnapping van Elba nog wel ‘zijn keizerrijk’ te heroveren maar werd in 1815 in de slag bij Waterloo definitief verslagen. Ons land ging in 1814 verder als Koninkrijk der Nederlanden. De Franse taal en het Franse geld werden afgeschaft. Veel wat de Fransen hadden ingevoerd bleef echter gehandhaafd, zoals justitie, de burgerlijke stand, de dienstplicht en het metrieke stelsel.

Bronverwijzing
1 Charters Hermans blz. 46; Chronicon Gotwicense, benedictijnerabdij Tegernsee 1732 deel IV blz. 792; H. Camp oorkondenboek van Noord-Brabant Meierij.
2 Huseninghen arch. Graafschap Megen inv. nr.164. Husewygen 1365 arch. Clarissen Den Bosch inv.nr.43 f 228v betr. pastoor Gerit Graet ( ‘..wygen’ mogelijk van ‘wig’ = woonplaats, Vgl. Wijchen).
3 H. van Bavel: Regestenboek van het archief van de abdij van Berne, 1984-90. H. van Bavel spreekt over Land van Herpen, C.R. Hermans over Herpen. Bosch’protocol inv.nr.1181 f 161 d.d. 08-04-1399; idem inv.nr.1218 f 227v d.d. 03?-01-1448.
4 Van der Aa: Aardrijkskundig woordenboek 1844.
5 Prof. dr. P. Geyl deel I blz. 24: Geschiedenis van de Nederlandse stam.
6 Hermans: charters Ravenstein I nr.19 d.d. 25-01-1348 Paasstijl (is 1349).
7 Vincent Sleebe: Gebonden aan de heer; CBG jg 14 nr.4.
8 C.R. Hermans Charters deel I nr.77.
11 Heemkundekring Land van Ravenstein: ‘t Maaserf maart 2008. De pest in het Land van Ravenstein 1635-1636, Joost Kocken.
12 A.van Hoogstraten: Aanteekeningen op het Land van Ravestein … blz. 92-93.

naar boven

 

De geschiedenis van Huisseling tussen 1814-1940
De gemeente Huisseling en Neerloon onder het Koninkrijk der Nederlanden
De gemeente Huisseling en Neerloon is in 1814 met het gehele Land van Ravenstein toegevoegd aan het Koninkrijk der Nederlanden, waardoor een geheel nieuwe fase in de geschiedenis van deze dorpen werd ingeluid. De samenwerking tussen de samengevoegde dorpen was iets geheel nieuws en kwam aanvankelijk maar moeilijk op gang. Er bestond een zekere tweespalt tussen de afdeling Huisseling en de afdeling Neerloon. De verstandhouding liet te wensen over en er was ontevredenheid ontstaan. Dat ging vooral over financiële zaken. In 1815 bijvoorbeeld weigerden de Huisselingse raadsleden de notulen te ondertekenen, omdat zij vonden dat Huisseling niet bij hoefde te dragen aan de opbouw van de ingestorte school van Neerloon. De raadsleden uit beide dorpen beweerden, dat hun dorp sinds de samenwerking financieel was benadeeld.

In 1821 werd besloten om de gemeentelijke administratiekosten te verdelen over de twee afdelingen op basis van de huurwaarde van de landerijen. In dat jaar werd een schikking getroffen die inhield dat Huisseling 65% betaalde en ontving en Neerloon 35%. In 1869 werden deze percentages opnieuw aldus vastgesteld. Sindsdien is de tevredenheid en eensgezindheid tussen beide afdelingen bewaard gebleven. In 1910 stond de regeling onder druk omdat van de zijde van Gedeputeerde Staten werd geprobeerd de regeling te wijzigen ten behoeve van de financiering van de schoolbouw in Neerloon. Dat had alles te maken met de rijkssubsidie die de gemeente had aangevraagd. De gemeenteraad wilde de eensgezindheid tussen de afdelingen echter niet in gevaar brengen en achtte het ook onbillijk om deze verbandregeling te wijzigen.

Belangrijke gebeurtenissen voor Huisseling in de 19e eeuw waren zoal het verdwijnen van de theologische hogeschool, de aanleg van de spoorweg, maar vooral de strijd tegen het water in samenhang met het boerenbestaan. Aan deze en nog andere onderwerpen zijn afzonderlijke hoofdstukken gewijd.

Dierenwelzijn
In die tijd had men een heel ander idee over dierenwelzijn. Als de politie loslopende of niet-gemuilkorfde honden op open erven aantrof, werd niet alleen de eigenaar beboet, maar mochten de betreffende honden direct worden doodgeslagen (besluit gemeenteraad van 11 augustus 1825).

Vordering van transportmiddelen
In 1830 begon de Belgische afscheidingsoorlog. De Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hadden in september van dat jaar bepaald, dat de gemeenten een verordening moesten maken, dat van de ingezetenen elk moment transportmiddelen zouden kunnen worden gevraagd. De gemeente Huisseling en Neerloon komt pas in augustus 1831 met een verordening. Deze hield in, dat de houders van paarden op volgorde van huisnummers met paard en kar of met losse paarden op toerbeurt moesten dienen. De boeren die meer paarden hadden werden volgens een nogal ingewikkelde regeling ingeroosterd.

De Contre-Escarpe
De Singel, Doolhof, Contre-Escarpe en Stationssingel, was eigendom van de familie Van Claarenbeek. Zij zorgden ook voor het onderhoud. Van Claarenbeek, bierbrouwer, tekenaar en pas aangesteld als burgemeester van Ravenstein, heeft in 1851 de Contre-Escarpe aan de oostzijde van de gemeente doen verfraaien door er een beplanting aan te laten leggen. Bij de schouw van de wegen door de gemeente Huisseling en Neerloon in maart 1852 werd –evenals in 1851– geconstateerd dat de openbare weg genaamd de bovenste Contre-Escarpe aan de oostkant van Ravenstein door Reinier van Claarenbeek met een hek was afgesloten. Omdat Van Claarenbeek niet meewerkte aan een minnelijke regeling werd hij door de gemeenteraad van Huisseling ter verantwoording geroepen. Hij beweerde dat hij door Gedeputeerde Staten was gemachtigd, maar beloofde uiteindelijk dat hij bij het gemeentebestuur van Ravenstein ten behoeve van de inwoners van Huisseling en Neerloon voor een bewijs van vrije doorgang zou zorgen.

