Cultuur

Hoefslagen van herinnering

Sint Maarten

De heiligenverering in Huisseling – Anekdote door Jan Elemans

Hieronder enkele Huisselingse muzikanten, die ook bij het grote publiek bekend zijn geworden

Chahra Z

Anne van den Hoogen en Rosemary & Garlic

Scarlett

 

Hoefslagen van herinnering
(Huisseling, 1924-1938, door Jan Elemans Dzn) In bewerking

Noot van de redactie.
Speciaal voor het boek schreef Jan Elemans (Drikuszoon) zijn herinnering op aan het Huisseling uit zijn jeugd. In een prachtig essay schrijft hij over zijn passie voor de paarden van het dorp en in het bijzonder ‘de Witte’ het paard van Sinterklaas, maar vooral over ‘ons’ paard. Het is een levensverhaal over een 12 jarige jongen, waarvoor het dorp nog niet te klein was en de dag dat hij volwassen werd.

Als ik in gedachten terugkeer naar het Huisseling van mijn jeugd, keer ik terug naar mijn wortels. Die jeugd bestrijkt zo’n twaalf jaar. Daarin zie je, hoor je, ruik je, besef je de belangrijkste dingen in een mensenleven voor het eerst. De indrukken uit die tijd zijn lotsbepalend en onuitwisbaar. De eerste gevoelens van verlatenheid. Of van verrukking. Maakt niet uit. Een verleden met enkel positieve herinneringen bestaat niet.

Wel stammen in mijn herinnering nagenoeg alle beelden uit een volledig boers dorp. En dan gebeurt het. Lig je 70 jaar na dato een uurtje wakker in het holst van de nacht, en wat trekt aan je geestesoog voorbij? Een stoet van boerenkarren zo overdadig met hooi beladen dat van het paard enkel nog kop en poten zichtbaar zijn. Alle hooiwagens zijn eender. Maar ieder paard is anders. Dat van Silles van Monte was er een met een onstuimig temperament. De kop driftig omhoog. En altijd voorwaarts in een tempo op het scherp tussen stap en draf. En dan wist je: Silles vindt zijn hooi al droog genoeg, hij rijdt het naar binnen. Kwam nog een voer hooi in de verte langs, met ook maar een stukje paard ervoor. Een lichte vos, die had je meer, maar met de kop bijna op de grond, zoals altijd, de vos van een van de De Bruijns. Voor dat paard koester ik dan eigenlijk wat minachting. Ene sloffer, die ze niet opnam zoals dat toen wel heette. Verder valt op dat zeer voor de hand liggende paarden toch uit het geheugen zijn weggevallen. Van het paard van mijn ooms Mont en Kobus herinner ik me niets. Enkel het koperen naamplaatje op de haam: Wed H.L. Elemans, door Van Duren nieuw aangebracht, onmiddellijk nadat de moeder van mijn beide ooms weduwe was geworden: de boer is dood, leve de boerin!

De meeste paarden ben ik natuurlijk vergeten. Vaag herinner ik me nog dat van Jan van Tilburg, de sleper. Ik bewonderde die man zeer omdat hij ook zo anders was. Hij had prachtige verhalen. Onthouwen heb ik er geen letter van, maar ik bewonder ze nog steeds. Hij had het! En dan die ligging van het huis van waaruit hij die reusachtige bomen versleepte. Toen ik van tante Marie een fototoestel had gekregen (een Agfaboxje met 4 diafragma’s (lente, zomer, herfst en winter, denk ik) heb ik als een van de eerste objecten zijn huis op de gevoelige plaat vastgelegd. Iedere tien jaar kom ik dat vodje nog wel eens tegen: scherp genoeg om nu nog steeds te weten hoe zijn huis er precies uitzag. Had hij een paard? Twee? Doet er niet toe. Enkelvoud of meervoud: het paard van Jan van Tilburg was geen boerenpaard, het functioneerde in een andere wereld. Het sleepte. Het was een ruin. Dat viel te zien aan de slurf die het uithing. Iemand uit mijn klas zei: moet je eens bij een echte hengst gaan kijken, als die zijn vulpotlood uitdraait. Het paard van Jan van Tilburg droeg zo ook nog bij aan onze zelfhelp-voorlichting in die dagen. Het bevestigt me ook in de herinnering, dat de meeste boerenpaarden merries waren. Vooral in voorjaar en vroege zomer is een drachtige merrie of een paard met veulen maar een handenbinder voor de boer. Maar die gaf zo’n merrie dan graag een gaatje minder. En met het oog op de zoogtijden, ging hij dan met het moederdier een keertje extra naar huis.

