Brouwerij/postkantoor

De Huisselingse brouwerij en postkantoor

Verzoek tot omlegging postroute

Brouwerijen in de regio

 

De Huisselingse brouwerij en postkantoor
(door Joost Kocken)
Inleiding
Huisseling had vroeger een eigen brouwerij. Het huis met de brouwerij heeft gestaan op de hoek van de Grotestraat en de Hamstraat tegenover Hamstraat 8. Die brouwerij was zeker vier generaties in het bezit van de familie Kocken. Kerkmeester Jan Celen Kocken wordt als brouwer vermeld in 1691. Na zijn dood in 1715 wordt de  brouwerij door zijn zoon Marcelis voortgezet. Marcelis Kocken bezat behoorlijk wat onroerend goed, waaronder een brouwerij in Ravenstein en in Huisseling. Hij was kerk- en armmeester, borgemeester en vele jaren schepen.

De brouwerij aangegeven met < * > op de kadasterkaart van 1832

Hij zal aan huis ook wel een gelagkamer annex woonkamer gehad hebben. Dat is af te leiden uit een paar strafzaakjes als gevolg van vechtpartijen in zijn huis, bijvoorbeeld in 1751 zijn Gerard Schenck en Jan de Wael aan het vechten geslagen, waarvan de gasten en het hele huisgezin van de brouwer getuige waren.(1) Ook moest Marcelis nog al eens achter klanten aan die het geleverde bier niet betaalden, zoals Geurt van Gelder, die van 1732 t/m 1736 schutterij- en meibier had afgenomen voor de schutterijen van Deursen en Dennenburg. Jonker Balthasar van Stockheim van de Ringelenberg en Jan van Velthoven van het Ravensteinse veerhuis stonden ook aardig bij hem in het krijt.(2)

Na het overlijden van Marcelis› vrouw, vindt er in 1751 een boedelscheiding van haar nalatenschap plaats, waaronder ook de Huisselingse brouwerij. Zoon Peter Kocken wordt de erfgenaam. Hij was naast landbouwer en brouwer ook borgemeester en schepen. In 1758 begon hij een rechtszaak tegen de Franse schoolmeester François Houdar te Ravenstein van wie hij 294 gulden voor geleverd bier te vorderen had.(3) Peter overleed in 1765. Uit de armenrekeningen van Deursen/Dennenburg blijkt dat de familie Kocken tussen 1699 en 1768 regelmatig het kinderbier leverde waarop de schoolkinderen met vastenavond werden getrakteerd.

In de dorpsrekening van 1772 staat ‘Vyff tonnen thiend-bier zijn door de naebueren verdronken’. Of dit bier uit de Huisselingse brouwerij kwam staat er niet bij 😉

De moeizame verkoop van de brouwerij c.a. (4)
In 1782 overleed Peters weduwe Josina Vesters. De kinderen besloten toen het huis met de brouwerij en het land publiekelijk te verkopen. Het goed wordt dan omschreven als ‹huis, hof, schuur en varkenskooi, berg, boomgaard en brouwerij, bestaande uit een ketel groot circa 30 ton, kuip en koelschip en aangelegen landerijen groot ongeveer 2 morgen gelegen te Huisseling naast het erfgoed van Marcelis Kocken, aan de andere zijde de erfgenamen van Lamert Kocken, aan het ene eind het Meerke en aan het ander eind de gemene straat, vrij allodiaal erfgoed›. Het goed viel ten deel aan richterbode (deurwaarder) Peter van der Heijden uit Ravenstein voor 1890 gulden.