Huisseling.nl; Natuurschoon Huisseling verdwijnt; Udens Weekblad, 18 november 1936


Omdat Huisseling van plan was vanwege deze kwestie op audiëntie te gaan bij de Commissaris van de Koning heeft Van Claarenbeek kennelijk eieren voor zijn geld gekozen, want onmiddellijk besloot de gemeenteraad van Ravenstein het volgende: ‘Het nuttige van de aangelegde beplanting is dat deze aan de behoeftigen van de gemeente Ravenstein en de naburige gemeenten jaarlijks veel werk verschaft; heeft begrepen dat het in het belang is van de eigenaar van het pand (Van Claarenbeek) om dit door een hek, niet ver van de Maasdijk, af te sluiten; verleent verlof aan alle inwoners van Huisseling en Neerloon om altijd van de wal aan de oostzijde van de gemeente gebruik te maken zonder betaling van tol of een andere last. Bij droog weer zal de sluitboom op de wal steeds geopend zijn en bij lang aanhoudend nat weer is de veldwachter verplicht deze op verzoek direct te openen’. In 1938 besloot de gemeente de Contre-Escarpe gronden van de erfgenamen Van Claarenbeek aan te kopen voor 6000 gulden).

Huisseling.nl, Mr. Petrus Franciscus van Cooth, door A.G. Schull.

Het legaat Van Cooth
Het grootste deel van het legaat van de vermogende notaris mr. P.F. van Cooth † 1901 was bestemd voor het openbaar onderwijs in tien Noord-Brabantse en Gelderse gemeenten. Het openbaar herhalingsonderwijs werd met name genoemd. De gemeente Huisseling en Neerloon ontving uit dit legaat circa 9,7 hectare grond met inbegrip van 2 huizen. Deze goederen hadden over 1921 een opbrengst van 1223 gulden, maar dit werd in de crisisjaren 30 aanmerkelijk minder.
Volgens de gemeenteverordening van 1902 moest de opbrengst aangewend worden ten behoeve van het herhalingsonderwijs voor kinderen volgens de verdeling 35 % voor Neerloon en 65 % voor Huisseling. Vóór samenvoeging van de gemeente Ravenstein met Oss in 2002 is een stichting ‘legaat Van Cooth’ in het leven geroepen met als oogmerk de opbrengst alleen te bestemmen voor het jeugdwerk in de voormalige gemeente Ravenstein. Behalve Huisseling c.a. waren ook de gemeenten Deursen c.a., Dieden c.a. en Herpen in het legaat bedacht.

De Eerste WereldoorlogIn bewerking

Tijdens de mobilisatie in 1916 werd deze kaart door een soldaat als veldpost vanuit Huisseling verstuurd


 

Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf Huisseling
In 1922, vlak voor de gemeentelijke herindeling, wordt besloten om in Huisseling en Neerloon elektriciteit aan te leggen. Het ‘Gemeentelijk Elektriciteits-Bedrijf Huisseling’ werd opgericht op 15 november van dat jaar. Een opmerkelijke verandering. Sommigen waren wat achterdochtig en lieten zich niet aansluiten, maar bleven trouw aan de olielamp. De leidingen waren toen allemaal bovengronds en elk huis was voorzien van een zekering die nogal eens doorsloeg bij onweer. Ook waaiden er vaak bomen tegen de elektriciteitskabels.

Overeenkomst tussen de PNEM en de gemeente Huisseling


Brief van de ANEM (Groeneveld en Ruempol) aan het gemeentelijk Electriciteitsbedrijf Huisseling


Brief over de aansluiting van L. (Bertus) Arts op het stroomnet


Het kaartje met de acht lantaarnpalen in Huisseling

Samenvoeging met de gemeente Ravenstein
Op 19 november 1919 ontvangt men een brief van Gedeputeerde Staten met het voornemen om de gemeenten Deursen c.a., Dieden c.a. en Huisseling c.a. te verenigen met de Ravenstein. De Raad antwoordt dat zij de vereniging onwenselijk acht omdat;
a. het twijfelachtig is of de belastingen voor de bevolking lager zullen worden; b. de goede verstandhouding tussen de bevolking en hun vertegenwoordigers eronder zullen lijden en
c. men niet veronderstelt dat aanwending van sociale maatregelen door de vereniging zal worden bevorderd. Op 24 februari 1922 is er een Advies Ontwerp van wet tot vereniging.

Het Staatsblad uit 1923 dat de samenvoeging van de gemeenten verkondigd.


Naar aanleiding hiervan brengen B. en W. van Huisseling en Neerloon hun advies uit. Vergeleken met 1919 is er nu geen grote weerstand meer. De voornaamste zorg blijkt de verbandregeling voor Neerloon te zijn. Wethouder Kerkhoff denkt dat er bereidheid is om meer belasting te betalen als daarmede de wegen beter zouden worden onderhouden, anders is hij bang dat een klein gehucht als Neerloon stiefmoederlijk zal worden behandeld. Bij de stemming verklaren 5 leden vóór de vereniging te zijn en 2 leden (W.H. Elemans en G. van der Horst) tegen. Op 19 april 1923 vindt afkondiging in het Staatsblad no.133 plaats dat bij wet van 14 april 1923 de gemeenten Ravenstein, Huisseling en Neerloon, Deursen en Dennenburg en Dieden, Demen en Langel worden verenigd, welke verenigde gemeente de naam van Ravenstein draagt. Het totaal aantal inwoners van de nieuwe gemeente komt dan op 2300. Op 2 augustus 1923 wordt de laatste raadsvergadering van de voormalige gemeente Huisseling en Neerloon gehouden.