Een paard met veulen heette een aardigheid. Daarmee bedoelde de boer niet een aardigheid maar een lust en weelde voor het oog. Hartverwarmende herinnering. Daaruit stamt een van mijn vroege verzen: joyeuse entrée, in De Keerakker van 1952. Jan Leijten, die later nog een redelijk bekende Nederlander zou worden als lid van de Hoge Raad, vond het vers minder geslaagd omdat het te steeds-burgerlijk was geformuleerd. Waar ik het achteraf wel mee eens ben. Naast die vreugde in het waarnemen van nieuw leven speelde in mijn jongensgemoed ook al gauw weer de pijn mee die overal en altijd weer opduikt. Een hengstveulen werd zonder verdoving gecastreerd. Alle veulens werden zonder verdoving gecoupeerd. En als ik het dan toch over herinneringen heb, is het niet helemaal eerlijk om enkel de vreugdevolle beelden te reanimeren, en de droevige onvermeld te laten.

Je had ook boeren zonder paard. Aan de hoeveelheid paarden kon je de welstand van de eigenaar aflezen. De meeste boeren waren éénpaards. Was dat net iets te weinig, dan kochten ze in het hoogseizoen wel eens een zgn. rogzaaier bij, om die opvreter dan na gedane arbeid weer snel door te verkopen. Boeren zonder paard waren te klein. Die waren te klein. Dan vrat zo’n beest meer op dan het inbracht. Van dat soort waren er nogal enkele. Die deden er dan nog iets bij. Die hadden bv een baan bij het Spoor, de Stoomzuivel of den Bond. Als ik nu nog eens 12 jaar oud terug zou mogen, zou ik in het Huisseling van toen eens goed rondkijken: hoe, waarmee precies ze aan de kost kwamen. Nu herinner ik me eigenlijk alleen Hannes Kuijpers. Deze dorpeling herkende iedereen niet aan het paard dat hij niet had maar aan de beer waarmee hij door het dorp placht te kuieren. Die had hij in de kost voor de coöperatieve fokvereniging. Het beest was een even rustig en goedmoedig wezen als zijn baas. Of die voor elke zeug het dekgeld kreeg? Ik heb Hannes toen het nog kon helaas niet geïnterviewd. Werd hij onderbetaald? De beer kreeg na bewezen diensten van ons moeder altijd een homp roggebrood – zoals het nu een mens niet eens meer kopen kan bij een te goeder naam en faam bekende bakker als Sanders. Die bakt het beste roggebrood dat tegenwoordig nog te krijgen is. Daarvoor fietsen we nog iedere maand een keer van Huissen naar Herpen als het weer dit toelaat.

Maar terug naar die beer. Nee, terug naar het paard. Daar was het ons toch om te doen? Vooral aan de Heikant maar ook wel op de klei had je gezinnen met niet één paard maar wel 10 (tien) kinderen. Die deden dan met Sunt Methijs een zoon of dochter bij een grotere boer in de kost: die verhuurden dereigen dan als meid of knecht. Met die huur werden dan thuis de grootste gaten gedicht. Of Hannes genoeg gekregen heeft, was de vraag. Die geldt ook voor die huur. Achteraf denk ik dat ze te laag was. Onze knecht – heb ik van een jaar onthouden – ving 90 gulden per jaar, met kost en inwoning, waarschijnlijk wat traktement af en toe, plus de opbrengst van het vel van de ullengen die hij verschalkte in het seizoen. En die ving hij vaker dan je nu zou verwachten, want toen stond op ieder erf nog wel een houtmijt: opgebouwd uit bossen, mutsers of schansen met het afval van allerlei opgemaakt geriefhout, toen knotwilgen nog vanzelf gekapt werden, niet om de mooiigheid maar omdat het haar ervan niet kon worden gemist. Belangrijker dan de huur was uiteraard het gevoel van meid en knecht dat ze zich bij boer en boerin die ze hadden ingehuurd thuis voelden. Op een dorp zijn in wezen alle boeren gelijken, zeker zolang er niet getrouwd wordt. Meid en knecht zijn gezinsleden, ontvangen de finishing touch van hun opvoeding. Ze leren hun vak en horen als het goed gaat tot het gezin. De knecht is de wegwijzer voor de oudste zoon, de meid voor de oudste dochter. Banden blijven vaak bestaan tot de jeugdherinneringen verwazen. Als de knecht vol trots spreekt van ons pèrd, dan is zoals het tegenwoordig heet de fusie compleet.