Dan beginnen de problemen. Van der Heijden heeft kennelijk spijt van zijn koop en wil er vanaf. Hij weigert te betalen en werkt niet mee aan de overdracht. Daarom beginnen de erfgenamen Kocken op 20 februari 1783 een rechtzaak tegen hem. Van der Heijden voert aan dat de brouwerij c.a. nog met schulden belast is, waarvan geen royement is te vinden. De rechtbank vindt dat hij dat moet bewijzen. Het merkwaardige is dat schepenen de eisers, de verkopers dus, opdragen de koopsom van 1890 gulden te consigneren! Dit berust op een fout, want de koper (Van der Heijden) diende te consigneren. Van der Heijden benut deze procedurefout en consigneert de koopsom niet, want het is hèm immers niet opgedragen. Maar de rechtbank geeft de familie Kocken toch toestemming om te executeren (3 april 1783). Van der Heijden is hierover erg gepikeerd en gaat in beroep bij de Hofraad in Düsseldorf. Hij krijgt advocaat Van Cooth als pleiter toegewezen. Op 21 juni 1783 komt er een bevel van de Hofraad om te proberen de kwestie op te lossen en het proces voorlopig niet door te laten gaan. De familie Kocken krijgt landsadvocaat De Meuse toegewezen.

Een strafzaak
Twee jaar later op 18 april 1785 is er echter nog niets opgelost, wat aanleiding is voor heftige gebeurtenissen ten huize van richterbode Peter van der Heijden te Ravenstein. Omdat de afwikkeling van de zaak alweer uitgesteld moest worden, was kennelijk het geduld van de Kockens op en konden enkele van hen zich niet langer beheersen. Ze gingen zich te buiten aan scheldpartijen en bedreigingen aan het adres van hun advocaat de Meuse. Die liet het er niet bij zitten en diende een klacht in bij het Breukengericht van Stad en Land van Ravenstein. Een strafzaak was het gevolg.

De Meuse beklaagt zich over de schandelijke handelwijze van twee vrouwspersonen genaamd Johanna Elisabeth Voet, de vrouw van Marcelis Kocken, en Maria Christina Kocken, de vrouw van Jan Dorus de Swart, en naderhand van borgemeester Marcelis Kocken, allen wonende te Huisseling. De vrouwen hadden zelfs de vermetelheid om te zeggen dat alle heren schelmen en schurken zijn en dat ze het – omdat van der Heijden richterbode is – vooraf al met elkaar eens waren. De Meuse legt vervolgens breedvoerig uit hoe hij al die tijd de belangen van de familie Kocken heeft behartigd en dat hij nog niet heeft kunnen executeren omdat het beroep van Van der Heijden nog steeds niet bij het Hof gediend had. Intussen had Van der Heijden een nieuwe koper gevonden, namelijk Otto Nass uit Neerlangel. Maar die wilde niet aan het transport meewerken zolang de overdracht van de eerste verkopers aan Van der Heijden niet had plaatsgevonden. De Meuse zegt dat hij Nass toch had weten te bewegen om de overdracht op 18 april door te laten gaan.(5)

Op de bewuste dag was iedereen in het huis van de richterbode aanwezig, maar volgens Van der Heijden moest hij nog iemand over deze zaak spreken, waardoor het transport tot donderdag uitgesteld moest worden. De Meuse had hier vrede mee en vergenoegde zich al dat eindelijk deze delicate zaak zou worden opgelost. Maar toen hij dat binnen aan zijn cliënten meedeelde brak de furie los.

