Dialect

Leesvoer
In 1958 komt Jan Elemans (Drikuszoon) met een proefschrift over het Huisselingse dialect, genaamd ‘Woord en wereld van de boer; Een monografie over het dialect van Huisseling.’ Hierin beschrijft hij hoe de diverse dialectwoorden te gebruiken, uit te spreken, maar ook hoe je ze moet schrijven. Het zal de start zijn van een hele reeks boeken en verhalen en gedichten van zijn hand. Met boeken als ‘Waarom pa mijn moeder de enige kazemat noemde in Nederland die deugde’, ‘De muze op klompen’ en ‘Groeten uit het land van At en Moem’ behoort hij tot de grote Nederlandse schrijvers. Later zal hij ook gevraagd worden om vele andere boeken van een voorwoord of tekst te voorzien, zoals een boek van de beroemde fotograaf Martien Coppens.

 

Het Huisselings dialect
Inleiding
Jan Elemans (Huisseling 1924) promoveerde in 1958 in de Nederlandse taalwetenschappen, met het proefschrift ‘Woord en wereld van de boer’. Een halve eeuw later (2009) voltooide hij zijn werk met een vervolg ‘In het vuur van het gesprek’. In de twee boeken legt hij een taal vast die in de oorspronkelijke vorm, halverwege de 20e eeuw, in Huisseling nog door slechts een tiental oude boeren en boerinnen werd gesproken. Anno nu is het dialect opgegaan in wat we gewoon plat Brabants noemen. De regionale verschillen in klank en woordenschat, die het dialect zo bijzonder maken zijn grotendeels verdwenen. Toch kan in deze geschiedschrijving een samenvatting van deze voor de Nederlandse taalgeschiedenis bijzondere, maar voor Huisseling unieke boeken, niet ontbreken.

Verschillen tussen buurdorpen
JE noemt het Huusselings ‘een dialect van een oervolkje dat ronddobberde op een staldeur bij hoog water!’ Het dialect werd eeuwenlang in stand gehouden door een klein groepje mensen verdeeld over de ruim 30 boerderijen van het eigen dorp en de directe omgeving. Het Huisselings dialect vormt in feite één taalgebied met de beide Langels, Deursen, Dennenburg, Demen, Dieden en Neerloon. Het is weliswaar een Brabants dialect, maar het lijkt meer op het Betuws (dat taalkundig ook tot de Brabantse dialecten wordt gerekend) dan op dat van de Meierij. De klankverschillen met Herpen zijn groter dan die met Niftrik, aan de overkant van de Maas.

Een dialect wordt in eerste instantie gevormd door klankverschillen (tongval) en pas in de tweede plaats door woordenschat. In Herpen zegt men pért (paard) en ków (koe) in Huisseling pèrt en koe. In Herpen zegt men tegen sneeuw snjöw, in Huisseling snöw en in Ravenstein sniw. De voor Herpen kenmerkende ‘j’ als in snjöw en vljés (vlees) en höjs (huis) komt in Huisseling geheel niet voor. In Herpen zeggen ze onderwijges (onderweg) in Huisseling onderweeges. Iemand in Herpen spreekt soms de ‘t’ niet uit en zegt kénje (kindje) of hènje (handje) terwijl de Huisselinger dat weer wel doet. Een Huisselings dérke (meisje) heet in Herpen een durske en over de Maas in Niftrik een den.
Er zijn echter ook grote verschillen met het dialect van de Lage Maaskant (Megen, Lith). Daar vergeet men regelmatig de R en zegt dan; èèpel in plaats van érpel (aardappel) en pèèt i.p.v. pért (paard). Iets meer naar het oosten (Escharen, Cuijk) spreek men de ‘ij’ uit als ‘ie’ als in die:k (dijk) en kie:ke (kijken)