Ook jeugdherinneringen worden in hevige mate bepaald door vreugdevolle restanten. Een daarvan is het paard van onze buurman: Driekus van Piete. Kleine boer, gehuwd zonder kinderen, in redelijke welstand vanwege vlijt en zuinigheid. Met een nevenfunctie als melkrijder. Hij reed ’s ochtends in alle vroegte de warme volle bussen naar Sint Isidorus en bracht ze lang voor het middagluiden leeg en koud weer terug. Hij had een zwart paard. Ik vond dat een verschrikkelijk mooi paard. Hij had er eigenlijk niet genoeg gras voor. Daarom pachtte hij van de gemeente of polder een groene straat of wegberm. Zo’n straat als bv bij ons thuis achter was makkelijk af te rasteren: dat was dan voor bijna niks een weitje! Bermen konden gezeisd worden voor gras dat toen nog volstond met blauwe grasklokjes. Tekort aan stro werd gecompenseerd met het zgn. krabben van rauwigheid, met de vlaghak of krabzessie. Het lijken futiliteiten, maar in feite bleef zo ook de kleine boer baas op eigen erf. De vader van onze meiden uit Oss kon dank zij dat krabben voor de kost net rondkomen. Hij heette dan ook Grad de Krab, toch eer een titel dan een scheldnaam. Binnen dezelfde sociale context herinner ik me nog de bijnaam Doruske Lies. Wie daar bij hoorde vergat ik.

Had zo’n kleine boer geen paard, dan moest hij als een tuinder spitten. Kreeg hij in het drukst van het seizoen zijn landje niet op tijd zwart, dan kon hij het paard wel eens lenen bij een wat grotere collega. In ruil daarvoor moest hij terughelpen: met lijf en leden helpen met de oogst of den dors. Een andere vorm van betalen met gesloten knip kwam ook voor: had een kleine boer veel uren gemaakt als landarbeider voor een grote,dan mocht de laatste wel een beestje bijweiden: een rundbeestje laten mee grazen met de grote kudde van de man die hij had geholpen.
Driekus van Piete bedroop zichzelf. Hoefde niemand naar de ogen te kijken. Hij gedroeg zich als gelijke tussen grotere gelijken! En zijn paard was zwart. Van dat soort was er maar een. Vanwege dat zwarte paard had Driekus van mij moeiteloos alle respect. Een zwart paard! Bovendien eentje dat als Driekus de laatste bus op zijn wagen had, in de donkere wintermorgen om een uur of zes, helemaal zelfstandig de lange weg liep naar de fabriek terwijl de voerman met een paardendeken over zijn hoofd nog inhaalde wat hij die ochtend eerder aan slaap was tekort gekomen. Zijn paard – heette het – kon lezen en schrijven! Ik bewonderde het zeer. En zijn baas nauwelijks minder. Iedere dag, bij licht of donker, heen of terug, kwam Driekus in stralende gezondheid langs, dwars tegen de onheilspellende woorden van moeder in: dat hij jong zou sterven. Onze knecht werd op straffe van naar huis-zending verboden het kunstje na te doen. Hoe kwam Driekus op zijn kar? Met al die uitstekende laadbakken? Met al die bussen? Heel eenvoudig. Maar vooral prachtig om te zien. En na moeders woorden onweerstaanbaar gevaarlijk. Hij zette zijn klomp onder op de nog stilstaande velg, riep juu, en werd vervolgens door de aanliggende spaak opgetild tot deze nagenoeg horizontaal stond, om vervolgens moeiteloos even over te stappen op zijn voertuig. Ik ben wel duizend keer ingeslapen met het vaste voornemen, straks, als ik groot en moeder allang dood zou zijn, ook zo mijn kar te bestijgen, met ook die zwierige uitzwaai van het rechterbeen, met diezelfde fiere doodsverachting, met diezelfde perfecte doelmatigheid.