Het wapen van stad en gemeente Ravenstein.


Onder de nieuwe gemeente
De eerste raadsvergadering vond plaats op 16 augustus 1923. De Huisselinger Hendrikus de Bruijn werd benoemd tot eerste wethouder. De gemeente werd verdeeld in 8 wijken, Huisseling werd wijk C. De volgende straten vielen hieronder: Graafsestraat, Doolhof, Grootestraat, Hoekstraatje, Daalderstraatje, Meerstraat, Schoolstraat, Kerkstraat, Hongerveldstraatje, Woordscheweg, Heuveleindsche voetpad, Heuveleindsche straat en Ringelenburg. Het gaat om 83 adressen (84 gezinshoofden) en 450 inwoners. De Grootestraat (de naam zegt het) was veruit de grootste straat met 32 adressen.
De wijkgrenzen corresponderen niet altijd met de eigenlijke dorpsgrenzen. Zo wordt bij de wijkscheiding tussen Huisseling en Neerloon de Graafsestraat aangehouden, terwijl de dorpsgrens ligt ter hoogte van het huis van Harry van Aar aan de Maasdijk en deze loopt in de richting van het huis van Harry Zonnenberg ter hoogte van de huidige Gasunie. De burgerlijke gemeente is verder verdeeld in vier kadastrale gemeenten, te weten: de kadastrale gemeenten Ravenstein, Huisseling, Deursen en Dieden.

Statistieken
Van de 2472 personen in de gemeente Ravenstein (bestaande uit Ravenstein, Huisseling, Neerloon, Dieden, Demen en Langel, Dennenburg en Deursen) behoorden:
2428 personen tot de Rooms Katholieke Kerk
27 personen tot de Nederlands Hervormde Kerk
2 personen tot de Gereformeerde Kerken
1 persoon tot de Evangelische Kerk
14 personen tot geen godsdienst

Dit heeft natuurlijk zijn weerga op het politieke standpunt van de inwoners.
Zo werden in 1931 tot de gemeenteraad gekozen: H.F. de Bruijn, H.M. Kerkhoff, W.P.M. Suermondt, E.L. Janssen, M. Kuipers, A.N. Meulemans en J.M. Bardoel.
Een mooi tijdsbeeld geeft de uitslag bij het stemmen voor de leden van de ‘Tweede Kamer der Staten-Generaal’ in 1933:
De R.K. Staatpartij – 1086 stemmen
De Christelijke Historische Unie – 8 stemmen
De S.D.A.P. – 8 stemmen
De C.P.H. (Communisten) – 6 stemmen
De K.D.P. – 3 stemmen
De Staatkundig Gereformeerden – 3 stemmen
De Antirevolutionairen – 2 stemmen
De R.K. Volkspartij – 1 stem
De vrijheidsbond – 1 stem
Verspreid op lijsten van partijen waarvan de politieke benaming of richting niet meer kan worden nagegaan – 27 stemmen

Op 1 september 1931 worden de heren Heijmerikus Franciscus de Bruijn (Huisseling) en H.M. Kerkhoff (Neerloon) tot wethouders benoemd en op 3 september 1935 de heren G.J.H. van Stekelenburg en M. Kuipers. De burgemeester F.G. Caners, die bij de samenvoeging van de oude gemeenten in 1923 werd benoemd, vierde in 1931 zijn 25-jarig ambtsjubileum. De secretaris is F.P. Pouels, die in 1930 J.J. van Gulick opvolgde. In 1935 treedt de eerste vrouw toe tot de commissie van bijstand, een commissie die is belast met het jaarlijks onderzoek van de begroting en rekening van de gemeente. Zij is Gonneke Nienhuis, bij velen wel bekend.

Bij de burgerlijke stand wordt in 1933 de heer Th.P.L. Berben opgevolgd door de heer J.F.S. Martens.
In dat jaar worden er 53 kinderen levend geboren, 8 worden er levenloos aangegeven, zijn er 31 reguliere sterfgevallen en 9 huwelijken. Per jaar schommelen die getallen licht.

De gemeente bestaat uit acht wijken, namelijk A = Ravenstein, B = Neerloon, C = Huisseling, D = Deursen, E = Dennenburg, F = Neerlangel, G = Demen en H = Dieden.

Er werd het volgende aantal processen-verbaal opgemaakt:
1931 – 94
1932 – 89
1933 – 100
1934 – 132
1935 – 94

Overzicht van dienstplichtigen:
Ingeschreven Afgekeurd Vrijgesteld Gediend
1931 — — 19 — — 3 — — — 13 — — — 3
1932 — — 24 — — 5 — — — 13 — — — 6
1933 — — 27 — — 6 — — — 10 — — — 11
1934 — — 27 — — 3 — — — 17 — — — 7
1935 — — 20 — — 6 — — — 11 — — — 3

Er werd besloten om, vanwege de hoge kosten, niet toe te treden tot de streekdrinkwaterleiding. Het drinkwater wordt nog gewonnen uit pompen en putten. Een in 1935 opgerichte markt voor groenten, fruit en eieren in Ravenstein, bezit geen levensvatbaarheid, omdat de waren al door de aanvoerders langs de huizen wordt gevent.