Klank en uitspraak
Het ‘Huisselings’ is een echte spreektaal, die dan ook moeilijk kan worden opgeschreven. Schrijven deed men in het Nederlands of Latijn. De meeste Huisselingers geboren vóór 1900, hadden ook nauwelijks meer opleiding genoten dan enkele jaren lagere school en beheersten de schrijfkunst amper. Wat wil niet zeggen dat ze niet intelligent waren. Ze beheersten de complexe spreektaal op basis van fenomenaal gevoel voor klankverschillen.
Het Huisselings kenmerkt zich o.a. door de grote tegenstellingen in lange en korte klinkers, waarbij de uitspraak bepalend is voor de betekenis van het woord. Zo is ‘brief’ zowel in enkelvoud (brief) als meervoud (brie:f) gelijk, waarbij de ‘ie’ kort, dan wel lang wordt uitgesproken. Vergelijkbaar is: moet (moeder) en moe:t (dapperheid). Het zijn de hele lange ie, oe en uu klanken die vooral onderscheidend zijn, zoals in bie:n (benen) en doe:t (dood) huu:j (hoeden). Een derde kenmerk vormt de veelheid in o-klanken. Zo kent een woord als ‘zon’ drie verschillende betekenissen (zon/zo een/ zouden) die alleen door klankverschil kunnen worden onderscheiden. JE schrijft over zijn eigen schooljaren “Ik vond die klanken heel mooi en apart, maar de bovenmeester heeft ze vanaf 1937 geprobeerd eruit te ranselen, deze onfrisse oergeluiden, de onbeschaafde klinkers die niet pasten in de klankwetten van het ABN”.

Hoe belangrijk klank kan zijn blijkt uit het woord mins dat in de context van de zin zowel; man, vrouw als mens kan betekenen. Mene mins betekent mijn echtgenoot/man, maar et mins is altijd een vrouw. Daar staat tegenover dat enen mins weer gewoon een mens is. Het woord man zelf wordt overigens nauwelijks gebruikt, slechts in tegenstellingen, ‘in de processie liepen de manne en vròwwe mee’. Maar als men het heeft over de ‘kléén manne’ dan kunnen dat weer meisjes én jongens zijn.

Kortspraak
JE koppelt nog een fenomeen vast aan onze spreektaal; de kortspraak. Het ABN is een nette maar zeer trage taal. In het ‘Huusselings’ was men in staat de zinnen zo te verkorten dat ze niet eens hoefden te worden uitgesproken, om ze te toch te kunnen begrijpen. In het vuur van het gesprek werd een hoge taalsnelheid bereikt. Een eenvoudig voorbeeld is; dègrts vroeg (dat je het haar eens vroeg). Het maximum staat echter op 8 lettergrepen, die in één ademstoot met elkaar versmelten; zwowdgrts vroeg (ze wilde dat je het haar eens vroeg). Met enige oefening is het ook voor de huidige Brabander nog te doen.

Woordenschat
We moeten ons hier beperken tot slechts enkele voorbeelden, die meestal ook niet beperkt zijn tot Huisseling en directe omgeving alleen. Mooie werkwoorden zijn; mójjeke (prutsen, maar ook laten rijpen van fruit/noten) en schuupen (buiten rondzwerven). Een aardappel heet natuurlijk gewoon piepper, melk heet ròmme (mölk is karnemelk) en een wit brood is ene mik (en broe:t is een roggebrood). Zoals een Eskimo 10 verschillende woorden heeft voor ijs, zo had de Huisselingse boer minstens 10 verschillende woorden voor zijn koeien. Het woord rund is modern en werd niet gebruikt, daarvoor in de plaats ed fie of de beest. Een kalf wordt ook wel mök of et kalv genoemd, een stier ene var en een koe en kuus. Een jonge niet drachtige koe is een pink of hokkeling, voor het eerst drachtig; vaars en aan het eind van de draagtijd maal. Een schot heeft al één keer gekalfd.
Veel bijzondere woorden hebben te maken met algemene gebruiksvoorwerpen of ander veel voorkomende dingen. Een voorbeeld is de höwskrits (huismus). Dit woord werd alleen gebruikt in het gebied van Huisseling, Niftrik, Wijchen en Balgoij. In omliggende Maasdorpen en verder in Gelderland heet het vogeltje; kreet, klets, krets, klep of zelf kluts. Verder in Brabant meestal gewoon mus!