Van mooie meisjes droom ik nooit of zelden meer. Er gaat geen jaar voorbij zonder droom waarin ik melkrijder ben, vórt! roep en met een voorbeeldige uitzwaai mijn voertuig bestijg, onder het bewonderend oog van mijn moeder in de hemel: door een heel hoog en klein venstertje neerkijkend op onze aarde, als door een raampje in de molen van mulder Voet. Ik herinner me niet alle paarden. Wel het toppaard. We hielden er allemaal van. En toen het weg moest hebben we allemaal gehuild. Al willen er een paar niet meer weten dat ze dat gedaan hebben. Gehard door het leven, verdringen ze de tederheden van hun nog jeugdige en onbedorven bestaan. Dat dien je ze te gunnen. Doe ik ook. Maar gehuild hebben ook zij. Terecht. Toen ik om me heen leerde kijken was ons paard al zo’n 30 jaar oud. Een zwart paard is niet mis. Ons paard was wit. En als ik wit zeg bedoel ik ook wit: zonder enig zwart of grijs. Geen penning te bekennen. Hij kende de weg van Oss naar Huisseling blindelings. Als hij van Wijchen kwam, stopte hij voor de pont zo, dat de voerman niet hoefde af te stappen voor de veerbel. Als een voer mest te zwaar was hing hij even maar hield dan meteen weer op. Dan bleef hij verder rustig staan alsof hij de Graafsche Courant stond te lezen. Buitengewoon goed ontwikkeld gevoel voor wat kon of niet kon, waarmee hij dan de voerman vaak ver voor was, in wijsheid en ervaring. Pas nu herinner ik me wat Driekus zei toen zijne zwarte dood en begraven was: khe veul van hem geleerd!

Zag je van ons paard slechts de kop onder het voer hooi uitkomen, dan zag iedereen al van verre: daar loopt de Witte van Elemans. Met de Witte heb ik als jongetje mijn eerste piekervaring gehad. Net toen ik 1½ was, onder ‘m doorliep, aan z’n achterpoten begon te friemelen tot hij het genoeg vond, niet direct sloeg maar me achteruit wierp. Ik hing vol vertrouwen aan die mooie blanke benen als aan moeders schort. Met een hoge boog belandde ik in het struikgewas. Toen stonden er iedere dag wel een paar ongelukken met paarden in de krant. Op hol, geslagen, of gebeten door een kribbebijter.
Toen ik tien was heb ik hem voor het eerst bereden. Dat wou ik. Hij stond losjes aangebonden. Ik trok aan het eindje, en de strik was los. Het was knap koud. De Beers stond weet ik ook nog. Net buiten het dorp al was het een water al water. Om hem te kunnen bestijgen had ik een list bedacht. Ik deed een kladje water onder in de paardenemmer. Hij stak er de kop in. Ik nam plaats op zijn nek. Toen hij het water op had en zijn kop weer ophief, kreeg ik een lift naar boven en gleed als vanzelf op zijn rug. Juu, fort, hup, de Witte liep op hoge poten met me weg, het dorp uit, de velden in. Tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Ruiter was ik, ridder. Soms graasde hij wat. Dan had ik er zo afgekund. Maar ik was de koning te rijk. Bleef zitten. Hoog op dat witte, warme beest, midden in die levende, ademende natuur. En toen liep ze de polder in, het water in, steeds verder het water in. Naar een hoge wei. Daar stond ook een reiger alle muizen op te vreten die aanspoelden. En er huppelden wat hazen. Op die warme rug van de Witte voelde ik me verzeild in het middelpunt ergens van het Oude Testament. Het late licht waarde over de wateren als adem van God. Tot het paard op drie poten ging staan. Ik kreeg het koud. Het werd donker. Ik werd bang. Voor ik van kou en ellende van mijn paard viel werd ik gered. Toen ik lekker warm en veilig weer in mijn bedje lag, aaide moeder me over mijn bol. Je was bijna dood geweest, zei ze, met dat domme paard. Ja, zei ik, bijna dood, maar niet met dat domme paard! Ze begon te lachen. En knuffelde me bijna dood.