De Meuse doet verslag van de scheldpartij die dan volgt: ‘Verdoemde schurk en schelm. Wij willen geen ogenblik meer wagten. Gij zult ons vesten, off de donder zal Uw haelen slegte blixem, Hebije niet lang genoegh Uw wil en plasier gehad van ons geldt, zoekt gij ons nog verder te bedriegen en te misleijden, in de hel zult gij branden, maar zulkx is niet genoegh, men moest uw ophangen, wat moveerdt ons dat wij Uw voor Uw bakhuijs slaan verdoemde schelm, geeft ons de papieren te rugh’. Toen advocaat de Meuse de papieren wilde teruggeven zei Maria Christina de Swart-Kocken onder het uiten van ten hemel schreiende vloeken: ‘Neen verdoemde blikxems-kint, schrapt mijn naam maar uijt op de volmagt, ik zoek met soo een schurk als gij zijdt, niet meer te doen te hebben’. Toen daarop de Meuse haar naam wilde doorhalen, werd het schelden van de vrouwen nog heviger, ondoenlijk om op papier te zetten volgens hem. Toen hij tevergeefs probeerde om de vrouwen te overtuigen van hun slechte handelwijze kreeg hij nog toegevoegd: ‘dat liegt gij Morijnese hondt maer gij legt met Pieter van der Heijden onder een deeken, zoo als al de Heeren om dat hij Rigterbode is, maar gij bent allemaal maar schelmen. En gij zult daar voor in de hel branden, maer dat is nog niet genoegh. Op moest men uw hangen verdemden hondt’. Toen de Meuse wilde vertrekken heeft Marcelis Kocken, borgemeester van Huisseling, hem bij de arm genomen, zeggende: ‘Ik heb nu de wijven maar laaten spreeken, maar nu vraag ik Uwes off gij nu vast aanstaande donderdag zult vesten’. Waarop de Meuse antwoordde: ‘Mijn vriendt, ik kan niet begrijpen hoe dat gij lieden zulkx van mijn kundt vergen dat het aanstaande donderdagh zal gevest worden, gij weet immers wel dat al hetgeene wat ik Uw zeg, dat zulkx geschied op het verspreeken van Otto Nass en Peter van der Heijden … etc. ’. Waarop Marcelis Kocken uitvoer met: ‘G… doome gij zult ons vesten aanstaande donderdag off ik zal doen daar ik misschien nooijd opgedagt hebt’.

Omdat dergelijke verwijten, scheldwoorden en dreigementen voor een man van eer onverdraaglijk zijn, verzoekt advocaat de Meuse de gemelde vrouwspersonen en Marcelis Kocken naar evenredigheid van de belediging te straffen. Hij wil de navolgende getuigen onder ede laten verhoren: Aart van Horssen, Willem Bodenstaff, Jan en Herman Elemans, de mulder van Ravenstein, Engel de Kleijn, Matheus van Londen en de Roomse meester C. Kuijpers.

Deze zaak sleepte al drie jaar. Kennelijk traineerde Peter van der Heijden in de ogen van de Kockens de zaak. Hij wilde immers de gekochte brouwerij c.a. niet betalen en hij wilde evenmin de acte van overdracht passeren, bewerende dat de gekochte goederen belast waren met schulden. Dat de overdracht nu weer 3 dagen werd uitgesteld was kennelijk de druppel die de emmer deed overlopen. Hieruit valt de woede van de vrouwen Kocken en Voet en van Marcelis Kocken te verklaren; die richtte zich echter tegen de verkeerde persoon, hun advocaat. De afloop van dit breukengericht is niet bekend.

De verkoop gaat eindelijk door
Vijf jaar later, op 10 maart 1788, wordt het beroep van Van der Heijden door de Hofraad afgewezen. Waarschijnlijk heeft hij de zaak toch nog trachten te traineren, want pas op 16 oktober, zeven maanden later, wordt hij veroordeeld tot borgstelling van de koopsom van 1890 gulden. Hij blijft echter onwillig, zodat nu de borg van Van der Heijden wordt aangesproken. Dat was advocaat Ploegh, maar omdat die overleden is wordt zijn weduwe en boedelhoudster Godefrida Zelants aangesproken.(6) Op 14 maart 1789 wordt een akkoord gesloten tussen Godefrida en de erfgenamen Kocken. Zij is bereid het huis en de brouwerij met aanhorigheden over te nemen. Na drie maanden is de weduwe Ploegh echter nog niet over de brug gekomen.