Het bevolkingsstaatje ziet er in 1980 heel anders uit. Per 1 januari 1980 had de gemeente Ravenstein (sinds 1941 met Herpen, Koolwijk en Overlangel en sinds 1958 ook met Keent erbij) 7525 inwoners.
In dat jaar worden er 110 kinderen geboren, waarvan 63 tot het mannelijk geslacht en 47 tot het vrouwelijk geslacht en er sterven in totaal 51 personen. Het geboorteoverschot komt neer op 59 en het vestigingsoverschot op 22, waardoor er een groei ontstaat van 81 personen tot 7606, waarvan 3924 mannen en 3782 vrouwen. In 1981 bedraagt het totaal aantal inwoners 7679.

De bende van Oss
In het jaar 1900 schrijft het provinciebestuur over de noodzaak van een arrestantenlokaal. Omdat het wel 25 jaar geleden is dat er een arrestatie heeft plaatsgevonden besluit men dat een dergelijk lokaal overbodig is. Maar kennelijk was het toen toch niet zo veilig in Huisseling, want er worden veel inbraken gepleegd, getuige het volgende relaas uit de notulen van de Raad van 18 december 1900: ‘Sedert enige jaren worden de gemeenten zonder ophouden ’s nachts onveilig gemaakt door een, zo naar het schijnt, goed georganiseerde dievenbende, die men nog niet op het spoor is kunnen komen. Bij brutale inbraak plegingen in kelders, schuren en woonhuizen worden allerlei mondbehoeften en andere zaken ontvreemd, voornamelijk jenever, brandewijn, likeuren, spek, boter, vlees en kippen. Het uitloven van een premie kan wellicht een prikkel zijn met nog meer ijver de streek van de geduchte dievenbende te bevrijden’.
In Huisseling was de pastoor zó bang van de Bende van Oss, dat hij luiken liet aanbrengen voor de ramen van de pastorie en draden met belletjes eraan liet spannen. Deze belletjes moesten gaan rinkelen als iemand rond het huis zou lopen. Het café van de Woutjes Kocken (Hamstraat 8 ) is eenmalig door de Bende overvallen. Overdag waren zij in het café, dronken er een borrel en namen alles goed in zich op. Vooral waar de kastelein zijn wisselgeld vandaan haalde. Dat was dus de slaapkamer. Zij draaiden stiekem de sluiting van het raam open en ’s nachts kwamen zij weer terug, om dat geldkistje te stelen. Echter, zij waren niet berust op de alertheid van de bewoners die met een geweer klaar stonden om de overvallers weg te jagen. De overvallers reageerden echter direct met hun salvo en schoten terug. Eén kogel verdween via het bovenraampje weer naar buiten. Gelukkig zijn er geen gewonden gevallen en de overvallers zijn gevlucht.

Tot in het begin van de jaren ’30 blijft de streek geplaagd door vele inbraken. De openbare orde wordt in deze jaren niet verstoord, omdat de gemeenteveldwachter ‘voldoende in staat is te waken tegen de verstoring van de openbare orde.’ Bovendien surveilleerden de Majoor der Rijksveldwacht en de Marechaussee uit Grave in de gemeente. Enige jaren eerder werd de openbare veiligheid telkens ernstig gestoord door de veelvuldige inbraken bij de ‘ingezetenen’. De ongerustheid bij de bevolking nam dan ook zodanig toe, dat de bewoners van enkele ‘wijken’ overging tot het invoeren van een particuliere nachtveiligheidsdienst, de zogenaamde nachtwacht, terwijl de gemeente bovendien een paar nachtwakers aanstelde. De pogingen van de burgemeester om in de gemeente marechaussee gedetacheerd te krijgen waren op niets uitgelopen. Uiteindelijk werd in de gemeente Oss, waar zich vermoedelijk de meeste misdadigers ophielden (zoals ‘de bende van Oss’) een sterke macht marechaussee gedetacheerd. Dit had voldoende succes. Eind 1935 was de normale openbare veiligheid weer teruggekeerd.

Gradje van Haren houdt 'de wacht' bij zijn kippen. Bron: Loepkijker


Ook in Huisseling was een particuliere nachtwacht ingesteld, omdat er veel kippen werden weggehaald. Hannes van Houtert, (voormalig) veldwachter, hield met nog iemand de wacht. Eens was een nachtwacht, mèt geweer, in het kippenhok in slaap gevallen en de kippen waren tóch weg! Een nachtwacht had in de nacht van 31 augustus 1931 enkele kippendieven verjaagd. Daarvoor ontving hij uit de gemeentekas een aanmoedigingspremie van 10 gulden.
Naast de Huisselingse kerk was een opslagplaatsje voor geweren van de burgerwacht. Koster Toon van Maasacker had het beheer hierover. Bij de burgerwacht waren: Cellus Kocken, Cellus van den Heuvel, Hannes Princen, Harrie Boeijen, Wim van Aar, Bart van Aar, Dorus Arts, Albert Arts, Janus Arts en Janus Coenen. Achter het schoolmeestershuis gingen ze oefenen door op een plaat te schieten. Dat deden ze altijd zondags na de Hoogmis van 11 tot 12 uur. Om 12 uur moesten ze altijd stoppen. De meeste van deze mensen waren ook bij het gilde van Huisseling.

De ‘radiokwestie’ van Ravenstein

Huisseling.nl, Burgemeester F.G. Caners.

De radiocentrale St. Jan was in Huisseling gevestigd en verzorgde de radiodistributie voor de gemeenten Ravenstein, Megen, Herpen en Schaijk (een beetje te vergelijken met radio via de kabel). Er waren ca. 300 abonnees aangesloten. St. Jan hield zich niet zo goed aan de regels, waarbij er in 1937 een conflict ontstond met de gemeente Ravenstein. Het conflict liep in 1938 zo hoog op dat burgemeester Frans Caners eiste dat St. Jan zou stoppen met het doorgeven van de radiouitzendingen. Daarop werd niet gereageerd. Burgemeester Caners van Ravenstein bleek een doortastend mens. Hij ging in januari 1939 gewapend met een tang en vergezeld door de veldwachter naar het gebouwtje van St. Jan en knipte eigenhandig de kabels door. Dat was door zijn gebrek aan technische kennis niet helemaal gelukt, want hij sloot alle gemeenten af behalve nota bene zijn eigen Ravenstein. De concessie van de radiocentrale stond op naam van Wim van Pinxteren uit de oude Woordstraat 4. Kort na het conflict nam de Simon de Luy de installaties van St. Jan over en verhuisde de radiocentrale naar Ravenstein.