De Witte was natuurlijk niet alleen van mij. Ze was ook van ons. Hij werkte voor ons. We leefden ervan. We werden eraan herkend als vrije welvarende boeren. Wat wil je nog meer? Hij was van het hele dorp! Ook van de andere dorpen. Ook en vooral van Ravenstein. Hij was het paard van alle kinderen uit Ravenstein ca. Eerst wist ik het niet. Zo gaat dat. Als je klein bent weet je al van alles. Niet nog het belangrijkste. De Witte was ook het paard van Sinterklaas. Met een golvende, gefriseerde staart. Met vlechtjes in de manen. Met een zwartrode schabrak op de rug. Met stijgbeugels van goud! Voor je het weet is het wonder geschied.

Eén Sinterklaas herinner ik me nog precies. Tot die dag was ik nog een jongetje. Een dag later was ik diep teleurgesteld. Diezelfde dag later was ik een volwassen man. Sinterklaas arriveerde vanuit het niet genoeg te prijzen dorp Niftrik. Dat leverde ons onbaatzuchtig de Heilige Man. Terwijl zijn vurige schimmel stond te wachten bij de veerbel aan de overkant, in bedwang gehouden door twee Zwarte Pieten, zongen wij in heilig ontzag op de Ravensteinse oever: Zie ginds komt de stoomboot! De pont voer af. Midden erop de Sint en zijn Paard, met de Pieten. Goud, rood, wit en zwart! Een kind maakt wat mee. Het is dus echt: die hemel en die heilige. Over de dijk lopen we achter de bereden Sinterklaas aan naar hartje Ravenstein. De Sint strijkt zijn staf en buigt het hoofd om zijn mijter niet te stoten aan de stadsboog. Bij Piet Evers stapt hij af, hartje stad. Piet is bakker, en misschien wel de enige man die de Sint helemaal vertrouwt. In de winkel mag ieder kind de Heilige Man een handje komen geven en een geschenkje in ontvangst nemen. Vol vreze en ontzag wachten ze. Ik hoor er niet meer bij. In Niftrik gaf ik Hem nog wat Hem toekwam. Op de Marktstraat in Ravenstein stort mijn kinderhemel in. Onze knecht had die ochtend een paar paarse sokken aan. In de rechtse zat een gat. Kan gebeuren. In het gedrang voor het pand van Piet Evers geraak ik tot vlakbij de Sint die geholpen wordt bij het afstijgen. Zijn tabberd wordt daarbij opgetild. Zoiets moet je nooit doen bij een heilige. De Sint heeft paarse sokken aan. En in de rechter zit een gat. Met tranen in mijn ogen wacht ik die avond op de slaap. Vanwege het bedrog. In mijn droom is een gat gevallen! Gelukkig is het ook weer zo: ben je voor het geluk geschapen of voor het verdriet? Mijn heetste tranen zijn voor onze Witte. Nooit eerder was hij zo opgepoetst tot op zijn hoeven. Nooit eerder was hij zo wit! Hij danste op zijn zwarte hoeven als op lakschoenen. Allemaal bedrog, die Sint, die Pieten. Maar de schimmel was echt. Die was van ons.