Uiteindelijk op 12 september 1789 vindt door de erfgenamen Peter Kocken executoriale verkoop plaats van haar roerende goederen, omdat de weduwe verklaarde geen geld te hebben. De Kockens schoten er niet veel mee op, want het verkochte huisraad bracht maar 47 gulden op. Na aftrek van beurgeld en jura bleef slechts 13 gulden over.
Op 10 november 1789 wordt de kwestie tenslotte toch opgelost. Godefrida Zelants draagt het huis met de brouwerij c.a. over aan Jacob van Huisseling en diens vrouw Joanna Nass. Er is dan 71⁄2 jaar verstreken. Waarschijnlijk woonde de familie van Huisseling al in dit huis, want zij waren al kort voor 1784 van Neerlangel naar Huisseling verhuisd. De Huisselingse brouwerij wordt nog vermeld in 1816 als zijnde niet in bedrijf.(7)

Het oude hulppostkantoor annex voormalige brouwerij

De latere bewoning (8)
Jacob van Huisseling bepaalde in zijn testament, daags voor zijn overlijden op 12 september 1830, dat zijn kinderen Marcellus en Sophia (de vrouw van Jan Wouter Kocken) dit goed zouden erven. Het wordt nu omschreven als ‘huis, schuur, bakhuis, hof, boomgaard en aangelegen land circa 2 bunder groot, getaxeerd op 1400 gulden, belendende aan een zijde de gemene voetweg, aan de andere zijde Jan Wouter Kocken, aan een eind de straat en aan het ander eind Antoon Moors en meer erven’.(9) In het kadaster van 1832 staan bovenvermelde erfgenamen Van Huisseling als eigenaren vermeld. De sectienummers zijn B.343 t/m 346 (huis c.a.) en B.338 (het land).
Op 30 mei 1832 verkopen zij het huis met wat grond, groot 34 roeden en 24 ellen, voor 400 gulden aan Peter Velt. In 1838 blijkt de schuur al te zijn afgebroken en zal ook de brouwerij wel ontmanteld zijn.

In het kadaster en het bevolkingsregister vinden we de navolgende bewoning: Peter Velt (Waterloo-veteraan) verkoopt het pand in 1846 aan Arnoldus Thomassen. Peter en zijn vrouw Hendrina Kaspers bedingen tot hun dood het vruchtgebruik van een kamer en wat grond. In 1854 wordt in het pand een hulppostkantoor geopend. In 1869 is het adres Kerkhoek wijk B nr. 45a en b. De volgende hoofdbewoner is veehouder Martinus van de Sluis, die in 1860 trouwde met Petronella van den Boogaard, weduwe van Arnoldus Thomassen. Na het overlijden van Petronella hertrouwt Martinus in 1871 met Ida van Erp.

Een in Huisseling afgestempelde postzegel


Een in 1916 in Huisseling afgestempelde als veldpost verstuurde kaart


Kruidenierswinkel en hulppostkantoor
Ida werd al vlug weduwe. Bij de boedelverdeling erft zij het huis c.a. Zij hertrouwt in 1874 met akkerbouwer Johannes Kuijpers. In 1885 is het huis verbouwd. Waarschijnlijk zijn Johannes en Ida toen met de kruidenierswinkel begonnen. In het bevolkingsregister van 1890 staat ook dat hun beroep kruidenier is en dat Johannes is opgehouden met akkerbouw. Het adres is intussen gewijzigd in Grootestraat wijk B nr. 50. Ida’s zoon Johannes (Hannes) van de Sluis woont hier ook en vanaf 1900 met Gerarda Megens uit Hernen, met wie hij in dat jaar getrouwd is. Hannes is brievengaarder van beroep. Ida’s stiefzoon Martinus Kuijpers en schoondochter Gerarda Megens runnen de kruidenierswinkel. Ida overlijdt op 16 januari 1910. Haar erfgenaam Hannes van de Sluis laat in datzelfde jaar het huis verbouwen. Het bestaande huis krijgt een uitbouw voor winkel, kantoor en woning. De nieuwe gevel wordt voorzien van het opschrift ‘HULPPOSTKANTOOR’, want Hannes is kantoorhouder van dit postkantoortje geworden. Zijn stiefvader Johannes Kuijpers is dan brievengaarder en Martinus, de 12-jarige zoon van Hannes, staat te boek als hulpbesteller.