Huisseling.nl; Burgemeester caners met veldwachter Schapenk

De crisisjaren
In 1935 werd door de gemeente geconstateerd dat door de crisis het treurig gesteld was met het landbouwbedrijf. Hoewel de regering met honderden miljoenen steun het landbouw- en veeteeltbedrijf in stand probeerde te houden lukte dat niet afdoende voor de kleinere boeren met minder dan 5 hectare grond. Deze categorie, zeer talrijk in de gemeente Ravenstein, dreigt geruïneerd te worden, zo stelt de gemeente. Ook in de sector handel en nijverheid trad een neergang op. Veel werkloosheid trad in het najaar van 1932 op door het faillissement van de schoenfabriek van Ignaat Suermondt. Door de toenemende verarming in de crisisjaren stegen de kosten van armenzorg in de gemeente Ravenstein explosief. Arme Huisselingers konden een beroep doen op het Burgerlijk Armbestuur van de gemeente, het R.K. Armbestuur van de parochie en andere weldadigheidsinstellingen.

Bronverwijzing
32 Bosch’protocol inv.nr.1194 f 185 d.d. 08-04-1424.
33 Verslag van den toestand der gemeente Ravenstein over de jaren 1931 t/m 1935.

naar boven

 

Van de Huisselingse Heide
Walraven van Valkenburg verkoopt op 25 januari 1349 aan de inwoners van Huisseling de gemeentegronden met het recht deze in particuliere erven te verdelen en moeten jaarlijks van elke ‘morgen’ land die verdeeld is twee penningen belasting betalen. Hier volgt het stuk waarin Walraven van Valkenburg aan de inwoners van Huisseling verklaart dat zij de zojuist van hem gekochte gemeentegronden in particuliere erven mogen verdelen. In het verhaal “Onder de tijd van het Land van Herpen”, was al te lezen dat dit besluit de aanzet was tot de allereerste vorm van zelfbestuur voor de dorpsbewoners van Huisseling. Dit was een erg belangrijk moment!

Van de Huysselingse heyde, 25 Januarij 1349
Wy WALRAVEN VAN VALKENBURGH, heere van Herpen, doen kennelyk en condt allen luyden, dat wy quyt geschouwen hebben (‘kwijt gescholden hebben’) die gebeur ons dorps van Huysseling van eenen jaarlyksen erfspagt van 25 malderen haeveren en van 2 werf XXV hoenderen, die sy ons jaarlyks plagten te gelden van onser heyden ende onser vennen voor gemielt wy den voorsz. Gebueren des dorps van Huysseling verkogt en gegeeven hebben, verkoopen en. gegeeven mits deesen brieven, alsoo groot en kleyne als hem die in wettelyke deylinge weeder (1) anders onse lande dat regt af heeft en. die voorsz. Heyde en. venne vallen mag, in den looten te slaan en te deylen tot erffelyke dagen (2), elke boenre alsoo verre als die maate geeft, om een voorlyf van vier grooten payements, dat ons wel betaale is, en. voorts elken boenre om eenen jaarlyksen erf-tyns van 12 kleynder penningen , ons en. onse nakomelinge op sint Lambrechts dagh te betaalen in payemente, als dan gange en. geeve zal zyn. Hebben ook gelooft en. geloofe in goede trouwe voor ons en. onse naarkomelinge, den voorsz. gebeuren ons dorps van Huysselinge voorsz. de heyde en. venne te weesen jaer en. dags voor alle die geene , die daar ten dagen ende ten regt koomen willen, alle voor kommer en aantaele (3) af te doen, zonder uytgenoomen den voorsz. tyns, met alsulken voorwaarden, dat die voorsz. gebuer van ons dorps van Huysselinge zullen moeten op den voorsz. heyden en. venne een schutter setten tot haaren oirbair; ook schot te meerderen en. te minderen tussen 4 penningen en. 16 penningen, nae haere wille; en. die schutter zal hem die schout van Herpen dan eeden, als zy des begeeren.
Voort zullen zy op den voorsz. heyde laate leggen steegen en. straaten, en. die alle weegen enge en. wyde, by haaren geswooren tot heuren orbar, zonder breuck en. met de erffenissen en schaeren van den voorsz. heyde en. venne, die en zullen zy niemand, die buyten onze land van Herpen off buyten den dorpe van Loon (4) geseten is, verkoopen moghen noch verhueren: zoo wie dat deede, die verbeuren 40 stuyvers payements, alsoo dick als hy’t deede, te bekeere in orber onsen en. onse nakomelinge. In oircondschappen welker dingen wy onsen zeegel aan deesen brieff hebben doen hangen. Gegeeven in’t jaar ons Heeren 1348, op sint Paules dagh, apostel, als hy bekeert was.

(1) Weeder, jegens,
(2) Erffelyke dagen, ten eeuwigen dage,
(3) Voor kommer en. aantaele, schade en aanspraak,
(4) Loon, Neerloon hoorde bij het Land van Cuijk, maar lag ingesloten in het Land van Herpen.

naar boven

 

De Tweede Wereldoorlog
Inleiding
In dit onderdeel wordt door Jan Elemans en Joke Gremmen het verhaal vertelt over de periode rondom de Tweede Wereldoorlog. Hoewel Huisseling niet zwaar onder de oorlog heeft geleden is deze het dorp ook niet zomaar voorbijgegaan. Er werd door het oorlogsgeweld nooit een huis getroffen, wel was er door bombardementen veel glasschade.