Het einde is niet droeviger dan dat van tante Hes. Die brak op haar 96e nog haar heup. Ze stierf met veel pijn en moeite in haar rekverband. En zo stierf ook onze Witte. Toen hij niets meer kon, zijn einde na 38 jaar onvermijdelijk was, werd hij aan de vilder verkocht. Naar de harde wijs van de boeren: een ziek paard kost geld. Maar het gezin – daar hoorde de Witte ook bij – heeft gedaan wat het kon om hem te vrijwaren tegen het misbruik van die dagen. Dan kreeg het arme dier niet het genadeschot maar een schot peper in zijn gat op de paardenmarkt. Dan werd het nog verkocht als werkpaard. De engel des doods werd dan niet zijn meester maar een wrede uitbuiter. Die joeg het in onmogelijke arbeid op tot het dood viel in de strengen. Om dat te voorkomen verkochten wij onze Witte onder maar één voorwaarde: in ruil voor de riks die er voor stond, kregen we na de barmhartige dood als bewijs van zijn overgang de complete staart terug. Daarin zat geheel bovenin voor buitenstaanders onzichtbaar een gezwel. We hèbben die staart ook terug gehad. Mèt dat bewijs. Die staart is later opengesneden, gelooid en met al die lange schimmelharen op een plankje gespijkerd. Het plankje met die staart heb ik nog jarenlang teruggezien. Maar ergens houdt het op. Verdwijnt ook dat. Toch is er iets wat nooit verdwijnt. Een van de rijkste belevenissen uit je jeugd. Een dierlijk wezen, zeker, maar evenzeer een wezen Gods, op zijn manier ook naar Diens wezen geschapen.

Hoe de hemel eruit ziet? Weet ik precies. Hij heeft de plattegrond van het vooroorlogse Huisseling, in het groot. Het is er altijd zomer. Het ruikt er onder een onveranderlijk blauwe lucht altijd naar vers gewonnen hooi, af en aan gereden door paarden waarvan je enkel kop en poten hoeft te zien om te weten dat hun baasje ook in de hemel is, mogelijk iets minder hoog. Jan van Tilburg passeert, zijn wagen volgeladen met jonge engelen. Zijn ruin weer hengst danst van vreugde voorbij. Silles van Monte paft zonder enig gevaar voor zijn gezondheid enorme rookwolken uit een Valkenswaarder Landman die nooit meer uitgaat. En dan ineens op den hoek bij Driekus de Bruin komt OLH aanzetten, vanaf den Ringelenburg ergens waar vroeger Zijn rustaltaar stond, in een mantel van Eeuwig Licht. Daar komen sokken onderuit die zijn geweven uit de fijnste draden van Zijn voorzienigheid. Op elke gave hiel in zilver het cirkeltje van Zijn almacht. Hij zegent heel Huisseling als de paus op Pasen het pietepeuterige Rome. Hij wordt gedragen door onze Witte: het volmaakte paard uit Zijn Eigen Openbaring.

Jan Elemans, Huissen
Pasen 2009

naar boven

 

Sint Maarten
Daags voor Sint Maarten, in de avondschemering van 10 november, gingen de kinderen Sunte Marte (Sint Maarten) zingen, waarbij men op ieder adres, fruit, olienootjes of een paar centen ontving. Naast lampions, uitgeholde rapen, knollen en kalebassen, gebruikten de langs de deur trekkende kinderen een foekepot of rommelpot. Dat is een pot waarover een varkensblaas is gespannen met daarin een rietje dat een brommend geluid maakt als eraan wordt getrokken.
In Ravenstein trok men rond in grote groepen, de kinderen in Huisseling vierden Sint Maarten echter door met kleine groepjes van twee tot tien kinderen lang de deuren te gaan en dan het Sunte Marte te zingen. Ze bezochten elke afgelegen boerderij. Men noemde het Sunte Marte zingen ook wel het Hool vuur zingen. De tekst van het lied is zeer oud en kent een zeer groot verspreidingsgebied. Het zal in vorm per dorp verschillen, maar de kern is ook in Huisseling door mondelinge overlevering goed bewaard gebleven.

Hool vuu.r, stook fuu.r,
Sunte Marte wónt hie.r
Mi senen blanken èèrm,
Ik só zo géér me wèèrme.

Der waar en vròwke óp krukke,
Die sloeg et fuurke òn stukke.
Toe kwaam er en mènneke mi staake
Dè wój toe et fuurke wér maake.

Vròwke der iz en zog in den hof,
Izzet chén zóch dan izzet enen bie:r,
Gif mene gaast appel mie:r.
Dappel zéjn geschoote !