Een in Huisseling afgestempelde postzegel

Als Van de Sluis in 1922 wordt benoemd tot kantoorhouder van de Posterijen te Zeeland wordt zijn onroerend goed te Huisseling op 11 januari 1923 in herberg Van Aar publiek verkocht. Het pand wordt omschreven als huis, schuur, erf, tuin, boomgaard en kippenpark. Gerardus van Geenen uit Den Bosch is voor 5993 gulden koper. Hij gaat er met zijn gezin wonen. Zijn beroep is winkelier en kapper. Inmiddels was Huisseling ingedeeld bij de gemeente Ravenstein en kreeg deze locatie het adres Grootestraat wijk C nr. 46.
(Men zegt dat bij kapper Van Geenen de haren van een maand op de grond lagen. Een paar Huisselingse jongens staken eens de haren in de fik en maakten dat ze wegkwamen.

Sigarenfabriek

Het hulppostkantoor aan de Grotestraat

Van Geenen had grote plannen, want in 1924 vindt een verbouwing plaats en wordt er een sigarenfabriek in gevestigd. Al in 1925 houdt Van Geenen het voor gezien en gaat terug naar Den Bosch. Het pand wordt verkocht aan Joannes Brocks uit Oss, ook winkelier. Hij woont hier met zijn vrouw Nelly Loobeek. Zijn schoonouders Loobeek-Boel wonen in. Brocks verkoopt het pand in 1929 weer aan Theodorus van den Hoogen uit Reek en zijn vrouw Maria Poelen, die verder gaan met de winkel. De koper bedingt dat verkoper in Huisseling geen winkelnering mag uitoefenen of doen uitoefenen.

Het gezin Loobeek. Links Nelly en in het midden vader Kaspar Loobeek en moeder Maria Boel. Deze drie hebben in Huisseling gewoond. Bron: Broer van Gestel

Het boterfabriekje
De ‘Vereeniging tot verbetering van Zuivelbereiding’ te Huisseling had bij haar oprichting een are grond in erfpacht gekregen van Ida van Erp. Op dit perceeltje, linksachter de latere uitbouw, werd het boterfabriekje ‘Landmanshoop’ opgericht. Een deel van de melk werd daarheen gebracht om te worden verwerkt. Het fabriekje werd op 25 februari 1901 gestart en was de voorloper van stoomzuivelfabriek Sint Isidorus aan de Stationssingel. Volgens verklaring van wethouder Heimericus de Bruijn, oud-bestuurslid, is de vereniging in 1917 ontbonden en is het erfrecht toen komen te vervallen. Bij de overdracht aan Van den Hoogen bleek dat die ene are nog steeds op naam van wijlen Ida van Erp stond. Deze werd nu alsnog overgeschreven op naam van de koper.
Maria Poelen, die intussen weduwe is geworden, verkoopt het pand op 27 november 1950 aan Antonia Bruijsten, weduwe van Jan van Aar. Het echtpaar Van Aar-Bruijsten had daarvoor een winkeltje aan de Woordstraat 2. Antonia hertrouwt met Frans de Vocht. Zij zetten de winkel aan de Grotestraat voort. Het huisnummer is veranderd in 61. Het kadaster omschrijft deze locatie dan als sectie B.1067 huis, stal, erf, sigarenfabriek, erf en boomgaard, groot 30,7 are, maar de ‘sigarenfabriek’ was al lang buiten bedrijf. In oktober 1964(!) (Bron: Marijke Heijmeriks-van Aar) brandde het pand af, waarna nieuwbouw volgde. Nu woont hier de familie Van Uden-Verhoeven.

Eindnoten:

  1. Gerechtelijk archief Land van Ravenstein breuken-gericht inv.nr.33. Gerechtelijk archief Ravenstein publieke pandverkopingen inventarisnr. 258;
  2. Gerechtelijk archief Ravenstein vrijwillige rechtspraak inventarisnr.100.
  3. Gerechtelijk archief Ravenstein civiele rechtspraak protocollen inventarisnr.38.
  4. Archief Drost Land van Ravenstein inventarisnr.2; Gerechtelijk archief Ravenstein civiele rechtspraak inventarisnr.37; Gerechtelijk archief Ravenstein verkopen onroerend goed inventarisnr.134; Gerechtelijk archief Ravenstein gerechtelijke verkopen inventarisnr.262.
  5. Gerechtelijk archief Ravenstein breukengericht inventaris-nr.35/breukenverhoor inventarisnr.99.
  6. Gerechtelijk archief Ravenstein civiele rechtspraak protocol ambtsverhoor inv.nr.36; Gerechtelijk archief Ravenstein vrijwillige rechtspraak stad Ravenstein inventarisnr.98.
  7. www.brabantsbier.nl
  8. Leggers kadaster (digilegger), hulpregisters hypotheek-bewaarder ‘s-Hertogenbosch, bevolkingsregister Huisseling en Neerloon en Ravenstein.
  9. Notariaat Ravenstein G. van der Heijden inv.nr.64.

naar boven

 

Verzoek tot omlegging postroute
Het gemeentebestuur van Huisseling c.a. stuurt een brief aan ‘Zijne excellentie den Minister van Financiën te ’s Hage’. Zij geeft ‘met alle eerbied’ te kennen, dat in hun gemeente een bestelhuis der brievenposterij is gevestigd, ressorterende onder het hulppostkantoor te Ravenstein, van waar de brieven enz. voor Huisseling bestemd, moeten worden afgehaald. De overbrenging van de post van Grave naar genoemd hulppostkantoor gebeurt door twee postboden, waarvan hun werkgebied zich uitstrekt tot Megen en vice versa. Bij een lage waterstand is dat een route van 7,5 uur en bij een hoge waterstand (de postroute is ’s winters meestal geïnundeerd) 9 uur gaans, en vice versa.
Zo’n zware taak kan zelfs niet van de sterkste postbodes verwacht worden, vooral omdat ze als het ware ‘gebukt gaan onder vele en zware pakketten’. Het gevolg is dat de post voor Ravenstein en bijgevolg ook die voor Huisseling, niet alleen in de winter (als de postboden meest 3/4 uur extra moeten lopen), maar het hele jaar door, te laat arriveert. Dit is iets wat voor de gemeente Huisseling, en om maar niet te spreken van Ravenstein en overige daaronder behorende ‘localiteiten’, zeer veel ongerief baart.

Het gemeentebestuur komt daarom met enkele voorstellen. Naar hun bescheiden oordeel is zij van mening dat het gemelde probleem gemakkelijk en zonder bezwaar van ’s Lands schatkist uit de weg kan worden geruimd. Wanneer de minister zou kunnen besluiten tot het instellen van een postrit van ‘s-Hertogenbosch over Heesch, Oss, Herpen, Huisseling, Ravenstein en Wijchen naar Nijmegen, zou de correspondentie alhier aanmerkelijk versneld kunnen worden. De bestaande bodelopen tussen Grave en Ravenstein vice versa zouden dan kunnen komen te vervallen, terwijl ook – wat veel zegt – het post en telegraafkantoor te Oss, waar geen postkar passeert, mede een voordeel heeft. Daardoor zou zelfs meer dan één bodeloop in Gelderland minder ingezet kunnen worden. De dienst tussen ‘s-Hertogenbosch, Grave en Nijmegen komt dan door de voorgestelde postrit te vervallen. Deze kan worden aangevuld met een extra postkar in aansluiting op de voorgestelde route. De postkar die van Boxmeer naar Grave vice versa rijdt, vervoert weinig en onbeduidende pakketten. Deze postkar zou dan kunnen worden ingezet op deze route.

Omdat de postkoets voor het stadje Ravenstein een zeer belangrijk aantal brieven bezorgt en de daar werkzame brievengaarder een ijverig en bekwame postbeambte is, zou het gemeentebestuur graag zien dat de minister hem tot directeur zal benoemen of een hoger salaris zal instellen. Zijn lage bezoldiging is niet evenredig aan de vele gewichtige werkzaamheden en functies die aan zijn betrekking zijn verbonden.
Genoeg redenen dus waarom het gemeentebestuur van Huisseling de minister ‘eerbiedig en dringend verzoekt’ om een verbeterde postdienstregeling te willen bevelen en de postbeambte te Ravenstein met ‘titel- of tractementverhoging’ te willen begunstigen.