Persoonlijke voornaamwoorden
Heel erg Brabants zijn de persoonlijke voornaamwoorden, die u hier in de Huisselingse context niet worden onthouden;
gullie gullie wéttet, zullie nie (jullie weten het, zij niet)
òllie zwón òllie nie fròòje (ze wilden jullie niet verraden)
dòllie wélke koej zéjn de bééste, dòllie (welke koeien zijn de beste, die van jullie)
zullie dè dinne zullie nie, mar wéj wel (dat deden zij niet, maar wij wel)
zéllie dè sinne zéllie, wéj nie (dat zeiden zij, wij niet)
thullie wèj doen ónz dèrke nò de kòsschool, mar zullie thullie nie)
(wij doen onze dochter naar de kostschool, maar zij die van hen niet)
hullie moette die van hullie zien (moet je die van hen zien)
vròllie (het vrouwvolk)

D’n awdsten bòm van Huusseling
Het dorp heeft geen bos en weinig bomen, al helemaal geen oude bomen. In onderstaand stukje zet Sjaak Elemans, het via mondelinge overlevering bewaard gebleven verhaal van waarschijnlijk de oudste boom van Huisseling op papier. Het betreft een ca. 150 jaar oude suikerpeer, die nu nog in de boomgaard van Maries Elemans staat. De boom is geplant door Mont van den Bergh, zijn dochter is later getrouwd met Hein Elemans, waarna de boerderij (Heinenhof) het stamhuis werd van alle nu nog in Huisseling wonende Elemansen. Met dank Jan Elemans (Huissen) voor de juiste vertaling.

Toe Mòntje van Heinen ’n klèèn mènneke waar (groe:t issie noit geworre) hittie z’n vòdder huu:re zeggen, dèttie twie: péérebuu:m ha zien pooten, toej eiges nog ’n jungske waar, bé Mònt van den Bergh; die wónde toe nog op d’n Hèinen Hof. Mòntjes vader Hèin Illemans (mén grötfaader) waar toe al ene wees. Hij zaag die buu:m pooten en wis nog dètter bé iedren bòm zeeker twie kröwaages sténpöön moes. Dè Hèntje is lòtter nog getrouwd mi de dochter van dieje péérepooter! Dè dérke waar wel 13 jòòr jonger, ik bedoel mar: dieje wees ha sen oe:gen nie in de tès. Ik denk dan ok dè ’t wòòr is waj zin van die buu:m. Wis vur kort stónnen bèèj nog in den boe:gert bé Heinen Hof. D’r izzer now énne kepot, d’n andre stötter nog. Veul kömt er nie mer òn, mar tog aat nog en paar pérkes. Volges mejn is dizzen bòm dan ok den awdste van hie:l Huusseling. Nie:e, men grötfaader hé’k nie mér gekend, mar m’n grötmoeder nèt nog wel. Die hi ès pronte weedevrouw de boerderééj nog durgezet mitter 4 jonges. WEDUWE H.ELEMANS stón opt kóppere plótje op ten ham van ’t pèrd. Z’is in 1931 gestörven, toe’k èiges nog ’n mènneke van zes war (Jac. E).

Toen Montje van Heinen (Elemans) een klein manneke was (groot is hij nooit geworden) heeft hij zijn vader horen zeggen dat hij, toen hij zelf nog een jongetje was, zijn buurman Mont van den Bergh twee perenbomen op den Heinenhof heeft zien poten. Mont zijn vader Hein Elemans (mijn grootvader) was toen al wees. Hij zag de bomen gepoot worden en wist nog dat er bij iedere boom zeker twee kruiwagens steenpuin moesten. Dat Hentje is later getrouwd met de dochter van die perenpoter. Het meisje was wel 13 jaar jonger, ik bedoel maar; die wees had zijn ogen niet in zijn broekzak zitten. Ik denk dan ook dat het waar is wat hij zei over die bomen. Tot voor kort stonden ze nog allebei in de boomgaard bij Heinenhof. Nu, is er één dood, de andere staat er nog wel. Veel komt er niet meer aan, maar toch altijd een paar peertjes. Volgens mij is deze boom dan ook de oudste boom van heel Huisseling. Nee mijn grootvader heb ik niet meer gekend, maar mijn grootmoeder nog net wel. Die heeft als stoere weduwe de boerderij voortgezet met haar 4 jongens. WEDUWE H.ELEMANS stond er op het koperen plaatje op de ham van het paard. Ze is in 1931 gestorven, toen ik zelf pas een mannetje van zes was (Jac. E).

naar boven