Gif mene gaast noote.
De noote zéjn geschoote !
Gif mene gaast péére,
Ik sal ze wel begéére,
Zét et lérke òn de stal
En schut te appel òn de wal
Én schut sóp chroe.te hoe:pe,
Ik sal der nie af chòn loe:pe,

Want oover de Mòòz èn oover de Réjn
Zat mèèrge Sunte Marte zéjn.

Sint Maarten is een bedelfeest en had vroeger de functie om de arme mensen door de moeilijke wintermaanden heen te laten komen. Ook met Driekoningen, Nieuwjaar en Vastenavond werden bedeloptochten gehouden. Ook het Sinterklaasfeest heeft kenmerken van een bedelfeest.
Het wordt in heel Europa gevierd, maar niet overal op dezelfde wijze. In sommige plaatsen worden lampionnenoptochten georganiseerd, in andere worden vreugdevuren ontstoken. In bepaalde streken in Vlaanderen neemt Sint Maarten zelfs de functie van Sinterklaas over. Vroeger werd het lichtje rondgedragen in een uitgeholde voederbiet. Hoewel dit nog gedaan wordt, zijn kleurige, door de kinderen gemaakte, lampionnen nu het meest gebruikelijk. De populariteit neemt de laatste jaren weer toe.

naar boven

 

De heiligenverering in Huisseling – Anekdote door Jan Elemans
Jan Elemans Dzn schreef voor zijn boek “Tegels Aardewerk”, een mooie inleiding, zoals alleen hij dat kan. Het boek is een documentatie van de aardewerk producten die hij en zijn vrouw Ted in de loop der jaren hebben verzameld en zij hebben geschonken aan het Keramiekcentrum Tiendschuur Tegelen (L). Hier een leuke anekdote uit de Huisselingse heiligenverering op de Gansheuvel.

“Bij onze drie hoofdpatronen vallen alle anderen bijna in het niet. Drie daarvan bejegenen we zelfs wat oneerbiedig. Dat zijn Vincentius, Bastianus en Sint Teunis, die vanwege de te verwachten koude nachten van hun feestdagen de Harde Koppen heten. De laatste van dit trio wordt overigens even over de grens ter hoogte van Tegelen met niet minder spot aangeduid als de Verkensteun. Voor de rest mag ik opmerken dat van de heilig geworden mannen alleen de H. Jozef op de nodige welwillendheid mag rekenen. Petrus en Paulus? Die kennen de boeren enkel van 29 juni: dan mogen ze in het drukst van de hooibouw zondag houden. Met Sint Jozef hebben ze wel wat gemeen: een bescheiden plaats op de achtergrond. Hij hoort als de minste bij de H. Familie, en is dan ook zelden als los beeld aan te treffen. Zo’n exemplaar lag bij ons thuis in een rommella tussen andere oudheden. Dierbaar erfstuk tot op de dag van vandaag, maar allang niet meer vereerd. Bij nader inzien toch een interessant stuk, al was het maar vanwege de raadsels waarvoor het ons stelt. De terracotta glinstert van het kattezilver. Een XIX eeuws stuk uit Tegelen? Het valt te overwegen. Het beeldje is gevormd met twee mallen: waar voor- en achterhelft aan elkaar geplakt zijn ontstond een bakspleet. Tal van verguldsellagen zijn afgeloogd tot op enkele restjes rood en groen. Middenvoor op het voetstuk SE, over van opschrift S of H Joseph, onder een geschonden reliquarium. Dat dit soort beeldjes in of in de buurt van Tegelen voorkwam, wordt verondersteld in Klijn (LiN 310), bij een Sint Maarten, nota bene in wit bakkende klei. Wat ons Jozefbeeldje betreft, dat we mede om publiciteitsredenen als productiejaar 1853 meegeven, gaan we ervan uit dat het in de familie ooit voorwerp is geweest van een intieme devotie.”