naar boven

 

Brouwerijen in de regio
Enkele gegevens van de inmiddels niet meer bestaande website brabantsbier.nl:
In 1816 bevindt zich in Ravenstein 1 brouwerij, in Herpen 2 en in Huisseling bevindt zich ook 1 brouwerij. Die in Ravenstein heeft 1 werklid, de huidige staat is redelijk en de consumptie van het brouwsel is voornamelijk in de gemeente en de naburige dorpen. Die in Herpen brouwen ook bierazijn en hebben beiden 1 werklid, de huidige staat is redelijk en de consumptie is voornamelijk in de gemeente en de naburige dorpen. Die in Huisseling heeft ook 1 werklid, de huidige staat is weinig van belang (staat stil). Er wordt niets meer gebrouwen.
Vanaf 1900 zijn er in Ravenstein de volgende gegevens bekend:
1a. A. Teulings 1900
1b. A.H.J. Teulings 1905
1c. Richard Stael 1912
2. A.J.M. van den Oever (De Gerstaar) 1915

De Roemer (Marktstraat 15) is de oudste in Ravenstein. Eigenaar was Cornelis van Berchum. Cornelis’ zoon Antonie nam het bedrijf in 1659 van zijn vader over. Antonie stierf in 1682. Derde eigenaar van de zaak werd de weduwe Van Berchum. Die zwaaide tot 1705 de scepter over het bedrijf, dat toen ophield te bestaan.

Brouwerij De Roemer, links vooraan


Den Ancker (Nieuwstraat 2) is de volgende. Deze werd ongeveer 20 jaar nadat de eerste Van Berchum begon te brouwen opgestart. Van ongeveer 1650 tot 1772 brouwden verschillende generaties van de familie Maes daar bier. In 1792 nam een advocaat de brouwerij over. Hij hield het niet langer dan een jaar vol. De brouwerij werd toen verkocht aan de gezusters Van Mulekom die er tot 1813 brouwden. In dat jaar nam J.H. Niënhuis de brouwerij over en begon er een mouterij, een toeleveringsbedrijf voor brouwerijen.

Brouwerij Den Ancker


De derde is de brouwerij aan de Brouwerijstraat. In 1772 ging de familie Van Claarenbeek hier van start. Zij brouwden er bier tot 1885. De laatste brouwer, Reinier van Claarenbeek, was vanaf 1854 ook burgemeester van Ravenstein. H.J. Teulings nam in 1892 de zaak over en verkocht hem in 1907 aan Richard Stael. De brouwerij was in bedrijf tot 1917. Het pand is daarna nog een stadsboerderij geweest van Chris van Aar en inmiddels gesloopt.

Brouwerij aan de Brouwerijstraat, rechts vooraan


De Gerstaar (Walstraat 46). Ernaast staat het woonhuis van de eigenaar M.J. van den Oever en heeft de mooie naam ‘Het Hooghuis’. Van den Oever was de zoon van een plaatselijke leerlooier. De leerlooierij stond naast de brouwerij. Het wapen van de brouwerij toont een koe en een geit en is nog steeds in de voorgevel terug te vinden. De brouwerij kon in 1931 de concurrentie van de grote landelijke brouwerijen niet meer aan en sloot de deuren.

Brouwerij De Gerstaar (midden)


De Oranjeboom stond eveneens in de Nieuwstraat in het pand met de blauwe steen over de stadsbrand. In dit pand heeft ook de protestante school gezeten en een postkantoor. In de 20e eeuw was er een kruidenier gevestigd.

Brouwerij De Oranjeboom (grote pand)

In Deursen:
3. W.M. van Dienten 1905
In Herpen:
4. L. van Asten 1900

Aan het Alard van Herpenplein was ook de brouwerij van de familie Hoefnagels gevestigd (het latere pand van DoeLand Thomassen). Dit was tevens een logement. Na de familie Hoefnagels woonde hier de familie Van Mook.

Brouwerij Hoefnagels, Herpen

naar boven