De mobilisatie in 1939
De dreiging van de oorlog met Duitsland kwam ook voor Huisseling naderbij. In 1939 werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. De grens, het spoor en de bruggen moesten worden bewaakt. In Huisseling werden op diverse plaatsen soldaten van het Nederlandse leger ingekwartierd ter bescherming van de spoorbrug. In de boerderij van Coenen aan de Hondshoek, tegenwoordig de Woordstraat, was de staf van het leger gehuisvest. Overal in de andere boerderijen lagen soldaten en werden paarden gestald. Het vervoer van de soldaten ging meestal per fiets en het materieel met paard en wagen. Dat gaf de gekste taferelen, stadse jongens die ineens met paarden om moesten gaan.

In de boomgaard achter het huis van Coenen én in de tuin voor het huis waren door de Nederlandse soldaten schuilplaatsen gebouwd om bescherming te bieden tijdens aanvallen van Duitsers. De schuilplaatsen mochten de naam kelder nauwelijks dragen. Het waren uitgegraven sleuven, rondom voorzien van houten palen en verstevigd met zandzakken. Daaroverheen kwam een soort van dakconstructie en er werden vele vrachtwagens met zand aangevoerd waarmee de hutten werden gecamoufleerd. Het Nederlandse leger was sterk in de minderheid maar wel gemotiveerd. De druk en de spanning van de oorlogsdreiging waren groot en men begon te vermoeden dat een inval niet te vermijden was.

Inval van de Duitsers
In de vroege morgen van 10 mei 1940 kwamen duizenden Duitse vliegtuigen op geringe hoogte het land binnengevlogen en staken soldaten op verschillende plaatsen de grens over. Het Nederlandse leger bood wel weerstand, maar de overmacht was te groot en het Duitse leger was veel beter bewapend. Zo kan Jan Elemans zich herinneren dat de Nederlandse soldaten die bij hun thuis waren ingekwartierd, met gewone geweren op de overvliegende bommenwerpers schoten. Men had toen nog even de overtuiging dat Nederland neutraal was en bleef, dat deze vliegtuigen niet voor ons land bedoeld waren en naar Engeland zouden overvliegen. Helaas, het tegendeel bleek waar. Rotterdam werd zeer zwaar gebombardeerd; de waterlinie was uitgeschakeld en het Nederlandse leger werd op 15 mei 1940 tot capitulatie gedwongen.

De bezetting
Langzaam maar zeker werd het juk van de bezetting zwaarder. Probeerde men eerst nog met zachte aandrang de Nederlanders voor zich te winnen, weldra ging men over tot dwangmaatregelen. Nederland werd onder bevel geplaatst van Seys Inquart, een Oostenrijkse generaal. Vele organisaties en verenigingen werden verboden of opgeheven. Nieuwe werden opgericht onder leiding van de NSB, een organisatie van Nederlanders die met de vijand heulden, onder leiding van Mussert. Radio en kranten werden zwaar gecensureerd. Later werden alle radiotoestellen gevorderd zodat Radio Oranje, de bevrijdingszender uit Engeland, niet meer kon worden beluisterd. De arbeidsinzet werd in het leven geroepen waardoor vele jonge mannen naar Duitsland werden getransporteerd om te werken in de Duitse oorlogsindustrie. De Joden moesten een gele ster gaan dragen en werden later afgevoerd naar concentratiekampen waar zij werden vergast.

Het verzet in Huisseling
Al heel snel vormde zich in het geheim een verzet dat snel georganiseerde vormen aannam. Er waren vele jongemannen die zich onttrokken aan de deportatie naar Duitsland en zich in Nederland schuil hielden en onderdoken. Ook vele Joden doken onder om deportatie te voorkomen. Het georganiseerde verzet zorgde voor onderduikadressen, voeding, en valse papieren voor deze mensen. Maar het verzet beraamde ook sabotage en aanvallen op de Duitse bezetters. In Huisseling kwam een aantal mannen uit Neder-land onder valse naam bijeen in de boerderij van Marinus van den Heuvel. Deze verzetsgroep beraamde daar de liquidatie van de Ossche NSB burgemeester Herman Apeldoorn. Apeldoorn was ook voorzitter van het Waterschap, dat regelmatig zitting hield in de Keurvorst (Hotel van Hall) te Ravenstein. Het verzet heeft Apeldoorn tijdens zo’n zitting van het Waterschap doodgeschoten.
Direct hierna namen de Duitsers represaillemaatregelen. Zij schoten de heer Jo Meulemans in zijn woning aan de Contre Escarpe dood. Dit was een vergissing, want zij waren eigenlijk uit op zijn broer Piet Meulemans, die wel in het verzet zat (de Duitsers dachten dat dit het huis van de burgemeester was). Burgemeester Hoefnagel van Ravenstein had een tip gekregen en was gevlucht. Pastoor Van Heijst van Ravenstein en caféhouder Has Smits uit Huisseling werden wel opgepakt, maar werden enkele weken later weer op vrije voeten gesteld. Een ander geval van sabotage was het omzetten van wissels waardoor twee goederentreinen vóór de spoorbrug frontaal op elkaar botsten. Een van de twee treinen zat vol met vluchtende Duitsers en NSB families die het land trachtten te ontvluchten. Gelukkig volgden hier geen represailles op plaats, omdat de Duitsers te druk waren met het zoeken van een goed heenkomen.