Het terracotta Jozefbeeldje van de familie Elemans. Bron: Tegels Aardewerk


naar boven

 

Chahra Z
Chahra Z is een geboren en getogen Noord-Brabantse, geboren in Boxtel. Sinds haar 12e trad ze al op bij kleine feestjes, verjaardagen en musicals. Rond haar 17e deed ze aan verschillende talentenjachten mee, maar allemaal tevergeefs, want zij won niet.
In 2003 wordt de dan 19-jarige Huisselingse Chahrazad Msellek een beroemd zangeres. Zij heeft dan meer dan drie maanden een nummer één hit in Marokko met het nummer ‘Give it all up’. Dat is bijzonder, omdat ze in Nederland woont en ook nog eens in het Engels zingt. Dat is daar niet gebruikelijk. Ze wilde meedoen aan de talentenjacht ‘De Grote Prijs van Nederland’ en liep bij toeval een Marokkaanse televisieploeg tegen het lijf. Zij hoorden haar zingen en van het één kwam het ander. De bijbehorende videoclip wordt deels in Huisseling en deels in Ravenstein opgenomen en ze verschijnt op de landelijke televisie. Haar artiestennaam is Chahra Z. In 2011 doet ze met succes mee met ‘The Voice of Holland’.

Hieronder de clip van het nummer ‘Give it all up’

naar boven

 

Anne van den Hoogen en Rosemary & Garlic

Anne van den Hoogen

De eveneens uit Huisseling afkomstige Anne van den Hoogen timmert ook als zangeres aardig aan de weg. In 2009 verschijnt op het album ‘The Westpole’ van de Osse/Nijmeegse band The Gathering haar nummer ‘Capital of nowhere’. Anne zorgt voor de tekst en zang. Verder levert ze haar bijdrage aan de backing vocals en enkele pianolijnen. Na het vertrek van Anneke van Giersbergen in 2007, was de band op zoek naar een nieuwe zangeres. Ook Anne werd hiervoor benaderd; echter Silje Wergeland nam haar plaats in. Als solozangeres AnneRosa treedt Anne her en der op.
De website van The Gathering vermeld op 18 maart 2009: “Via internet hebben zo’n 250 mensen auditie gedaan. We wilden eerst gaan werken met diverse gastzangeressen, maar de Noorse Silje Wergeland heeft een prachtige stem en een tomeloze ambitie. Omdat het meteen goed met haar klikte, hebben we besloten dat zij onze vaste zangeres zal worden. Op het album doen trouwens nog twee andere zangeressen mee: De Nederlandse (lees: Huisselingse) Anne van den Hoogen en de Mexicaanse Marcela Bovio.”
Anne's Twitteraccount
Anne's Facebookpagina

Hieronder de clip van het nummer ‘Capital of nowhere’.

In januari 2015 komt de EP The Kingfisher van Anne’s band Rosemary & Garlic uit met artwork door kinderboekenillustrator Martijn van der Linden. Gemixt door Dolf Smolenaers en gemasterd door Ryan Morey (o.a Arcade Fire, Patrick Watson).
Rosemary & Garlic
Rosemary & Garlic is een muzikale samenwerking van Anne van den Hoogen en Dolf Smolenaers.
Op 6 februari 2015 meldt Anne’s Facebookpagina: ‘Our first limited edition has completely sold out. These Kingfishers are all up in the air now! With a special thanks to The Gathering’.

Rosemary & Garlic; The Kingfisher

 

Annes broer Luuk is DJ en heeft zelf ook enkele nummers gemaakt.
partyflock.nl/artist/27962:Luuk_van_den_Hoogen.html

naar boven

 

Scarlett
Weliswaar in Herpen geboren en getogen, maar met Huisselingse roots, toch even aandacht aan Scarlett Arts. Zij is celliste en heeft inmiddels over de hele wereld opgetreden met diverse orkesten (waaronder Danny Malando en de musical Annie), maar ook met haar eigen bedrijfje
www.celloles.com/. Verder speelt ze met Het Strijkkwartet.
Scarlett's Twitteraccount

 

Hieronder volgt binnenkort een overzicht van de werken van schrijver Jan Elemans Dzn.
In ieder geval een link naar de website met een verhaaltje over Dhr. Elemans:
www.kostverlorenvaart.nl/elemans/index.htm

 

naar boven