De bevrijding
Op 17 september 1944 werd Huisseling bevrijd en vierde men feest. Dit feest werd gehouden op een wei in de Roestert-Lange Del. Albert en Til Arts-Schamp wilden samen met Piet Coraij iets doen voor de mensen. Er kwam een dubbele danstent en er werd bessensap verkocht, melkbussen vol, omdat er niets anders te krijgen was. Alcohol was er al helemaal niet. Het was erg druk, uit de hele regio kwamen mensen naar Huisseling om het feest mee te vieren. Later wist niemand wat met het verdiende geld te doen, want niemand hoefde er rijk van te worden. Een groot deel van het geld is toen naar de Sint Jan in ‘s-Hertogenbosch gegaan. De oorlog heeft de mensen in het dorp vooral een gevoel van samenhorigheid gebracht, dat ons sterk maakte voor de wederopbouw van het dorp. Er werd direct na de oorlog ook voor eigen rechter gespeeld, ten opzichte van de mensen die fout waren geweest in de oorlog. De ordedienst, meestal personen die voorheen in het verzet zaten, nam het gezag over en de Poolse soldaten die op meerdere plekken in Huisseling waren ingekwartierd, vertrokken weer.

Oorlogservaringen van Joke Gremmen-van Schaijk
Vanwege de relatieve rust was Huisseling een ideale plaats voor onderduikers. Ze kwamen uit alle delen van het land. Van velen weet ik de namen nog. Wij hadden een doorgangshuis voor deze mensen, ze bleven enkele dagen bij ons om vervolgens opgehaald te worden voor een vast adres. We wisten nooit waar ze naar toe werden gebracht. Persoonlijk heb ik er één opgehaald op de pastorie in Beers. Dat ging natuurlijk per fiets, want alle auto’s waren gevorderd. Ook alle radio’s moesten worden ingeleverd, ze stonden opgestapeld in het gemeentehuis van Ravenstein. Mijn jongste broer was fel anti-Duits, niet ’t minst omdat hij op de HBS in Oss les kreeg van Titus Brandsma. Op een gunstig moment heeft hij onze radio in het gemeentehuis weggehaald, zodat we weer naar de Engelse zender konden luisteren.

Het voedsel werd schaarser en het bonnenstelsel een feit. Honger hebben we nooit geleden. We zaten tussen de landbouwers en clandestien kon je alles kopen. Een gulden voor een ei was geen zeldzaamheid. Meel maalden we zelf met een houten molentje gemaakt door een timmerman, dat werd aangesloten op de motor van de wasmachine. Maandelijks kon je nieuwe bonnen halen op het gemeentehuis op vertoon van je stamkaart (het identiteitsbewijs dat werd uitgevonden door de bezetters). De rook- en versnaperingbonnen mocht in ons gezin ieder voor zichzelf houden. We verkochten ze of ruilden ze tegen natura (boter, kaas, melk en eieren). Mijn moeder was daar heel blij mee.
Het leven werd steeds angstiger, mede door de vele geallieerde vliegtuigen die ’s nachts overkwamen uit Engeland om Duitsland te bombarderen. We hebben menig nachtje staan kijken naar luchtgevechten die plaats vonden boven het noodvliegveld, dat in Keent door de bezetters was heraangelegd. Wanneer er lichtkogels afgeschoten werden kon je de krant lezen. Op klaarlichte dag is er ’n keer een Engels jachtvliegtuig neergehaald dat neerkwam in een weiland op het Heuveleind. De piloot heeft het niet overleefd. Aan het einde van de oorlog kwamen de V-1s overvliegen richting Londen. Het leken wel knetterende vlammenwerpers. Toen er eentje in Herpen viel lag bijna de hele hoofdstraat plat. Er zijn er ook verschillende hier in de buurt neergekomen, waardoor in veel huizen de ramen ontbraken. Ook in ons huis was het donker vanwege de dichtgespijkerde ramen.

Op een stralende zondagmiddag in september 1944 hadden de geallieerden Grave bereikt en was de bevrijding voor ons nabij. De volgende ochtend togen mijn broers met enkele dorpsgenoten naar Grave en troffen daar onze bevrijders aan. Vliegtuigen dropten kisten met munitie aan parachutes en menigeen moest bescherming zoeken. Jan Elemans (Drikuszoon) kreeg een kist op zijn voet en werd in het militair hospitaal geopereerd. Al snel kwamen onze bevrijders ook in Huisseling terecht. De gaarkeuken was achter het huis van kruidenier Jan van Aar in de Woordstraat. Het was elke dag feest, wat er over was in de keuken werd onder de buren verdeeld. We moesten een kamer afstaan aan een Engelse legerofficier, zijn twee oppassers woonden bij ons in de schuur.

Poolse soldaat-parachutist sneuvelt in Huisseling
Zdzislaw Jankiewiez, komt op 1 oktober 1944, als ons dorp alreeds is bevrijd, om bij het schoonmaken van zijn revolver. Wim Boeijen en Joop Thuring tekenden het verhaal van drie gesneuvelde Poolse soldaat-parachutisten op in weekblad De Arena. Na de bevrijding kwam hier een Poolse inkwartiering om te zorgen dat de bevrijding goed werd afgerond. Naast dit dodelijk incident is er nog een soldaat gesneuveld met een vliegtuigcrash in de polder op ’t Heuveleind.

Huisseling.nl; Poolse soldaten in Huisseling


Huisseling.nl; Poolse soldaten in Huisseling


Huisseling.nl; Poolse soldaten in Huisseling

naar boven

 

Het dagboek van Dora Coenen
Hieronder volgt een verslag uit het dagboek van Dora Coenen, met een ‘levend’ verslag van de naderende bevrijding.
“Het is zondagochtend onder de hoogmis als de sirene over ons rustige dorpje gilt. Het is een prachtige dag. We rennen naar buiten en zien dan in de mooie blauwe lucht bommenwerpers in groepen van zes. Dat is anders nooit. Veel komen er over ons huis. In de richting van Grave worden bommen gegooid die in zwarte strepen door de lucht vallen. Het duurt wel een paar minuten voor we het huilend geluid horen en ze op de grond ontploffen. We blijven in de buurt van de schuilkelder. Het afweergeschut in de buurt van Nijmegen doet zijn best maar haalt er geen één omlaag. Na een uurtje is het even rustig. Maar dan komen de jagers kris kras door elkaar uit alle richtingen.

Van eten koken komt bijna niets. Het is dan ook één uur voor we aan tafel zitten. De soep is nauwelijks op of het gebrom begint weer. Iedereen vliegt naar buiten. Een prachtig schouwspel. Jagers vliegen heel laag door de lucht in alle richtingen. Dan zien we ook bommenwerpers laag vliegen en zien duidelijk de Amerikaanse strepen, wat nog nooit gebeurd is. Van eten komt niets meer. Af en toe gaat iemand naar binnen om zijn bord leeg te eten, maar om drie uur wordt de tafel leeggemaakt en de rest in de schuilkelder gebracht. Buiten is ook weer veel te zien. Alle vliegtuigen vliegen laag en langzaam. We denken eerst dat het bommenwerpers zijn. Maar als ik even later op ’t Heuveleind kom, vertellen ze daar dat ze parachutisten omlaag gelaten hebben. Heel veel gaat richting Grave. Ik ben nog nooit zo blij geweest want dit betekent invasie, het begin van de bevrijding. Tegen half vier is het afgelopen, dan vliegen er alleen nog jagers.
Er zijn wel duizend vliegtuigen overgekomen. Ook heel veel zweefvliegtuigen. In Megen is een zweefvliegtuig geland; te vroeg van de kabel losgekomen. Er zaten vijf parachutisten in met een auto en een lichte pantserwagen. De parachutisten werden gauw in veiligheid gebracht. Vliegtuig, auto en pantserwagen in brand gestoken, want er zaten nog Moffen in de buurt. De Moffen in Herpen en Ravenstein gaan op de loop.

Om acht uur een harde knal; de brug bij Ravenstein vliegt in de lucht. Nog een knal en de veerpont zinkt in het water. De radio zegt: parachutisten gedaald in de buurt van Nijmegen, Eindhoven en Arnhem. Nu begint er een goede tijd. Dat als we ’s-avonds naar bed gaan niet bang hoeven te zijn dat de Landwacht of Sicherheitsdienst zal komen en de radio zal vinden of onze drie onderduikers, of huiszoeking komen doen omdat hier het verzet vergadert. Dat zal een heerlijke tijd zijn!”.

naar boven

 

Onderduikers en evacués in Huisseling
Tijdens de oorlog zaten er in Huisseling diverse mensen ondergedoken.
Uit Elst (Gld.) waren er drie families, namelijk de familie Cornelissen (later naar Herpen vertrokken), de familie Huijsman (of Knijman) en de familie Saedt, die naar Huisseling waren geëvacueerd.
In 1942 sprong een politieman (Rein Helder) uit Venlo bij het station Ravenstein uit de trein. Deze trein was op weg naar concentratiekamp Dachau in Polen. Zoekend naar een schuilplaats kwam hij terecht bij de koster (Schraven). Deze heeft hem naar de boerderij van Albert Arts gebracht, omdat er op de boerderij genoeg te eten was. De Duitsers liepen met geweren rond de boerderij, maar hebben hem niet gevonden, omdat hij zich goed verscholen hield op de hooizolder. Bij broer en buurman Janus Arts zaten ook evacués uit Elst. Rond Elst was het te gevaarlijk. Het was een echtpaar met een kind, genaamd Toontje. Bij de familie Coenen zit de familie Verhammen ondergedoken.

M.E. van den Heuvel verklaart in 1947 dat Willem Jacobus Heijnemans van 19 oktober 1942 tot 24 februari 1945 als landarbeider in dienst is geweest. Heijnemans was onderduiker.

Werknemersverklaring van W.J. Heijnemans


De werknemersverklaring van W.J. Heijnemans

naar boven

 

Ongelukje
Op tweede pinksterdag 10 juni 1935 wordt op het terrein waar nu Plan Schonenberg (Huisseling) ligt door het Sint Barbara Gilde de tweede kringgildedag van het Land van Cuijk georganiseerd. Er waren 21 gilden aanwezig. Na de historische optocht en het vendelzwaaien werd gestart met de schietwedstrijden. Een lid van het Heilig Bloedsgilde uit Boxmeer wilde aantreden om te gaan schieten, maar had zijn alvast geladen geweer nog even naast zich neergezet. Iemand uit de menigte liep waarschijnlijk tegen het geweer, waardoor het afging en de gereedstaande schutter werd getroffen. Uiteraard volgt een nader onderzoek naar de toedracht en moeten enkele personen voor de rechtbank verschijnen. Het “Verslag van den toestand der gemeente Ravenstein over de jaren 1931 tot en met 1935” vermeldt hierover: ‘Plechtigheden, volksfeesten e.d.’: “In 1935 organiseerde het gilde “St. Barbara” een gewestelijk schuttersfeest. Het feest werd geopend met een allergorische optocht, waarna op het feestterrein met het vogelschieten en daarna met vendelzwaaien een aanvang werd genomen, terwijl de Harmonie voor de noodige muzikale opluistering zorgde. Zeer tot schade van een goed verloop van het feest gebeurde er tijdens de wedstrijden een doodelijk schietongeluk, wat de geanimeerde stemming in niet geringe mate drukte, terwijl even later een korte maar hevige cycloon alle tenten deed omver waaien. Door deze beide storende gebeurtenissen nam het feest eigenlijk een ontijdig einde.”

Huisseling.nl; Deelnemende gilde aan de optocht door Ravenstein


Het Barbaragilde tijdens de Kringdag in 1935 op het huidige Plan Schonenberg.


Huisseling.nl; De koningen van de gilden van Neerlangel, Niftrik, Lucia Ravenstein en Barbara Ravenstein

 

naar boven